Océanisé-e-s – de Roovers & Bl!ndman
Alles loopt door elkaar
Natalie Gielen
© Nastia Krasinskaia
In Visies voor het veld vraagt Etcetera aan sleutelfiguren naar hun perspectief op de podiumkunsten van morgen. Wat loopt goed, wat moet dringend anders? Wat zouden ze veranderen als ze morgen een almachtige minister van cultuur waren, met onbeperkte middelen en bevoegdheden? Deze week: Shari Aku Djifa Legbedje, medeoprichter van ontwikkelings-, productie- en managementplatform AnAku, en medewerker bij het Sociaal Fonds Podiumkunsten. Shari werkt aan structurele verandering in de culturele sector, met een focus op intersectionaliteit, rechtvaardigheid en de positie van kunstenaars.
Mijn droom voor de podiumkunsten van morgen is geen nieuwe vorm, maar een nieuwe houding. Een veld dat minder bang is om te vertragen. Dat het lichaam meer ernstig neemt. Dat verder bouwt op de zorg die er al is, en haar durft oprekken tot iets radicaals, iets dat de norm wordt. Dat niet alleen verandering verbeeldt, maar haar beoefent in de manier waarop het samenwerkt. Dat de drang naar controle en comfort niet langer als vanzelfsprekend ziet, maar als iets wat we kunnen afleren. Kunst kan ons toelaten om terug mens te worden, volledig, in een wereld die ons liever in stukken knipt.
De vraag ‘wat betekenen podiumkunsten?’ is voor mij nooit los te koppelen van de vraag ‘in welke wereld bewegen we?’. Een samenleving die niet functioneert (die vastloopt in haar eigen logica), produceert haast, wantrouwen, eenzaamheid, controle, onderdrukking en uitsluiting. Ze maakt mensen klein en noemt dat efficiëntie. In zo’n samenleving kan kunst een zeldzame plek zijn waar we terug leren voelen wat we onderweg zijn kwijtgeraakt. Niet als luxe, maar als overlevingskracht. Kunst kan ons herinneren aan onze volledige menselijkheid: emotioneel, rationeel, fysiek en spiritueel. Alleen wordt het rationele vaak behandeld als superieur, alsof denken pas telt wanneer het lineair en strak is. Ik geloof niet in die hiërarchie. Ik geloof in balans, in denken dat mag trillen, in kennis die ook in spieren woont.
“Kunst kan een zeldzame plek zijn in onze samenleving waar we terug leren voelen wat we onderweg zijn kwijtgeraakt. Niet als luxe, maar als overlevingskracht. Kunst kan ons herinneren aan onze volledige menselijkheid: emotioneel, rationeel, fysiek en spiritueel.”
Ik schrijf dit met een dubbel bewustzijn: dat mijn woorden in deze tekst iets openmaken, en dat ze ook deuren kunnen dichtgooien. Voor mij, als vrouw en moeder die geracialiseerd wordt, heeft zo’n tekst gevolgen. Niet in abstracte zin, maar in echte relaties, echte kamers, echte blikken. Zichtbaarder worden is nooit ‘gewoon zichtbaar worden’. Het verandert hoe je bekeken wordt, hoe je wordt aangesproken, hoe je fouten worden onthouden. En toch schrijf ik, omdat zwijgen ook gevolgen heeft.
Ik zit in een fase waarin ik mezelf probeer te deconstrueren en opnieuw te herconstrueren. Meer terug naar emotie, naar het lichaam, naar het spirituele, en dat niet als extra, maar als fundament. Ik probeer dat toe te passen in de ruimtes waarin ik navigeer én in de ruimtes die ik mee bouw. De vraag die blijft terugkomen is simpel en moeilijk tegelijk: wat betekent deconstructie, als het niet alleen een idee is, maar een dagelijkse oefening?
En nog iets: wat ik hier schrijf is geen kennis van mij, maar kennis door mij. Onze stem is doorheen de jaren geïnspireerd en doorleeft door andere stemmen en zal ook in de toekomst een gelijkaardig proces kennen. De woorden vormen zich door een ‘gedeelde kennis’ waarmee we willen duidelijk maken dat enige vorm van kennis die uit deze bijdrage gehaald kan worden, geen bijdrage is op basis van kennis ‘van’ ons, maar ‘door’ ons, niet als eigenaars, maar als doorgeefluiken.
