Willy Thomas, Eric Corijn en Joachim Declerck op een rondetafel over sociale woningbouw op Toc Tok Knock/festival 1 © Danny Willems

Leestijd 19 — 22 minuten

Willy Thomas: ‘Het was nu of nooit’

Theatermaker Willy Thomas coördineerde vorig seizoen Toc Tock Knock, een grootschalig project waarmee de KVS drie Brusselse wijken introk: de Modelwijk, Sint-Joost en de Europawijk. Evelyne Coussens blikt er met hem op terug.

Hij groeide op in de beschermende context van het platteland. Pas toen hij ging studeren in de grote stad klopte een nog veel grotere wereld bij hem aan. Willy Thomas deed de deur open, en heeft die sindsdien niet meer gesloten. Het voorbije seizoen ging hij op zijn beurt in de stad aankloppen, als coördinator van Tok Toc Knock: een ambitieus project waarmee de Brusselse schouwburg zijn eigen muren openbrak.

‘Dat heet dan ouder worden’, zegt hij bedachtzaam, zoals hij alles formuleert: zoekend, aarzelend, wars van te grote stelligheid. ‘Op een bepaald moment merk je dat er zich een logische lijn aftekent in wat je doet. Je komt ergens in terecht, zoekt, je raakt de weg kwijt, je volgt een ander spoor, je stelt ook dat spoor in vraag. Maar terugkijkend merk je dat je al je hele leven lang worstelt met dezelfde inhouden.’ In het geval van acteur en theatermaker Willy Thomas (°1959) vat een welomschreven vraag de zoektocht samen. ‘Hoe kan je als kunstenaar verantwoordelijkheid nemen voor de kritiek die je op de wereld hebt?’

Duiven en schoenen

Tijdens het seizoen 2012-2013 trok de KVS op drie verschillende tijdstippen met een poule van kunstenaars drie Brusselse wijken in. De groep bestond uit een verzameling van Frans- en Nederlandstalige, Vlaamse en niet-Vlaamse, jonge en meer ervaren mensen, zoals Simon Allemeersch, Ann Van de Vyvere, Mohamed Ouachen, Guy Dermul, Gökhan Girginol, Ruud Gielens, Annelies Van Hullebusch, Benjamin Verdonck, … De opdracht was dat er geen opdracht was, behalve deze: ‘Tracht te begrijpen waar je bent en vanuit dat begrip iets te maken wat betekenis heeft voor jezelf, voor de mensen uit de buurt en voor toeschouwers van buitenaf.’ (Thomas) Hun verblijf in respectievelijk de Modelwijk, Sint-Joost of de Europawijk mondde uit in drie stadsfestivals die een zeer diverse oogst (voorstellingen, installaties, performances, concerten, tentoonstellingen, …) aan het publiek voorlegden, als resultaten van een langlopend onderzoek naar de stad.

Het is geen toeval dat net Willy Thomas de drijvende kracht werd achter Tok Toc Knock. Het lag in de ‘logische lijn’ van zijn persoonlijke parcours.

Willy Thomas: Ik ben opgegroeid op een boerderij in Merchtem. Begin de jaren tachtig ging ik studeren aan het Brusselse Conservatorium, dat was al een behoorlijke stap. Kort daarna kwam ik als ‘boerenjongen’ terecht bij Het Trojaanse Paard, het gezelschap van Jan Decorte – in die tijd misschien wel de radicaalste theatermaker van het westelijk halfrond. Jan leerde ons dat we niet in een systeem hoefden te passen, dat we nergens in moesten meelopen, maar een autonoom, persoonlijk traject moesten ontwikkelen. Ik wist al vroeg dat ik niet wilde meedraaien in een systeem waarover ik geen zeggenschap had, maar met dat besef begon de zoektocht naar een plek waar ik me wél vrij kon voelen. Ik moet daar achteraf gezien een kanttekening bij maken. Intussen heb ik ingezien dat de idee van autonomie erg relatief is. De gedachte dat we meester zijn over ons leven is een illusie. We zijn producten van een cultuur, een religie, een tijd, een plek, … Als wij hier rustig koffie zitten te drinken, komt dat omdat daar ooit veel doden voor zijn gevallen. Slechts binnen onze context kunnen we een bepaalde vrijheid ontwikkelen om ons tot die context te verhouden – noem dat ‘talent’ of zo. Dat besef, dat pas veel later gekomen is, achtervolgt me als een schaduw.

