Lukas Pairon / Suzanne Vindevogel

Gunther Sergooris

Leestijd 9 — 12 minuten

Lukas Pairon

‘Ik ben ervan overtuigd dat opera moet teruggrijpen naar een zekere eenvoud, een zekere intimiteit.’

Lukas Pairon, de intendant van ‘Walpurgis — contemporary opera and music theatre’, is een overtuigd voorstander van kleinschalige produkties. Daar kan gewerkt worden aan een nieuw operarepertoire. De grote huizen kunnen dat nauwelijks. Het zijn eigenlijk begrafenisondernemingen, aldus Pairon.

Lukas Pairon, van opleiding pedagoog en voorbestemd om alfabetiseringscampagnes in Afrika te leiden, is geboeid door communicatie. Een dialoog tot stand brengen tussen de meest diverse artistieke werelden, dat is zijn motivatie. Ramen moeten opengegooid, muren gesloopt: opera als een vorm van interactiviteit. Hij zet produkties op (Antigone, muziek: Luc Brewaeys, libretto en regie: Dirk Opstaele), brengt CD’s uit, organiseert workshops en colloquia en plant nu zelfs een tentoonstelling. Daarbij gaat het niet om de verscheidenheid als doel op zich, maar wel om het verkrijgen van diepgang bij het uitwerken van een veelzijdig concept.

Toenadering

Pairon: Walpurgis is ontstaan uit mijn belangstelling voor opera. Ik ben een groot liefhebber van het bestaande repertoire. Maar het hedendaagse theater, de nieuwste ontwikkelingen in de muziek, jazz en rock boeien mij eveneens. Over het verschil tussen opera en muziektheater kan je een theoretische boom opzetten, in de praktijk kan je met zo’n verschil weinig aanvangen. Bij het zoeken van een equipe ga ik op zoek naar schrijvers en regisseurs die verder willen gaan dan een theaterstuk opgefleurd met incidentele muziek en naar componisten die meer willen dan een theatralisering van hun muziek door een plastische vormgeving of een eenvoudige ‘mise-en-place’. De meeste componisten hebben onvoldoende voeling met het hedendaagse theater en theatermensen zijn niet genoeg op de hoogte van wat er in de muziek beweegt. Het project van Walpurgis bestaat erin een toenadering tussen beide werelden te bewerkstelligen.

In de aanvangsfase van Walpurgis heb ik veel tijd moeten steken in het opbouwen van contacten, in het leren een produktie op poten te zetten. Daarom heb ik bij de voorbereiding van Antigone heel veel gemist op artistiek gebied. Ik werd gedwongen mij hoofdzakelijk met de praktische kant van de produktie bezig te houden. Als intendant heb ik nochtans een grote artistieke verantwoordelijkheid. Ik stel de equipe samen, ik maak de eerste keuzes, in eerste instantie die van de componist. Voor Antigone ook de tekstschrijver: Dirk Opstaele. In die eerste fase ben ik overal bij betrokken, ik denk en droom mee. Vaak ben ik de enige in zo’n equipe die èn naar theater, èn naar concerten, èn naar opera gaat. In al die werelden ben ik thuis. Ik breng de mensen met elkaar in contact en zorg voor de continuïteit van dat contact, want tijdens het repetitieproces blijven die verschillende werelden waaruit de leden van het produktieteam afkomstig zijn, een rol spelen. Als het moeilijk werd, was ik vaak de enige die kon bemiddelen.

Met de inhoud van het stuk en met de regie-opvattingen houd ik me niet bezig. Het is wel zo dat ik aan componist, librettist en regisseur steeds voorstel een beroep te doen op klassiek geschoolde zangers. Daarin uit zich mijn verbondenheid met een bepaalde traditie. Ik heb een zeer intense voeling met de leef- en denkwereld van die zangers. Als je het op de juiste manier aanpakt, kan je zowel muzikaal als theatraal veel van hen vragen. De confrontatie van een acteur en zangers in het nieuwe stuk waarmee we bezig zijn, is boeiend: het is de botsing van werelden die fundamenteel verschillend zijn en die desondanks raakpunten hebben.