In die zoektocht draag ik een naam mee die voor mij een kompas blijft: Nadia Benabdessamad. Ze was een mentor, een pionier op vele vlakken, een elder, en sinds twee jaar een ancestor. Ze heeft veel verwezenlijkt en mee SPReeKuuR en AnAku opgericht. Wanneer ik vastloop, denk ik aan haar vermogen om tegelijk zacht en scherp te zijn, om te bouwen zonder de werkelijkheid te romantiseren. Haar afwezigheid is niet leegte, het is een opdracht: zorg dragen voor wat zij mee mogelijk maakte, en het verder duwen, met evenveel moed.
Nina Simone zei: ‘An artist’s duty is to reflect the times in which we live.’ Die zin blijft bij mij hangen als een baslijn. Reflecteren klinkt als een spiegel, maar voor mij is het ook terugkaatsen, verstoren, zichtbaar maken wat anders onder de vloer blijft zitten. In tijden waarin zoveel niet werkt, is kunst geen luxe. Kunst is een plek waar een samenleving zichzelf kan voelen, niet alleen begrijpen. Kunst kan de tijd niet redden, maar ze kan wel tonen waar de tijd pijn doet en waar de tijd liegt. Waar haast zich voordoet als noodzaak en tegelijk als drukmiddel wordt ingezet. Waar ‘nu of nooit’ ons wijsmaakt dat er maar één tempo bestaat. Waar ‘geen tijd’ een manier wordt om gesprekken te sluiten en zorg uit te stellen. Waar verhalen van vooruitgang gladstrijken wat pijn doet en vergeten wie er wordt achtergelaten.
Als de maatschappij ‘niet werkt’, betekent dat voor mij niet dat mensen niet werken. Integendeel. Mensen werken kapot. Ze dragen te veel. Ze slikken te veel. Ze passen zich te vaak aan. Kunst kan dan een plaats zijn waar onze overlevingsspieren even mogen loslaten, waar we mogen voelen wat we eigenlijk al wisten, maar niet konden uitspreken.
“Ik wil kwaliteit niet langer enkel meten aan wat er op scène gebeurt. Kwaliteit zit ook in tempo, in adem, in de mogelijkheid om te herstellen, in de ruimte om te twijfelen en opnieuw te beginnen zonder meteen te moeten bewijzen dat iets werkt.”
Ik wil ook iets zeggen over tijd, omdat veel van onze problemen niet alleen gaan over geld of gebouwen, maar over hoe we tijd begrijpen. We leven in een lineaire tijdlogica: vooruit, sneller, meer, deadline, resultaat, volgende. Die logica kruipt overal in: in repetities die altijd naar een première toe moeten, in vergaderingen die ‘af’ moeten zijn, in carrières die omhoog moeten, in het idee dat je pas telt als je zichtbaar blijft.
Daarom wil ik kwaliteit niet langer enkel meten aan wat er op scène gebeurt. Kwaliteit zit ook in tempo, in adem, in de mogelijkheid om te herstellen, in de ruimte om te twijfelen en opnieuw te beginnen zonder meteen te moeten bewijzen dat iets werkt. Zeker voor makers die al extra lasten dragen, wordt voortdurende beschikbaarheid een vorm van uitputting die stil wordt gehouden, omdat je anders ‘niet professioneel’ lijkt.
Voor mij is rust geen luxe en geen beloning na de prestatie. Rust is infrastructuur. De manier waarop we tijd organiseren bepaalt welke kunst er kan bestaan. Als alles een sprint is, krijg je kunst die sprint, en mensen die breken. Ik droom van trajecten met ritme, waarin een proces kan ademen. Waar ouderschap en zorg geen ruis zijn, maar realiteit. Waar herstellen niet privé wordt gemaakt, maar collectief gedragen. Waar traagheid niet gelijkstaat aan verlies, maar aan volwassenheid.
“Voor mij is rust geen luxe en geen beloning na de prestatie. Rust is infrastructuur. De manier waarop we tijd organiseren bepaalt welke kunst er kan bestaan.”
Tijd is niet altijd een rechte lijn. Tijd is ook een cirkel: seizoenen, terugkeer, rouw die opnieuw komt, lessen die pas na jaren landen, patronen die zich herhalen tot je ze doorbreekt. Tijd is een lichaam dat zegt: vandaag kan ik niet hetzelfde als gisteren. Tijd is een gemeenschap die langzaam groeit, vertrouwen dat niet te versnellen is. Als we lineair denken, behandelen we het leven alsof het checkpoints heeft. Dan wordt falen een ramp en rust een vertraging. Terwijl leren vaak circulair is: je komt terug op hetzelfde punt, maar je ziet het anders omdat jij veranderd bent.
