Une flûte enchantée, Holland Festival 2011 © Pascal Victor – ArtcomArt

Leestijd 5 — 8 minuten

Une flûte enchantée – Peter Brook

Toen vorig seizoen de prestigieuze Molières uitgereikt werden – de Franse theaterprijzen bij uitstek – en Peter Brooks opera Une flûte enchantée won in de categorie ‘spectacle musical’, uitte de regisseur zich met name verheugd over de voorafgaande nominatieronde. Naast zijn bewerking van Mozarts ‘Singspiel’ Die Zauberflöte was ook de hitmusical Mamma Mia! gekandideerd. Deze samenloop van chique en pulp zou zelfs aan Mozart een glimlach ontlokt hebben, aldus Brook.

Op de persfoto bij de prijsuitreiking twinkelden de ogen van Brook – inmiddels 86 jaar – nog steeds als die van een kwajongen. Tijdens zijn bijna zeventig jaar omspannende regiecarrière bleek hij altijd al ongevoelig voor cultureel snobisme. Begin de jaren zeventig verliet hij de hoogconjunctuur van het Britse theaterleven om in Afrika en het Midden-Oosten met minimale middelen te zoeken naar een andersoortig theaterpotentieel. In 1974 vond hij onderdak in een veronachtzaamde bonbonnière onder de rook van het Parijse Noordstation, veilig afgeschermd van de beau monde. Begin dit jaar droeg hij het directeurschap van zijn nu zo vermaarde Théâtre des Bouffes du Nord over aan zijn medewerkers. Het lijkt er dus op dat aan het fameuze tijdperk-Brook officieel een einde is gekomen.

Of zijn opera Une flûte enchantée (2010) daarmee ook zijn allerlaatste regie is, blijft een kwestie van gissen. In het verleden heeft Brook herhaaldelijk aangegeven dat hij tot zijn graf theater zal blijven maken. Met pensioen gaan was nooit iets voor hem, hij ging er prat op geen regeringsambtenaar te zijn maar te werken in zijn eigen privétheater. Peter Brook is en blijft een onafhankelijke geest die weinig op heeft met voorspelbare loopbaantrajecten.

Geen idee of hij Mamma Mia! gezien heeft, maar uit zijn opmerking klinkt in elk geval geen verbolgenheid. Slecht theater – ‘deadly theatre’ zoals hij het in zijn boek The Empty Space noemt – is niet zozeer slecht als het ‘low brow’ is (in plaats van ‘high brow’), maar als het zich teveel terugplooit op geijkte trucs en zodoende vitaliteit, onmiddellijke zeggingskracht ontbeert. Hoge en lage kunst zijn voor Brook nietszeggende categorieën; ‘dood’ en ‘levend’ passen beter in zijn vocabulaire.

Ook wat zijn bewerking van Mozarts Zauberflöte betreft, valt Brook niet te betrappen op een al te academische benadering, schatplichtig aan de uitvoeringstraditie van het werk. Hij, zijn trouwe medewerkster Marie-Hélène Estienne en componist/arrangeur Frank Krawczyk zijn eerder vrij omgesprongen met de partituur. Brook, in het programmaboekje bij de voorstelling: ‘Dat wil zeggen dat we omgingen met de muziek zoals Mozart zelf met zijn muziek omging. Hij zei altijd: “Daar waar diepte is, is ook lichtheid en improvisatie.” Hij aarzelde niet om partijen te herschrijven, te veranderen, om te zetten, aan een ander te geven… Met die flexibiliteit ontstond tegelijkertijd de helderheid waardoor ook de diepte zichtbaar wordt.’

Hoe vrij Brooks bewerking is, blijkt al meteen uit de lengte van de voorstelling. Une flûte enchantée duurt anderhalf uur, de helft korter dan het oorspronkelijke werk. De cast is teruggebracht van 22 naar zeven zangers, met vanzelfsprekend een focus op de hoofdfiguren in dit vrijmetselaarssprookje: prins Tamino die met behulp van de vogelvanger Papageno prinses Pamina wil bevrijden van verlicht despoot Sarastro, onderwijl om de tuin geleid door de Koningin van de Nacht. Veel andere personages ontbreken, waarbij soms hun zangpartijen door andere rollen overgenomen zijn. Het koor ontbreekt volledig. Het klankbeeld is flink teruggebracht en niet uitgevoerd door een orkestbezetting, maar eenvoudigweg door één pianist. Het toneelbeeld is geheel des Brooks: leeg. Slechts een aantal bamboestokken duidt de handeling aan. Alles staat in het teken van versobering.