Een begrafenis eerste klas

Pairon: Het is niet zo dat in de traditionele operahuizen die toenadering blijvende resultaten heeft gehad. Enkele prachtige produkties waren blijkbaar het resultaat van zo’n toenadering, maar het waren uitzonderingen. Enkele jaren geleden had ik nog grote verwachtingen en geloofde ik nog dat een fundamentele verandering mogelijk was, maar eigenlijk gebeurt er zeer weinig. Het blijft allemaal erg burgerlijk en de zogenaamde theatrale aanpak tovert vaak niets meer dan mooie plaatjes te voorschijn. Op die manier krijgt opera een begrafenis eerste klas, maar het stervensproces houdt er niet door op.

De burgerlijkheid heeft niet zozeer te maken met het genre op zich, maar wel met het produktieapparaat. Dat staat elke vernieuwing in de weg. Je hebt te maken met een grote machinerie, waarbinnen men op een zeer oppervlakkige manier met elkaar omgaat. Dat is de slechtst denkbare voedingsbodem voor creativiteit: het brengen van nieuw hedendaags werk is er dan ook een zeldzaam fenomeen. Zo’n omvangrijk apparaat is afgestemd op de realisatie van produkties waarin veel mensen op een efficiënte manier over de scène moeten kunnen evolueren.

Misschien is het ook helemaal niet meer de taak van de traditionele operagezelschappen om nieuw werk te creëren. Zij kunnen, zeker voor kleinschalig werk, beter overgaan tot coproduktie met een gezelschap als Walpurgis. Het is voor de directeur van een traditioneel operatheater ondenkbaar de zaken aan te pakken zoals ik dat doe: Antigone werd gecreëerd in oktober 1991. De oplosbare vis van Josse De Pauw en Peter Vermeersch zou in 1994 in première gaan. Voor 1995 bereiden we I wish van Harry De Wit voor. De regie is in handen van Rieks Swarte en Alexander Oliver zal wellicht de hoofdrol vertolken. Aan elk van deze produkties wordt heel veel tijd besteed en een beperkte equipe is daar zeer intens mee bezig.

Bernard Foccroulle, die echt begaan is met hedendaagse muziek, is overtuigd van het nut van zo’n coprodukties. Wij werken samen, maar ik blijf volledig onafhankelijk in de uitwerking van het project. Wat wij wel gemeen hebben is een belangstelling voor bepaalde componisten. Het gaat om een princiepskwestie: als onze grote broer, het traditionele operagezelschap, niet geschikt is voor zulke kleinschalige produkties, kan hij deze best uitbesteden. Zo’n gezelschap heeft er de financiële middelen voor, wij niet. Met tien miljoen zouden wij perfect kunnen functioneren, daarmee leveren wij per jaar een nieuwe produktie. Dat is belachelijk weinig geld in de operawereld. Wij zorgen ervoor dat de impact niet beperkt blijft tot een reeks voorstellingen in één huis. Wij maken van de nood een deugd: om financieel rond te komen zijn wij gedwongen buitenlandse coproducenten te zoeken.

Een samenwerking met de Vlaamse Opera lijkt voorlopig uitgesloten. Het is de keuze van Marc Clémeur geen hedendaagse opera te doen. De opera van Fabre heeft hij zeer tegen zijn zin in de maag gesplitst gekregen. Het is jammer dat er geen enkele vorm van samenwerking met Walpurgis mogelijk blijkt, als je ziet welke middelen Clémeur ter beschikking heeft. Zo’n samenwerking is denkbaar en zou ook logisch zijn, gelet op de artistieke verantwoordelijkheid van zo’n zwaar gesubsidieerd operagezelschap t.o.v. het moderne muziektheater. Het hangt alleen van de fundamentele keuzes af die men maakt. Clémeur maakt die keuze niet, Foccroulle wel. Dat merk je aan het feit dat hij met Anne Teresa De Keersmaeker scheep gaat.

Intimiteit

Pairon: Ik ben ervan overtuigd dat opera moet teruggrijpen naar een zekere eenvoud, naar een zekere intimiteit. Het zijn kwaliteiten die ook in het gesproken theater gedeeltelijk verloren zijn gegaan, maar niet in die mate. Er bestaan daar nog hechte ensembles die een creatief project op lange termijn toelaten. In de opera is dat al lang niet meer -het geval. Als je geen vast ensemble hebt, dan moet je per afzonderlijke produktie werken aan het vormen van een ensemble, een geheel van mensen dat elkaar goed kent, waarbinnen het artistiek proces van de creatie zich organisch kan voltrekken.