Wanneer ik denk aan podiumkunsten van morgen, denk ik niet eerst aan een tekst. Ik denk aan een lichaam dat binnenkomt en meteen de temperatuur van de zaal verandert. Ik denk aan geluid dat niet begeleidt, maar leidt. Ik denk aan een stem die niet alleen vertelt, maar trilt, kraakt, zingt, breekt. Daarom voel ik urgentie bij praktijken die het lichaam centraal zetten: performance, beweging, dans en geluid.
“Wat ik verlang van het veld, is een plek waar emotie niet als ‘te veel’ wordt weggezet, waar lichamelijke kennis niet als minder serieus geldt, waar het spirituele niet automatisch wordt geridiculiseerd, en waar denken niet wordt misbruikt om gevoel te overheersen.”
Performance kan regels opblazen: wat is een voorstelling, wat is publiek, wat is tijd? Dans herinnert ons dat we niet alleen hoofd zijn. Geluid kan herinnering activeren die niet in een archiefmap past. Spoken word kan je raken vóór je het volledig begrijpt. Een zin kan een rib openen. En ja, spoken word. Niet omdat het ‘mooi’ formuleert, maar omdat het kan raken waar het pijn doet. Spoken word is geen versiering, het is een zenuw. Een stem die in de borstkas begint en eindigt in de buik van de zaal. Het is vaak het emotionele dat de deur openzet, niet het argument. Het is vaak het emotionele dat de deur naar aandacht en betrokkenheid openzet, en pas daarna het argument. We handelen op emotie, maar noemen het liever ratio, alsof wat ons beweegt pas geldig is wanneer het klinkt als een argument. Dat wil ik niet verontschuldigen, ik wil het serieus nemen.
We zijn emotioneel, rationeel, fysiek en spiritueel. Als één deel boven de rest wordt gezet, wordt de mens kleiner gemaakt. Wat ik verlang van het veld, is een herstel van evenwicht: een plek waar emotie niet als ‘te veel’ wordt weggezet, waar lichamelijke kennis niet als minder serieus geldt, waar het spirituele niet automatisch wordt geridiculiseerd, en waar denken niet wordt misbruikt om gevoel te overheersen.
Ik wil ruimer denken dan ‘kunst in publieke ruimtes’. Ik droom van kunst die niet naast de maatschappij staat, maar er middenin werkt, als methode. Niet alleen als voorstelling, maar als aanwezigheid. Niet alleen als representatie, maar als interventie. Niet als iets dat je consumeert op een afgesproken uur, maar als iets dat meebeweegt met het leven, met de plekken waar het knelt, met de momenten waarop mensen geen taal meer hebben voor wat ze dragen.
“Ik wil ruimer denken dan ‘kunst in publieke ruimtes’. Ik droom van kunst die niet naast de maatschappij staat, maar er middenin werkt, als methode. Soms is de black box een cocon, soms een kooi.”
Dat betekent ook dat kunst niet uitsluitend in theaterzalen moet bestaan. Ze mag losbreken. Ze mag zichzelf volledig in vraag stellen. Ze mag ontstaan waar we niet ‘netjes’ kijken: in foyers, op pleinen, in keukens, in clubs, in klaslokalen, online en offline, in ruimtes waar de grens tussen publiek en maker poreus wordt. Niet om theaterzalen af te schrijven, maar om ze niet als norm te behandelen. Soms is de black box een cocon, soms een kooi.
We hebben kunst te lang behandeld als een aparte wereld met eigen codes, eigen circuits en eigen succescriteria. Maar wat als kunst net een publieke vaardigheid is: leren voelen, leren luisteren, leren rouwen, leren conflict dragen, leren verbeelden. In die visie wordt de kunstenaar niet alleen maker van een werk, maar iemand die condities mee maakt, aandacht traint, verbeelding organiseert en herstel mogelijk helpt maken, zonder zich te verstoppen achter neutraliteit.