Waarom ben je weggegaan bij Het Trojaanse Paard?

Op een gegeven moment werden de ontwikkelingen in Jans parcours erg radicaal, nadat hij met het afgelasten van de première van Oom Wanja (in 1983, ec) zijn klassieke carrière als theaterregisseur had afgebroken. Wij begrepen hem en volgden hem in zijn beslissing, maar het traject dat hij inzette was zo persoonlijk, dat ik als acteur op den duur het gevoel kreeg dat ik in iemand anders hoofd moest werken. Ik ben toen weggegaan, hoewel ik Jan ben blijven volgen en nog steeds het grootste respect voor hem heb. Daarna is Dito’Dito ontstaan, in 1984, om die verloren plek voor zelfonderzoek opnieuw op te eisen. Guy Dermul en ik, later ook met Mieke Verdin en anderen, wilden alles voor onszelf uitzoeken. Schrijven, spelen, maken… we deden het in eigen beheer. Het collectief droeg de totale verantwoordelijkheid, in de naïeve idee dat dat de meest ‘pure’ manier van werken was.

Dat ‘zelfonderzoek’ lijkt ver af te staan van het engagement voor de stad, waar Dito’Dito later zou om geroemd worden.

Vergis je niet: het zelfonderzoek was geen navelstaarderij. Het naar binnen gekeerd zijn betrof niet het verwoorden van onze eigen privé, wel het zoeken naar een zo authentiek mogelijke verhouding tot ons vak. Je wilt niet binnen een instituut werken, je hebt geen ambitie om een steracteur te worden, goed, maar wat wil je dan wel? Je inschrijven in het artistieke? Dat betekent het ontwikkelen van een eigen taal, het zoeken naar een positie van waaruit je je kunt verhouden tot andere opvattingen. Maar de ontwikkeling van een eigen poëtica impliceert geen onverschilligheid tegenover de wereld. Ik heb in de eerste zes jaar stukken geschreven die behoorlijk kritisch waren. Een belangrijk stuk was bijvoorbeeld Duiven en schoenen (1987, ec), een sprookje over mensen die de stad ontvluchtten om op een utopische plek opnieuw te beginnen. Het beeld uit de titel vat voor mij nog steeds de stad samen: de alomtegenwoordige duiven en die eenzame schoen, achtergebleven na een ongeluk of een uit de hand gelopen betoging. Het was een poging om na te denken over wat de stad is, vanuit het standpunt van iemand die een groot stuk van zijn leven op een boerderij had doorgebracht.

De omslag

Begin de jaren negentig raakt je eigen politieke bewustwording in een stroom- versnelling. Wat was de aanleiding?

Een combinatie van factoren. In tien jaar tijd was ik vervlochten geraakt met de stad Brussel, die in culturele samenstelling razendsnel aan het veranderen was, en ik voelde de spanning tussen de stad en alles wat errond lag dagelijks groeien. In 1989 was de Muur gevallen en in 1991 behaalde het Vlaams Blok een grandioze verkiezingsoverwinning. Het betekende de eerste politieke legitimatie van het Blok maar ook van het racisme als levenshouding. Wat vroeger alleen gefluisterd werd kon nu openlijk gezegd worden: ‘Ik ben een racist, en dat is ok’. Dat zoiets mogelijk was veroorzaakte bij mij een schok: plots voelde je de kracht maar ook hetgevaar van de democratie, en de noodzakelijke binding tussen beide. De overwinning van het Blok heeft het werk van Dito’Dito in een andere richting gestuwd – in zekere zin is toen al de kiem ontstaan voor Tok Toc Knock. We kozen er bewust voor om ons sterker te verbinden met de stad, met haar complexe samenstelling en werking. In de eerste plaats gingen we het Franstalige theaterveld verkennen, waarvan we voorheen nauwelijks het bestaan kenden. Daarnaast stond in die periode ook de eerste rapscene in Brussel in de startblokken. Dat was een belangrijk moment: plots eiste een eerste generatie migrantenjongeren op artistieke wijze een plek op in onze niet bijster inclusieve stadsgemeenschap. Veel van de gasten die we toen hebben leren kennen zijn later meegegroeid naar de KVS.