Vanuit het produktieapparaat moet je de artiesten, als ze bezig zijn met de creatie van een werk, gerust kunnen laten. Wanneer je met een groot koor en orkest te maken hebt, kan je dat niet, want je moet voortdurend organiseren. De keuze voor intimiteit en kleinschaligheid is ook economisch — grote ensembles zijn onbetaalbaar — maar hoofdzakelijk een artistieke keuze. Binnen kleine structuren kan diegene die organiseert mee evolueren met het creatief proces. Op die manier kan de produktie alle richtingen uit, en hoeft ze niet langer te beantwoorden aan de premissen van een produktieapparaat.

Zo’n kleine ploeg kan ook een hele tijd bij elkaar gehouden worden, wat continuïteit verzekert. Het gaat er in Walpurgis zeer georganiseerd aan toe, maar vanuit een kleinschaligheid die veel mogelijkheden biedt. Opvoeringen hoeven niet beperkt te worden tot technisch goed uitgeruste huizen, ook kleinere zalen kunnen bespeeld worden. Men bereikt een publiek dat niet zo gemakkelijk zijn weg vindt naar operahuizen.

Antigone heeft aangetoond dat dit alles in de praktijk kan worden gerealiseerd. Een première betekent eigenlijk slechts het begin van de produktie. Mijn taak is het ervoor te zorgen dat het leven van zo’n stuk duurzaamheid krijgt, en dat kan natuurlijk alleen als het gedurende een langere periode opgevoerd wordt. Het stuk evolueert, tussen de verschillende tournees wordt er blijvend aan gewerkt.

Ten slotte was er de registratie van Antigone voor CD. Daarover heb ik lang geaarzeld, want ik kan het werk moeilijk los zien van zijn scenische realisatie. Ik was dan ook aangenaam verrast dat velen deze CD een eigen waarde toekenden, los van de opvoering. Wat niet wegneemt dat deze CD voor mij vooral een documentaire waarde heeft en mij niet volledig bevredigt. Daarom zitten we te broeden op een registratievorm die meer zal verwijzen naar de scenische realiteit. Ik denk aan interactieve media zoals CD-ROM en CD-I, waarbij op een diskette niet alleen de auditieve registratie gebeurt, maar ook de beelden worden vastgelegd. Daarbij komt nog dat je andere informatie kunt opvragen. Dat zou voor het muziektheater een gedroomd medium zijn, hoewel het natuurlijk nooit de opvoering kan vervangen, maar het is wel denkbaar dat er in de toekomst voor CD-I speciaal stukken geschreven worden.

Antigone wordt nu door de BRTN verfilmd, het gaat niet om een zuivere captatie. Hierdoor beschikken we zowel over beeld als klank. Daarnaast zijn er gefilmde interviews, het libretto, de partituur en biografische gegevens. Al deze informatie zou op CD kunnen worden opgeslagen en door de luisteraar op verschillende niveaus kunnen worden opgevraagd.

Ik heb altijd een grote belangstelling gehad voor nieuwe technologieën en de manier waarop die voor de kunst kunnen functioneren. In het begin wist ik heel weinig over die interactieve media. Ik heb samen met enkele geïnteresseerden een denktankje opgestart. Door dit soort ontmoetingen moet het mogelijk zijn de know-how te verzamelen om in de toekomst zo’n interactief project op te starten. We proberen aan de resultaten van deze gesprekken enige ruchtbaarheid te geven. In mei nemen we in Amsterdamdeel aan een colloquium rond media en kunst. In juni gaan we in de zaal De Unie in Rotterdam een workshop opzetten over de mogelijkheden van CD-I. Mensen van Philips zullen daaraan hun medewerking verlenen. Dat hele begrip van interactiviteit boeit mij uitermate. Ik vind dat in het theater terug en in de hele discussie rond wat dramaturgie moet zijn. Interactiviteit heeft te maken met het begrijpen van deze complexe wereld. Dit is misschien de maatschappelijke dimensie van mijn werk.

