© Michiel Devijver

Leestijd 5 — 8 minuten

Louise Bergez, Joeri Happel, Lucas Van der Vegt & Jesse Vandamme — Solipsists

Drie keer een speler in de leegte

‘Solipsists’ is een goedgevormde triptiek van drie personages. In drie solo’s verkennen ze het geloof dat je alleen zeker kan zijn van je eigen bewustzijn. Hun relaas lokt herkenning uit, maar is abstract genoeg om de toeschouwer mee te nemen in een gedachtegang die los staat van de rest van de wereld. Deze eenzaamheid wordt met bijzondere beheersing gespeeld en er wordt telkens een andere visuele verbeelding opgeroepen, waardoor de thematiek zich volledig kan ontplooien. Daardoor is er in ‘Solipsists’ misschien (te) weinig plaats voor wat zich daarbuiten bevindt.

Solipsists is een voorstelling  van en met Louise Bergez, Joeri Happel, Lucas Van der Vegt en Jesse Vandamme. De vier spelers kennen elkaar al van de opleiding Drama op KASK en verschillende andere werken, zoals Scènes en GIANTS; Ze werken horizontaal: in de credits van Solipsists staan hun namen bijvoorbeeld op dezelfde hoogte, al is Vandamme de regisseur en speelt hij zelf niet mee, afgezien van het voorzien van live muziek bij een van de solos. Net zoals bij GIANTS is er een concept dat door een regisseur gestuurd wordt, maar door de rest van de groep mee gedragen wordt. In Solipsists, geïnspireerd door de filosofie van het solipsisme, komt drie keer iemand vanuit de duisternis op scène om hun individuele gedachtewereld te verbeelden. Doordat de verschillende acteurs al voldoende met elkaar hebben gespeeld, is er een artistieke connectie, waardoor het thema goed gedragen wordt door de drie spelers. De voorstelling  begint met een leeg podium. Voor elke solo gaan de lichten een tijd uit, om dan weer aan te gaan en de sol(ips)ist te onthullen  die al stil vooraan het speelvlak staat.

De eerste solo begint met Louise Bergez die in een glitterend turnpakje vooraan staat. Doorheen haar solo worstelt haar lichaam met verschillende acties en bewegingen. De lichamelijkheid van de emoties zorgen ervoor dat de solo helder aanvoelt, zelfs wanneer de bewegingen een abstracte kwaliteit hebben. Er worden situaties uitgebeeld, telkens met een vervreemdende laag erover, waardoor ze nooit het risico lopen te figuratief te worden. En dat komt de solo ten goede, want het zou anders oversentimenteel kunnen worden. Nu lijkt het altijd een stap of twee verwijderd van een directe betekenis.

In dit eerste deel staat het lichaam zelf centraal, dat hier heel wat vrouwelijkheid, maar ook kinderlijkheid in zich draagt. Het turnpakje, dat hier en daar wat losser zit, zorgt ervoor dat de scène er niet geperfectioneerd uitziet. Op bepaalde momenten imiteert Bergez een ongewenste aanraking of lijkt ze, in een fysiek afmattende actie, iets van tussen haar benen te trekken. Het zou bijna voyeuristisch aanvoelen om als publiek deze bewegingen te zien, als het zaallicht niet op dat moment ook aan was. Ze toont zichzelf terwijl ze weet dat ze bekeken wordt, en exact kan zien door wie ze bekeken wordt.

Het is de zelf-objectivering van een lichaam dat moeizaam beweegt dat de solo juist zijn sterkte geeft. Ze poseert soms stuntelig, soms grotesk, maar steeds met beheerste uitvergroting. Dit zorgt voor een humoristisch gehalte zonder platvloers te worden. Zelfs wanneer dat absurde lichaam zichzelf dan bijna verwoest met gemimede pillen of constante pogingen om verleidelijk of mooi te poseren en te bewegen, komt er vanuit het publiek nog steeds een lach – juist door die uitvergroting. Op het einde is er dan even plaats voor intimiteit. Met lichaamspercussie bootst Bergez een reanimatie van zichzelf na. Ze checkt haar eigen polsslag even en gaat dan weer voort. Met een zachte stem vraagt ze aan een onzichtbaar iemand of die graag met haar wil dansen. Dan gaan de lichten uit en volgt er een eerste applaus.

De scène maakt plaats voor de solo van Joeri Happel. Hij brengt met een mix van muziek en tekst een gelijkaardige boodschap, maar dan luider: namelijk dat je er alleen voor staat. In plaats van te spelen met de blik en het lichaam, vertelt Happel met micro-standaard in de hand een verhaal over de moeilijkheid om je kindertijd en je onwetendheid achter te laten. De solo lijkt verschillende facetten van eenzelfde personage te belichten. Het ene moment komt er een Engelstalig tekstfragment over Peter Pan en Captain Hook, om dan plaats te maken voor een muzikaal intermezzo onder begeleiding van Vandamme. Naar het einde toe vertolkt Happel een verbitterde, dove man, zonder dat het een karikaturale “scène” wordt. De losstaande elementen worden aan elkaar geregen doordat ze telkens dezelfde persoonlijkheid – hetzelfde bewustzijn – tonen. Het zorgt zoals bij de eerste solo voor een bepaalde afstand, een directe nabootsing van het echte leven. Geen tranche de vie, maar een weergave van een eenzame gedachtewereld.