Tegelijk dragen diezelfde kunststructuren vaak een werkcultuur mee die zichzelf ‘professioneel’ noemt, maar die ook een cultuur van macht beschermt. Denk aan de voortdurende staat van haast, waardoor reflectie telkens naar later wordt geschoven. Denk aan perfectionisme, waardoor fouten niet gezien worden als leerstof, maar als persoonlijk falen. Denk aan de aanbidding van het geschreven woord, alsof iets pas bestaat wanneer het in een document staat. Denk aan het idee van neutraliteit en objectiviteit, dat te vaak werkt als uitsluitingsmechanisme: een manier om een standpunt dat al macht heeft onzichtbaar te maken. Wanneer emoties als verdacht worden behandeld en het lichaam als ‘te veel’, herhaalt het veld wat de maatschappij al doet.
Daarom geloof ik dat kunst pas echt maatschappelijk weefsel kan worden als ze niet alleen buiten de zalen beweegt, maar ook haar eigen condities durft herschrijven. Dat kan in scholen, zorgplekken, buurten, werkvloeren, wachtruimtes en digitale ruimtes, niet als project dat even passeert, maar als relatie die groeit. Impact is dan niet alleen aantallen of zichtbaarheid. Impact kan zijn dat iemand zich voor het eerst niet alleen voelt, dat er een nieuw gesprek mogelijk wordt, dat alternatieven denkbaar en voelbaar worden. Dat is geen romantiek. Dat is publieke arbeid.
Voor mij betekent ‘practice what you preach’ niet een mooie missie op de website en een sterke boodschap op scène. Het betekent dat wat je toont ook voelbaar moet zijn in je manier van werken, niet als branding, maar als dagelijkse discipline.
Als een voorstelling gaat over vrijheid, maar het maakproces voelt als een militair schema, klopt er iets niet. Als we spreken over heling, maar intern geen tijd nemen om conflict te dragen, klopt er iets niet. Als we fouten alleen tolereren zolang niemand het ziet, zijn we bezig met imago. Ik verlang een veld dat tijd terug durft te nemen: tijd voor reflectie, tijd om te leren, tijd om te oefenen zonder meteen te moeten bewijzen dat het werkt. Minder perfect plaatje, meer rommelige werktafel. Minder ‘zichtbaar zijn’, meer ‘waarachtig zijn’.
Ik zie de ‘marge’ niet alleen als plaats van uitsluiting, tekort, maar als plaats van mogelijkheid. Niet omdat de marge romantisch is, ze kan hard zijn, maar omdat er daar soms een ander zicht ontstaat. Het bevestigt mijn gevoel dat je niet altijd naar het centrum moet bewegen om kracht te vinden. Je kan ook spreken vanuit een plek waar je anders ziet.
Concreet betekent dat voor mij: niet blijven zitten op stoelen die niet voor jou gemaakt zijn tot je één wordt met het meubilair. Ik bedoel die momenten en ruimtes waarin je jezelf kleiner maakt om ‘professioneel’ of ‘aangenaam’ te blijven. Waar je zinnen eerst door een filter moeten en je lichaam al verontschuldigt nog voor jij iets gezegd hebt. Waar je werk pas ‘universeel’ heet als het zich netjes aanpast, waar je toon sneller als te veel wordt gelezen, of waar dankbaarheid verwacht wordt nog vóór je vraag gesteld is.
En ja, soms krijg je dan zogezegd een seat at the table. Alleen heeft die tafel slechte tafelmanieren. Er wordt over je heen gepraat, er worden grappen gemaakt waar jij de punchline van bent, je bijdrage wordt pas ernstig genomen als iemand anders ze herhaalt. Als je te lang blijft zitten, neem je die tafelmanieren over. Je leert jezelf bij te schaven om erbij te passen. Je assimileert, soms zo subtiel dat je het pas merkt wanneer je jezelf kwijt bent. Soms is opstaan de enige manier om jezelf niet te verliezen. Soms is vertrekken geen nederlaag, maar een keuze voor leven. En soms is ‘nieuwe ruimtes maken’ geen droom, maar noodzaak. Een plek waar je niet moet uitleggen waarom je er bent, maar waar je gewoon kan beginnen.
Wanneer ik ‘witte suprematie’ zeg in de context van de kunsten, bedoel ik niet alleen openlijk racisme, extreme beelden of individuele intenties. Ik bedoel ook een bredere ordening die racisme niet los kan koppelen van kapitalisme en van andere machtslijnen die bepalen wie mag ademen en wie voortdurend moet bewijzen dat die bestaat. Classisme, seksime, ableisme, ageisme, transfobie, misogynie, fatfobie, colorisme, groenkolonialisme, digitale ongelijkheid en meer drukken vaak tegelijk op één lichaam.