De oplosbare vis

Pairon: Op dit ogenblik staat een nieuwe produktie op stapel met Peter Vermeersch als componist en Josse De Pauw als librettist. Zij kennen elkaar heel goed, zij werkten al vroeger samen voor film en toneel. Zij hebben gemeenschappelijke passies voor een bepaald soort literatuur en zij zijn dan ook vrij snel het stuk bij elkaar gaan dromen. Voor de zangers vielen we uiteindelijk terug op de zangers van het Antigone-project. Als acteur werd Dirk van Dyck bij het project betrokken. We hadden van bij het begin aan Tom Jansen als regisseur gedacht. Josse De Pauw wou zich enkel concentreren op de tekst, hoewel hij nauw betrokken blijft bij het project. Een ‘vervanger’ vinden was erg moeilijk. De keuze viel ten slotte op Ryszard Turbiasz. Hij beantwoordt aan het profiel van iemand die regisseur binnen een ensemble wil zijn, zonder een kant en klaar concept dat te nemen of te laten is. Oorspronkelijk dachten we met een orkest van 12 musici te gaan werken o.l.v. Georges-Elie Octors. We zijn daarvan afgestapt, want we wilden ook op het vlak van de muzikanten een grote betrokkenheid. Peter Vermeersch heeft dan zelf een aantal muzikanten bij elkaar gebracht die, zoals de zangers en de acteur, compagnons de route worden van het project.

Het stuk van Josse en Peter zal helemaal anders klinken en het is ook heel ander theater dan Antigone. Ik kies niet voor een bepaalde muzikale school, de muziek moet theatraal bruikbaar zijn. Zo’n muziek spreekt het publiek aan, hoewel ze zoals bij Brewaeys uiterst complex kan zijn. Ik houd niet van het romantische idee van het ‘Gesamtkunstwerk’. Ik streef niet naar een osmose tussen heterogene elementen als woord en muziek. Want dat zou betekenen dat ik streef naar een manier om spanningen op te lossen. Het is net die voelbare spanning tussen woord en muziek die boeiend is. Ze heeft te maken met een onopgeloste complexiteit of in het beste geval met een orde in wording.

Het Kaaitheater, het Théâtre National en De Munt hebben de bedoeling afspraken te maken om een aantal hedendaagse opera’s in een programma samen te brengen. Aan dit project ben ik als adviseur verbonden. We zullen deze produkties onder de vorm van een abonnement aan het publiek aanbieden. Het is een heuglijk feit dat dit mogelijk is en dat een constante produktie en opvoering van modern werk mogelijk blijken.

Daarenboven organiseer ik colloquia en workshops, een poging tot theoretische onderbouwing van de produktie van Walpurgis. Ze kaderen ook in mijn streven om mensen met elkaar in contact te brengen, die elkaar anders niet zouden ontmoeten. Ik heb de verantwoordelijkheid op mij genomen een internationaal informeel netwerk op te starten voor organisatoren, producenten en kunstenaars op het vlak van hedendaags muziektheater. In het buitenland gebeurt heel wat op dat gebied, maar de mensen kennen elkaar niet. Het resultaat van die informele contacten was een congres in juni in De Munt i.s.m. deSingel en eind mei is er een tweede congres in het kader van het operafestival van deSingel.

Na de opname van Antigone staat er een tweede CD op stapel met historische opnamen van Marcel Vercammen, die jarenlang de eerste ‘heldentenor’ was van de vroegere KVO. Hij was een leerling van die andere legende, Max Lorenz. Deze CD wordt geplaatst in een breder perspectief, nl. dat van het verschijnsel ‘heldentenor’. Johan Thielemans schrijft een begeleidend boek, maar er wordt ook een tentoonstelling opgezet door het Theater Instituut en ze wordt in de Nederlandse opera in september gepresenteerd ter gelegenheid van de opvoering van Parsifal. Het stem type van de heldentenor is zo goed als verdwenen. Misschien komt dat omdat er geen helden meer zijn: wij wantrouwen het heroïsche. In onze samenleving voelen wij meer voor koele afstandelijkheid. Zo’n stem als die van Vercammen heeft veel te maken met overgave, zelfs met een vorm van overmoed. Deze roepen een kracht en een energie op die wij niet meer kennen.

‘Opera’ is een begrip dat een meervoud inhoudt, het gaat om de werelden van de muziek, het woord en het beeld die met elkaar geconfronteerd worden. Deze confrontatie gestalte geven in een dialoog met het publiek, dat is het uiteindelijke doel van Walpurgis.

gesprek
Leestijd 9 — 12 minuten

#42

15.06.1993

14.09.1993

Gunther Sergooris

gesprek