Op welk moment kwam dat huis in the picture?

In 1999, toen de schouwburg naar de Bottelarij in Molenbeek verhuisde en er een interne crisis uitbrak. Je moet die episode zien als een cadeau, want zonder de crisis had de KVS wellicht nooit toenadering gezocht tot de stad. Toen de eerste vraag tot samenwerking kwam waren wij in een vrouwenhuis in Kuregem bezig met J’y suis resté depuis / En daar ben ik gebleven. Twee jaar hebben we aan die voorstelling gewerkt, a rato van twee dagen in de week. Het eerste jaar deden we niets dan koffie drinken en het vertrouwen winnen. Vervolgens kwam Stoemp, een productie met jongeren uit de jeugdhuizen van le croissant pauvre. Na Stoemp heeft de KVS ons gevraagd om de ploeg te versterken, samen met Raven Ruëll, David Strosberg en Ruud Gielens. Dat waren drie mensen waarmee Dito’Dito ook graag wilde samenwerken. Het verhaal klopte.

De overstap van een collectief dat hamert op zelfbeheer naar een instituut als de KVS lijkt geen sinecure.

Het was voor ons persoonlijk niet de makkelijkste weg, neen. We gaven een deel van onze autonomie op om in een ander verhaal te stappen, net op het moment dat we de middelen hadden gekregen om zelfstandig door te groeien. Maar we hadden zo lang in de marge gewerkt, kleine projecten uitgewerkt, vaak voor een publiek van familie en vrienden. Dat was bijzonder fijn geweest, maar de millenniumwissel wenkte en we vonden vooral dat het tijd was om onze inhouden naar het ‘centrum’ te brengen, waar ze thuis horen.

Verantwoordelijkheid nemen voor de kritiek die je hebt.

Ja. Het is de eeuwige paradox: je kunt maar verantwoordelijkheid nemen als je voldoende slagkracht hebt, en wie voldoende slagkracht heeft moet zich elke dag afvragen of hij voldoende verantwoordelijkheid neemt. Kijk, huizen als de KVS zijn per definitie instrumenten van de politiek, alleen al door hun kaliber. Voor mij is het enkel zinvol om binnen zo’n huis te werken als het de politiek au sérieux neemt. Niet als partijpolitiek gegeven, maar als inhoudelijk speerpunt. Een huis van die omvang dat zich niet kritisch opstelt tegenover de heersende politiek dreigt oninteressant en artistiek leeg te zijn, met producties die misschien wel goed gemaakt zijn, maar verder volstrekt ongevaarlijk blijven. Dat kan in mijn ogen en zeker op dit moment niet de enige opdracht zijn van een theaterhuis. Het klopt niet dat de werkelijkheid zo ingrijpend verandert, maar dat dat in onze sector nauwelijks zichtbaar is. Maar als je daar als kunstenaar kritiek op hebt moet je zoals gezegd verantwoordelijkheid nemen voor die kritiek.

Wie klopt daar

De vraag is waarvoor een stadstheater verantwoordelijkheid moet nemen. Tok Toc Knock kreeg zelf ook kritiek: de schouwburg zou zijn repertoire-opdracht verwaarlozen, de zalen zouden leegstaan.