“Wanneer ik ‘witte suprematie’ zeg in de context van de kunsten, bedoel ik de stille normen die onze organisaties, repetitieruimtes en vergadertafels vormgeven. Normen die zichzelf als neutraal voordoen, en die bepalen wat ‘professioneel’ is, wat ‘kwaliteit’ is, wat ‘redelijk’ is, wat ‘serieus’ is.”
Ik bedoel de stille normen die onze organisaties, repetitieruimtes en vergadertafels vormgeven. Normen die zichzelf als neutraal voordoen, en die bepalen wat ‘professioneel’ is, wat ‘kwaliteit’ is, wat ‘redelijk’ is, wat ‘serieus’ is. Neutraliteit en objectiviteit worden vaak gepresenteerd als de hoogste vorm van eerlijkheid. Voor mij zijn ze te vaak een techniek om bestaande normen niet te moeten benoemen, alsof een oordeel van nergens komt, terwijl het bijna altijd uit een specifieke positie komt, meestal de positie die al lang als standaard is geïnstalleerd.
In organisaties zie ik patronen die bekend klinken: perfectionisme, permanente urgentie, defensiviteit, ‘meer’ als synoniem voor ‘beter’, objectiviteit als masker dat emoties wegzet als storend, en de verering van het geschreven woord. Dat schrift is vaak de toegangspoort tot macht: wie goed schrijft krijgt sneller krediet, wie het dominante register beheerst komt verder. Dat vernauwt niet alleen wie binnenraakt, maar ook wat we ons kunnen verbeelden. Een werkcultuur zonder reflectie maakt weinig ruimte voor experiment. Een werkcultuur die bang is voor conflict maakt weinig ruimte voor echte verandering. Als we niet veranderen in onze manier van werken, blijven we dezelfde voorstellingen produceren met andere slogans erboven.
Voor mij betekent dit: macht loopt niet in één lijn. Meerdere lagen drukken tegelijk op een lichaam, en die lagen bepalen wie ruimte krijgt en wie zich moet plooien. Het vraagt precisie: wie draagt welke last, wie krijgt welke bescherming, wie wordt geloofd wanneer iets ‘niet klopt’, en wie wordt snel ‘moeilijk’ genoemd?
Als we dit serieus nemen, verandert er iets concreets in hoe we plannen, selecteren, evalueren en zorg organiseren. Het verandert ook hoe we spanning lezen: niet als hinder, maar als informatie over waar het systeem wringt.
Er zit een ongemakkelijke waarheid in veel kunstcontexten: we halen vaak meer op dan we teruggeven. Verhalen, pijn, rituelen, taal, lichaam en uitstraling worden materiaal, en de waardestroom gaat richting prestige, pers, een volgende opdracht, een netwerk dat groeit, carrières en een instelling die zich verrijkt met “relevantie”. De artiest blijft achter met de kost: risico, natrilling, verlies van controle over beeld en stem. Het oogstmoment is collectief, maar de prijs wordt vaak individueel betaald. En dat is precies het patroon dat extractie is: niet dat er niets terugkomt, maar dat het terugkomen niet in verhouding staat tot wat er genomen wordt, en dat de gevolgen niet eerlijk verdeeld zijn.
Ik droom van een veld dat deze extractie durft te erkennen en actief afleert. Toestemming is dan geen formaliteit, maar een relatie die blijft bewegen. Ze start bij het eerste idee, loopt mee doorheen de creatie, en stopt niet aan de première. Toestemming betekent blijven afstemmen wanneer materiaal van vorm verandert, wanneer beelden beginnen circuleren, wanneer het werk hernomen wordt, wanneer pers, publiek of partners er een verhaal van maken dat versmalt, verdraait of simplificeert. En ook ruimte laten voor verschuiving. Dat iemand na reacties en gevolgen andere grenzen voelt, en dat die verandering niet als lastig wordt gezien, maar als deel van gedeelde verantwoordelijkheid.
Credit is meer dan een naam, het is ook bescherming wanneer het schuurt. Geen valse beloftes, maar afspraken die contractueel vastliggen, met duidelijke rechten en vergoeding. Zodat helder is wat hernomen of gedeeld kan worden, wat niet, en wat er gebeurt wanneer iets buiten zijn context begint te leven. En veiligheid is geen bijgedachte. Als er backlash, misbruik of othering ontstaat, is er een plan, een aanspreekpunt, en steun. Samen de verantwoordelijkheid dragen. Archivering is dan geen verzamelen, maar verantwoordelijkheid dragen. Nazorg is geen extraatje, maar deel van de praktijk. Anders herhalen we de logica die de maatschappij al kapot maakt.