Wat overblijft, is een ontzagwekkende regie die zich kenmerkt door een uiterst effectief en economisch gebruik van theatrale middelen en spitsvondige ‘decorwisselingen’. Met behulp van slechts die paar bamboestengels tovert Brook ons ondergrondse gangenstelsels voor, hemelse stralenkransen, duistere spiegelwerelden en illustere tempelcomplexen. Neem daarbij een razendsnelle ontwikkeling van het verhaal, het lichtvoetige spel van een zeer jonge zangerscast (aangevuld door twee niet-zingende acteurs uit Brooks eigen stal) en het resultaat is een sprankelende, energieke voorstelling. Vluchtig en ijl is de voorstelling ook: het inwijdingsritueel van Pamino en Tamina aan het slot is ontdaan van al zijn majestueuze bijklank en teruggebracht tot een sobere huwelijksvoltrekking.

In vergelijking met andere ensceneringen van Die Zauberflöte voert deze flûte enchantée zo een geheel eigen toon. Vaak wordt het sprookje juist aangewend om een stortvloed aan even sprookjesachtige beelden op het toneel te realiseren, zie de bombastische, kleurrijke decors van Karel Appel (in regie van Pierre Audi bij De Nederlandse Opera) of de wonderlijke animaties en projecties van William Kentridge (de Munt). Een karige Toverfluit is in de regel een contradictio in terminis. Eén uitzondering wellicht: de tenor Christoph Homberger (vaak geziene gast bij Marthaler en NTGent) maakte er ooit een solovoorstelling van, ook slechts met één piano. Hombergers virtuoze uitvoering was vooral een ludieke antithese, een humoristisch commentaar op het arsenaal aan goocheltrucs en visuele symboliek waarmee een Zauberflöte doorgaans gelardeerd wordt. Gekscherend koos hij voor zijn eenzame uitvoering als titel dan ook een quote uit het libretto: Zu Hilfe! Zu Hilfe! Sonst bin ich verloren!

Peter Brooks enscenering is niet zo dubbelzinnig en karikaturaal. Hij en Homberger presenteren de opera met de intimiteit van een liedrecital, maar Brook neemt de onderliggende thema’s serieuzer. Bij de verlichtingsidealen die Mozart en zijn librettist Emanuel Schikaneder predikten – de menselijke aard neigt uiteindelijk altijd naar waarheid, licht en liefde – plaatst hij geen kanttekeningen. Al te dubieuze passages uit het libretto – Schikaneders wereldbeeld is soms al te masculien en vrouwonvriendelijk – zijn simpelweg geschrapt. Brook past ervoor om het werk te becommentariëren, te actualiseren of om andere ingrepen van buitenaf te plegen. Zijn aanpak komt van binnenuit en zijn kaalslag is een manier om de kern van een werk bloot te leggen. Die kern is in deze voorstelling optimistisch en zonder zwaarte. Of Brook met die uitgangspunten recht doet aan alle schakeringen van Mozarts opera? Nee. Maar die pretenties heeft Brook ook helemaal niet. Per slot van rekening noemt hij zijn bewerking maar een interpretatie; niet La maar Une flûte enchantée.

Une flûte enchantée, een productie van het c.i.c.t./Théâtre des Bouffes du Nord, was in juni te zien op het Holland Festival.

www.hollandfestival.nl, www.peter-brook.net, www.bouffesdunord.com

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#126

01.09.2011

30.11.2011

Tobias Kokkelmans

Tobias Kokkelmans (1980) is dramaturg bij het RO Theater. Hij studeerde theaterwetenschap en muziekwetenschap in Amsterdam. Hij werkte met het dansgezelschap Emio Greco|PC en bij het Festival van Vlaanderen Brussel/Gent. Hij schrijft regelmatig voor Theatermaker en geeft les op de Amsterdamse Theaterschool.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!