Ik heb die bemerkingen gehoord, maar ik kan het er onmogelijk mee eens zijn. Binnenshuis heeft de KVS het afgelopen seizoen een aantal oudere signatuurvoorstellingen hernomen zoals Het leven en de werken van Leopold II, Nine Finger, Gembloux, … De zalen zaten vol, de bezettingscijfers bewijzen dat heel wat mensen blij waren om die producties opnieuw of voor de eerste keer te zien. Voorstellingen kunnen bij ons vaak maar in een korte reeks spelen, met deze inhaalbeweging hebben we een nieuwe generatie bereikt. Wat de repertoireopdracht betreft… Ik denk graag na over het begrip repertoire als over een point de repère, een herkenningspunt. Waarom gaat een mens naar het theater? Omdat hij op scène iets van zichzelf herkent. Het is niet toevallig dat het publiek bij een voorstelling van Sam Touzani en Ben Hamidou over de Marokkaanse tirailleurs plots veel gekleurder is. Het verhaal raakt aan hun eigen verhalen. Veel projecten binnen Tok Toc Knock behoren op dezelfde manier tot het repertoire.

Waarom was het nodig om buiten de muren van de schouwburg te treden?

Omdat daar die ‘andere werkelijkheid’ ligt, die de KVS in de Bottelarij voor het eerst ervaren heeft. Vergeet ook niet dat Tok Toc Knock tweerichtingsverkeer is geweest: de kvs is beginnen reizen in Brussel, maar het heeft zijn schouwburg meegenomen. Toen wij de wijken introkken, hadden veel mensen nog nooit van de Vlaamse schouwburg gehoord. Le théâtre flamand? Met Tok Toc Knock heeft de KVS op veel plaatsen in Brussel een gezicht gekregen. De zaal zelf hebben we achtergelaten als een plek om op ons repertoire terug te kijken. Ik vind dat een mooie gedachte: we gaan de stad in om de toekomst te zoeken, we blijven thuis om het verleden te zien. Evident is dat natuurlijk niet. Drie festivals op locatie, dat doorbreekt de normale productielogica, en de eerste keer dat je met zo’n voorstel afkomt, word je in huis voor gek verklaard. Maar het idee voor Tok Toc Knock bestaat al sinds 2009, het heeft zachtjes kunnen rijpen. In 2012 zijn de spreekwoordelijke barsten in de muren beginnen openbreken. We moesten naar buiten, het was nu of nooit. En ik vind nog steeds dat we daarmee een uniek gebaar hebben gesteld.

De utopie

Waarom hebben jullie gekozen voor de Modelwijk, Sint-Joost en de Europawijk?

Omdat de utopie een belangrijk element was binnen Tok Toc Knock, en je er in elk van die drie wijken op een andere manier mee wordt geconfronteerd. In de Modelwijk van Renaat Braem moest architectuur een oplossing bieden voor de sociale woningnood, in Sint-Joost leeft de multiculturele utopie en de Europawijk vertelt het verhaal van het naoorlogse Europa. Veel kunstenaars hebben die idee meegenomen, op de meest diverse manieren. Thomas Bellinck is het meest voor de hand liggende voorbeeld met zijn ‘museum van de toekomst’, het Domo de Eŭropa Historio en Ekzilo. Maar evengoed resoneerde de idee in Kaarten/Cartes van Annelies Van Hullebusch. Zij zette je met twee spelers aan een spelbord dat de wijk moet voorstellen, je kreeg een stapeltje kaarten en voor de rest moest je je plan trekken. Ik heb me zelden zo oncomfortabel gevoeld als tijdens de eerste tien minuten van die ‘voorstelling’. Je moet er met je tegenspeler zien uit te raken, samen iets ondernemen. De verwarring die Annelies zaait door niets te zeggen zorgt ervoor dat je samen met de andere spelers begint te zoeken. Is dat een utopie? Het is op een bepaalde manier de herhaling van Annelies’ eigen situatie: een Antwerpse die in Brussel terechtkomt, amper een woord Frans kent maar toch probeert contact te leggen. Annelies zou Kaarten/Cartes nooit bedacht kunnen hebben zonder op die plek te zijn geweest, zonder in die situatie te zijn geweest. En dat geldt voor de meeste projecten van Tok Toc Knock.