Ik verlang een andere relatie met publiek. Te vaak wordt publiek behandeld als consument: iemand koopt een ticket en krijgt een product, liefst herkenbaar, liefst comfortabel, liefst ‘waar voor zijn geld’. Dat duwt kunst richting voorspelbaarheid. Het maakt van een avond uit een contract: jij betaalt, wij leveren, jij vertrekt tevreden. En ergens begrijp ik dat, want we leven in een samenleving waar bijna alles al een transactie is geworden. Maar precies daarom moet kunst niet nog een plek worden waar we alleen maar ‘klant’ zijn.
“Te vaak wordt publiek behandeld als consument: iemand koopt een ticket en krijgt een product, liefst herkenbaar, liefst comfortabel, liefst ‘waar voor zijn geld’. Dat duwt kunst richting voorspelbaarheid.”
Kunst die de tijd wil reflecteren, kan niet altijd comfortabel zijn. Soms moet kunst storen, vertragen, verwarren, weigeren om alles uit te leggen. Soms moet kunst voelen als een vraag die nog geen antwoord heeft. Soms moet je de zaal uitwandelen met iets dat nog in je ribbenkast zit. Niet omdat de maker je wil provoceren om te provoceren, maar omdat de werkelijkheid zelf niet netjes en opgelost is.
Ik droom van publiek als bijeenkomst, een ruimte waar mensen aanwezig zijn met lichamen, geschiedenis, emoties en grenzen. Dat vraagt geen betutteling, maar aandacht. Context kan bestaan zonder de kunst dicht te leggen. Stilte kan ook een antwoord zijn. Gesprekken kunnen bestaan zonder dat ze het werk gladstrijken. In zo’n relatie is succes niet hetzelfde als tevredenheid.
Ik wil technologie weg uit de hype-sfeer en benaderen vanuit ethiek. Zeker met AI en digitale tools is de kernvraag: wie heeft controle over beeld, stem, data, archief? Wie beslist wat bewaard wordt, hoe lang, en met welk recht? Te vaak wordt digitaal gemak gelijkgesteld aan vooruitgang, terwijl het ook surveillance kan zijn, of verlies van autonomie.
Ik droom van technologie als instrument, niet als autoriteit. Van digitale autonomie waarin makers niet alleen tools gebruiken, maar ook de voorwaarden mee bepalen. Waar toestemming expliciet is. Waar een stem geen grondstof wordt. Waar archivering niet automatisch betekent dat alles beschikbaar moet zijn voor hergebruik. Privacy is dan geen administratieve last, maar een vorm van bescherming en een artistieke keuze. Technologie mag helpen, maar mag nooit het kompas worden.
Wat al goed loopt, is dat er soms onder de radar, soms in de openbaarheid plekken bestaan waar kennis niet alleen wordt doorgegeven in teksten, maar in nabijheid: door gesprekken, door herhaling, door samen in een ruimte zijn. Je voelt het meteen wanneer zo’n vaste, vertrouwde plek wegvalt: drempels stapelen zich op en plots wordt het zwaarder om binnen te stappen. En je ziet ook wat er gebeurt wanneer ervaren artiesten mee begeleiden: hun aanwezigheid verlaagt drempels en maakt dat ervaring kan worden doorgegeven zonder dat iedereen telkens opnieuw bij nul moet beginnen.
Wat hoopgevend is: sommige organisaties durven ruimte laten voor een open proces, voor organisch ontstaan, voor ‘al doende’ vormgeven, omdat ontwikkeling niet lineair is. En er zijn steeds meer makers die weigeren hun werk te knippen zodat het in een vertrouwd kader past.
De toekomst van de podiumkunsten is voor mij geen reset. We beginnen niet van nul. We dragen geschiedenissen in onze spieren, trauma’s én kennis, teachers, elders, ancestors, en ook de gewoontes van instellingen, zelfs wanneer we denken dat we ze achterlaten. Mijn droom is eenvoudig en moeilijk tegelijk: een veld dat zichzelf ernstig genoeg neemt om traag te durven zijn, dat de tijd van vandaag durft te weerspiegelen, en ook durft te oefenen op een andere tijd.
Wij zijn hier.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.