Geen tranche de vie, maar een weergave van een eenzame gedachtewereld.

In de eerste twee solo’s zijn de lichamelijkheid enerzijds en muziek anderzijds cruciale middelen om toegang te geven tot het bewustzijn van het personage. Ze mediëren die afstand tot een klassieke monoloog of scène waarbinnen een personage een verlangen uit. Er wordt via die artistieke elementen geen leven getoond, maar een reflectie op het leven. Wanneer Bergez iets van tussen haar benen trekt, is het niet duidelijk wat de actie direct voorstelt. De manier van bewegen lokt echter een meervoud aan betekenissen uit, waardoor ze even complex worden als een gedachtegang, die zich niet altijd even gemakkelijk in woorden laat uiten.

Het laatste deel van het solipsistische drieluik bevat minder opvallende theatrale keuzes dan de lichamelijkheid of muziek van de eerste twee. Dit derde portret kenmerkt zich door een grote dosis humor. Waar de eerste twee solo’s nog een loopje namen met an sich sentimentele elementen, komt Lucas Van der Vegt als soort van “tech-lifestyle-guru” met een scheefstaande lessenaar. Wat anders een facsimile van een motiverende speech zou zijn, wordt onderbroken door glimpen van zijn interne gedachtegang door zelfbewuste opmerkingen die hij naar zichzelf richt. De constante bijsturingen en reflecties zorgen voor een humoristisch tafereel. Zijn boodschap van vernieuwing wordt hier door zijn eigen gedachtegang onderuit gehaald. Van der Vegt toont heel precies de maniërismen van een Silicon Valley-klungel met bakken geld.

De drie solipsisten delen één gevoel: een hoofd dat onverstoorbaar doorraast, schijnbaar afgezonderd van de rest.

De derde solo slaagt erin om kort de bubbel van het solipsisme te doorprikken. Het verschil tussen wat er gezegd en gedacht wordt en wat het publiek daarvan echt gelooft wordt getoond via tekst en Van der Vegts speelwijze. De boodschap, bijvoorbeeld, in de speech dat “wij samen” verandering kunnen brengen, is hol. Zelfs wanneer de monoloog direct een gedachtestroom weergeeft, verbeeldt deze solo hoe het is om een andere geest te zien die in een solipsisme vastzit. Het onthult achter de filosofie over de zekerheid van het bewustzijn een simpel gedachtepatroon: “Wat als ik alleen ben?” Het is een aanzet tot een deconstructie van het thema “solipsisme”, waardoor het nog iets dichter komt bij de titel. De drie solipsisten delen één gevoel: een hoofd dat onverstoorbaar doorraast, schijnbaar afgezonderd van de rest. In de eerste twee solo’s wordt er al gespeeld met de aanwezigheid van het publiek, maar vormt dit nog steeds een interactie waarin het publiek vervat zit als tegenspeler. We zien de “solipsist” pas echt in de verbrokkelingen in de derde solo. De voorstelling toont zijn sterktes in de uitwerking van de verschillende verbeeldingen, waar er zichtbaar veel aandacht was voor de beheersing van het thema. Het doorprikken van de bubbel in de derde solo smaakt echter naar meer.

Het kunnen waarnemen van een personage dat gevangen is in het solipsisme, zonder zelf in dat bewustzijn mee te stappen, zou een interessante toevoeging zijn geweest om de “solipsist” te verbeelden. Natuurlijk is dan de vraag of er niet te veel buiten het thema van het solipsisme zou worden getreden, terwijl de voorstelling net die thematiek met een welbepaalde kracht verbeeldt. Een kritische blik op de interactie met een solipsist blijft afwezig. Het publiek wordt geïmpliceerd, maar blijft door de abstracte esthetiek deel van het bewustzijn van de persona zelf. Solipsists heeft echter ook baat bij de afwezigheid van een extern perspectief. In de interactie tussen speler en publiek, blijft de toeschouwer in het bewustzijn vervat. Niet als buitenstaander, maar als extra stem binnen het hoofd van de solipsist.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#166

01.12.2021

14.03.2022

Lena Vercauteren

Lena Vercauteren behaalde een diploma Vergelijkende Moderne Letterkunde en studeert op dit moment theaterwetenschappen aan de Universiteit Gent. Daarnaast is die dichter, librettist en poëzieredacteur bij Kluger Hans.

recensie

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!