Hoe vermijd je dat de komst van de kunstenaars in de wijken ervaren wordt als een intrusie?

Door grondig en langzaam te werk te gaan – dat is iets wat we bij Dito’Dito al wisten. Plek per plek moet de aanwezigheid van de kunstenaar onderhandeld worden. Tok Toc Knock is een project van de traagheid geweest, we hebben een volledig jaar besteed aan de kennismaking. Ditte Van Brempt en ik gingen overal binnen, spraken met officiële en onofficiële instanties, dronken thee, bleven uren zitten en kwamen de dag erna nog eens terug. Ikzelf heb vorig seizoen geen enkele productie gemaakt of gespeeld. Je gaat de temperatuur opmeten, je voelt wat er is, wat er kan, welke dynamieken spelen. Je bouwt begrip op van de buurten en probeert dat via de blog aan de artiesten door te geven. Je vertelt over je ontmoetingen, je hoopt dat andere mensen in huis dat oppikken. In die intense voorbereiding is een groot deel van de legitimering van het werk gebeurd.

Desondanks kom je in de theehuizen aankloppen als vertegenwoordiger van een groot instituut.

Van die verhouding zijn we ons altijd scherp bewust geweest. Je probeert manieren te vinden waarop je je positie niet in de schaal legt, zodat je op een inhoudelijk en gelijkwaardig niveau met elkaar kunt spreken. Dat is niet gemakkelijk, neen. Het eerste festival, in de Modelwijk, heeft ons wat dat betreft veel geleerd. Soms sta je er niet bij stil hoe snel je je eigen werkelijkheid gaat beschouwen als de enige juiste werkelijkheid. Terwijl je er in de voorbereidende fase alles aan doet om in de buurt het signaal uit te zenden dat het festival van hén is, ontstaan er toch scheefgetrokken situaties. In de Cité Culture, het cultureel centrum van de Modelwijk, werken twee mensen en een half. In één bepaalde vergadering zaten wij daar met tien man. Dat is niet slecht bedoeld, maar zo’n machtsontplooiing heeft een enorme impact. Je hebt geld, je hebt materiaal, en je sleept dat allemaal maar aan. Sommige mensen, ook van de KVS, kwamen op hun scheepsbottinen de wijk binnen. Het is dan kwestie van het hoofd koel te houden en te onderhandelen, ook binnenshuis.

Het doet me denken aan de manier waarop je jezelf ooit omschreef, als een ‘fluisteraar, eerder dan een roeper’. Waar situeert Tok Toc Knock zich tussen beide strategieën?

Tok Toc Knock heeft nooit willen roepen, denk ik. In tijd, ruimte en middelen was het een groot project, maar de creaties die het voortbracht zijn kleinschalig gebleven. Noem het fluisteren op grote schaal.

Opvallend weinig kunstenaars kozen ervoor om te werken in de publieke ruimte.

Ik ben daar blij om, want de openbaarheid is een delicaat gegeven. De maker of speler die erin neerstrijkt privatiseert die ruimte, ook al heeft hij de officiële toestemming om dat te doen. Neem het project van Jozef Wouters in de Modelwijk. In het begin was Jozef prominent aanwezig op het centrale plein, waar dagelijks tweeduizend mensen langskomen. Iedereen wist dat hij er was. Sommige bewoners vonden dat fantastisch, andere vonden het maar niks. Op een gegeven moment ontstaat er een conflict, en Jozef heeft er onmiddellijk voor gekozen om zich terug te trekken in zijn werkappartement in de wijk. Op dat moment was ik het daar niet mee eens, maar achteraf gezien ben ik blij dat hij die keuze heeft gemaakt. Indien hij zou gebleven zijn, zou zijn aanwezigheid onderwerp zijn geworden van zijn creatie en hijzelf de gevangene van zijn onderwerp. Nu gebeurde het omgekeerde: rond zijn appartement ontstond een aanzuigeffect, zijn persoonlijke ruimte werd een publieke ruimte. De jongens van het plein waren er veel geziene gasten. Ze bouwden er een eigen maquette voor een nieuw voetbalterrein dat ondertussen onderhandeld wordt bij de stad. Ze werden ook kenners en gidsen bij de maquettes die je uiteindelijk kon zien in All Problems Can’t be Solved.

Misloop je door die terugtrekking uit de publieke ruimte geen publiek van passanten? Waardoor enkel een blank publiek van usual suspects de drempel neemt?

Het is nooit het exclusieve doel geweest van Tok Toc Knock om een specifiek publiek van wijkbewoners aan te trekken – het verbreden en mengen van publieken is altijd een betere optie. Het is nooit de bedoeling geweest om de usual suspects uit te sluiten, het was belangrijk dat ook zij konden kennismaken met de wijken, mee konden reflecteren en commentaar geven. Maar in sommige gevallen bevonden we ons in contexten waarin mensen acultureel zijn. Je kan niet verwachten dat onze aanwezigheid er spontaan voor zorgt dat buurtbewoners zin krijgen om naar een theatervoorstelling te komen. Mensen die voor het eerst de stap in het theater zetten komen in de eerste plaats omdat ze mensen kennen die hebben meegewerkt. Romain David heeft in Sint-Joost iets gemaakt met twee jongeren van de straat en een vrouw van het rusthuis. Dat genereert een eigen publiek, maar het is een publiek dat nooit in de kvs komt en dat wellicht ook nooit zal doen. Didier De Neck heeft met zijn dertigkoppig ensemble The Muzicien(nes)s gezorgd voor memorabele avonden in Le Thé au Harem; een tijdelijk volkscafé dat nu elders een plek zoekt. Nog in Sint-Joost kwamen mensen vooral naar de voorstelling rond oud-burgemeester Guy Cudell omdat dat zo’n belangrijke figuur is geweest. In het beste geval ontstaat een verhaal waarbij de bewoners zich aangesproken voelen.

En nu…

Tok Toc Knock heeft in drie wijken een serieuze dynamiek veroorzaakt – wat nu? Moet je de wijken nu weer loslaten?

Voor een deel wel, natuurlijk. Je gaat ergens naartoe en je weet op voorhand dat je daar weer weg zal gaan, dat je niet met al die mensen en plekken een blijvende relatie kunt ontwik- kelen. Dat is ook nooit het opzet geweest: we hebben Tok Toc Knock van bij het begin een onderzoek genoemd. De resultaten van dat onderzoek zijn we nu aan het verwerken. De kernvraag luidt: hoe kunnen we verder verantwoordelijkheid nemen voor hetgeen er gebeurd is? Het is zinvol gebleken om buiten de muren te gaan, misschien moet die beweging zich niet beperken tot één seizoen, of tot één huis. Onlangs zag ik de directeur van de Cité Culture op een terras zitten, we zijn direct twee uur aan de klap geraakt. Het verhaal is niet af, zoveel is zeker, maar welke vorm het vervolgverhaal moet krijgen is nog onduidelijk. Ook om dat uit te zoeken nemen we de tijd.

Wat is je zelf het sterkste bijgebleven?

De totaliteit van het traject. Zien hoe het groeit, hoe wij groeien, van de eerste wijk naar de tweede, van de tweede naar de derde, hoe het hele ding zichzelf telkens weer opnieuw uitvindt en vernieuwt. Hoe bepaalde ideeën draaien en keren door de realiteit waarin je terechtkomt. En hoe dat alles ook bij de makers gebeurt, die hun hele praktijk zien kantelen. De dynamiek van dat proces, de onvoorspelbaarheid ervan vind ik ongelooflijk spannend. Wat me concreet heeft geraakt is de manier waarop mensen als Thomas en Jozef auteurs zijn van hun woede, hoe ze zich losmaken uit de makkelijke, beschouwende positie en zich in hun project gooien, en hoe ze daarbij zoeken naar de juiste vormen om die betrokkenheid te laten doorstromen naar een publiek. Hun kritiek overstijgt het illustratieve van een rationele benadering – ze nemen er ten volle, als mens, de verantwoordelijkheid voor

Brussel

Terug naar die boerenjongen in de grote, complexe stad. Zou je een ander artistiek parcours ontwikkeld hebben moest je pakweg in Gent zijn gaan wonen?

Neen, want het gaat niet over Brussel alleen. Het gaat over de manier waarop de wereld aan het veranderen is, en dat is in Brussel gewoon duidelijker dan waar dan ook. Brussel is een brandpunt. Dat betekent dat je als kunstenaar bij uitstek in deze stad je punt kunt maken. Het grootste probleem van Brussel is dat Brussel steevast als probleem wordt gezien. De problematische kanten lijken ons, de blanke, katholieke Vlaming, te ‘overkomen’ terwijl we er zelf mee verantwoordelijk voor zijn. Wat gebeurt in Brussel is niet ‘hun’ probleem, het is minstens ook het onze.

Heeft Tok Toc Knock iets betekend voor de stad dat verder gaat dan het artistieke?

Het heeft zich zeker over dat artistieke parcours heen getild. Artistiek is het belangrijkste dat er vanuit de kvs een signaal is gekomen: er is een openheid, we willen niet alleen preken voor eigen parochie. En natuurlijk zijn we niet komen aandraven met concrete oplossingen voor Brussel, de oplossing ligt juist in het besef over het feit dat er geen eenduidige oplossing is, en dat je als artiest daarover op een open manier iets tracht te zeggen. Maar Tok Toc Knock heeft er wel voor gezorgd dat de stad over de tong is gegaan, dat er discussies zijn ontstaan rond de manier waarop we met Brussel verder moeten. ‘Superdiversiteit’ is bijvoorbeeld een van de termen die mee met Tok Toc Knock de reis heeft gemaakt. In Brussel is er geen volk, geen natiestaat die een gemeenschap definieert, maar een amalgaam aan verschillende gemeenschappen, van kleintjes tot hele grote. Het waanzinnige is dat er vanuit de politiek geen enkele legitimering bestaat voor die gemeenschappelijkheid. Eric Corijn noemt dat ‘een gebrek aan zelfbeeld’. De stad kan door haar bestuurlijke opsplitsing geen echt project ontwikkelen en drijft zo weg van de essentie: solidariteit en het algemeen belang. Daar liggen volgens mij de grote politieke uitdagingen.

Die uitdagingen zijn ontmoedigend zwaar. Lag het defaitisme nooit op de loer?

Natuurlijk. Ik ben een gevoelsmens, ik geef toe dat ik en cours de route verschillende keren in ademnood ben geraakt. Dan vind ik het verhelderend om te lezen wat Chantal Mouffe schrijft over conflicten: dat ze niet eenduidig zijn, dat de echte democratie eruit bestaat die veelheid te aanvaarden en er zo goed mogelijk mee trachten om te gaan. Ik ben aan Tok Toc Knock begonnen vanuit een sterk geloof in de kracht van verbeelding. Wie zich de problemen van een ander niet kan verbeelden zal er ook nooit mee kunnen meevoelen – verbeelding en solidariteit hangen nauw samen. We hebben met Tok Toc Knock de kracht van verbeelding proberen verdedigen en dat hebben we goed gedaan, denk ik. Soms heb ik wél het gevoel dat er verbetering is, dat het politieke inzicht groeit, samen met de politieke wil om met die nieuwe samenleving om te gaan. Dat ik daar mijn steentje toe kan bijdragen met de kunst, met die wereld waarin ik en stoemelings ben beland, is mijn grote persoonlijke geluk. Uiteindelijk wordt de wereld er niet slechter op, denk ik. Of ben ik nu te optimistisch? Ik weet het niet… ik weet het niet.

www.kvs.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 19 — 22 minuten

#134

15.09.2013

14.12.2013

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!