Democratisch fascisme
Redactioneel Etcetera 183
Floris Baeke
© Hugo Nunes
Hoe interageer je als performer met ogenschijnlijke dode, onbeweeglijke objecten? In zijn performance exploreert Tim Bogaerts hoe geschonden mensen en niet-mensen samen kunnen dansen, samen kunnen helen. Almost Transparent Blue ontvouwt zich als een zoekende aftasting van de grens tussen mens en object.
In een aanvankelijk schemerig universum ontdekken drie performers één voor één de objecten die over de witte dansvloer zijn verspreid, aarzelend tussen abstractie en figuratie. Ik zie een soort uit elkaar gevallen taart in een morsige berg beige en roze kunststof, en een vormloos hoopje plastic. Verder ligt er een donkergrijze sculptuur die doet denken aan een buste. Die transformeert tot een pop wanneer Bogaerts hem haast liefhebbend optilt. Coppi Antoine en Martha Gardner komen op met grijze, worstvormige objecten waarin ik armen en benen herken. In het universum van Almost Transparent Blue is alles en iedereen beschadigd, incompleet. Dat blijkt zowel uit de vermangelde objecten als uit de scheuren in de kostuums van de dansers en de soundtrack die een crash evoceert.
Wanneer Antoine en Gardner zowel hun eigen ledematen als de losse armen en benen om Bogaerts en de pop heenslaan, ontstaat er een nieuw lichaam. Het heeft iets komisch en innig tegelijkertijd: uit een vierkoppige creatuur steken armen en benen op ongewone plaatsen. Het is een samengestelde, collectieve figuur die uit menselijke en niet-menselijke delen bestaat, een teder monster van Frankenstein. Bogaerts verwijst in zijn performance subtiel naar de eerste Frankenstein-verfilming door James Whale (1931). Hij geeft een hedendaagse interpretatie aan een thematiek uit die film: de nieuwsgierigheid naar het niet-menselijke. Anno 2025 zijn echo’s van post-humanistische denkers zoals Donna Haraway daarbij nooit ver weg.
De omhelzing blijft voortduren, en ze biedt zowel de dansers als mezelf troost – voor het verdriet van alles en iedereen die kapot gemaakt werd?
Na verloop van tijd gooien de dansers de ledematen van de pop op de grond. Uit die puinhoop wordt met behulp van een touwharnas een integrale pop met rudimentaire menselijke vormen geassembleerd. Een minimaal reliëf op het gladde, ovalen hoofd suggereert een gezicht.
Assembleren, deconstrueren, reconstrueren: het is een strategie die doorheen de hele voorstelling wordt ingezet. Uit het samenspel tussen de verschillende menselijke en niet-menselijke dansers ontstaan steeds nieuwe (lichaams)vormen en onverwachte interacties. Die zijn op zich niet spectaculair, maar het geduld, het melancholische verlangen en de gretigheid waarmee de dansers hun niet-menselijke medespelers verkennen is fascinerend en louterend. In een diep gepolariseerde wereld voelt deze performance helend, zonder te verhullen wat stuk is.
Wanneer er in een hoek van de bühne een spiegel verschijnt, kijken de performers gefascineerd naar hun spiegelbeeld. Het lijkt wel een dansles. Hoe dans je met al die ledematen samen?
Het publiek volgt de dansles van nabij. Bogaerts koos voor een intieme publieksopstelling waarbij telkens twee rijen in een hoek rond de bühne zijn opgesteld. Die setting versterkt de spanning tussen nabijheid en afstand, heelheid en fragmentatie. Soms kan je de spelers bijna aanraken, maar tegelijkertijd verdubbelt de spiegel de vreemde, nieuw samengestelde danserslichamen. Ook de lichamen in het publiek worden gefragmenteerd. In de spiegel zie ik de spelers, de pop, en de voeten en onderbenen van de mensen op de tribune schuin tegenover me.
“De bewegingstaal van de niet-menselijke performers wordt letterlijk aangestuurd en gemanipuleerd door de menselijke performers. Zij worden op hun beurt geïnspireerd én beperkt door de mogelijkheden die de objecten in zich dragen.”
De bewegingstaal van de niet-menselijke performers wordt letterlijk aangestuurd en gemanipuleerd door de menselijke performers. Zij worden op hun beurt geïnspireerd én beperkt door de mogelijkheden die de objecten in zich dragen. Door hun knieën gaan, hurken, zitten, bouncen alsof ze door elkaar geschud worden, met hun hoofd of bovenlichaam voor- en achterover hangen, op elkaar leunen, … De performers exploreren hoe ze samen mét en in het bewegingsregister van de pop kunnen dansen. Synchroon knielen ze en staan ze weer op, alsof ze trainen om in deze nieuwe constellatie vooruit te komen. In een hechte cirkel leunen de drie dansers en de pop tegelijkertijd achterover: het ziet eruit als een vertrouwensoefening tijdens een teambuilding. In een komische scène tonen de menselijke dansers zich bewust van het ongewone uitzicht van zo’n post-humanistische dans: met de ogen weggedraaid als monsters (van Frankenstein) staren ze naar het publiek.
Het post-humanistische pleidooi voor non-binair denken resoneert consequent in de manier waarop de verschillende dansers manieren zoeken om met elkaar te interageren. Het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke dansers is hier niet relevant. Ze dragen gelijkaardige androgyne, grijze jeans en t-shirts die ze halfweg de voorstelling uitwisselen. Ook het onderscheid tussen de verschillende menselijke en niet-menselijke performers vervaagt: stukjes van de messy taartsculptuur worden door de menselijke dansers in de mond gestopt, de pop en de andere performers zijn onderling verbonden met touwharnassen, de performers likken aan de spiegel alsof ze het nieuwe beeld van zichzelf willen verslinden. De bewegingstaal van de menselijke dansers wordt bovendien beïnvloed door de objecten in de ruimte. De horizontaliteit van de steeds verder uit elkaar vallende taart nodigt uit om liggende en rollende bewegingen te maken, de spiegel nodigt uit om elkaars bewegingen te spiegelen,…
“Is het makkelijker om ongeremd te zijn met een pop als tegenspeler?”
Beklijvend is een scène waarin Antoine en de pop met elkaar lijken te vrijen. Ze rollen over elkaar heen, afwisselend ligt de een bovenop de ander. Antoine berijdt de pop traag, schurend, en met een intensiteit die vreemd genoeg sterker voelt dan in realistisch ogende films. Is het makkelijker om ongeremd te zijn met een pop als tegenspeler? Tegelijkertijd doet de scène me nadenken over prangende en actuele vragen over machtsrelaties. Denk daarbij aan de potentiële macht die artificiële intelligentie kan uitoefenen, of aan de eindeloze, wrede exploitatie van niet-mensen door mensen.
De versmelting tussen de verschillende performers en de sensatie van heelheid blijkt tijdelijk. De touwharnassen worden weggehangen, een arm valt van de pop, Gardner trekt een langwerpig stuk beige mousse uit de taart voor ze ervan wegrolt, de kleding van de menselijke dansers is half aan, half uitgetrokken.
De menselijke dansers blijven zoeken naar de juiste manier om te connecteren en dialogeren met de niet-menselijke spelers. Bogaerts doet dat occasioneel met behulp van fluittaal en tekstprojecties op de vloer die de thematieken van de voorstelling op een associatieve, poëtische manier oproepen. De taalexperimenten komen echter te weinig aan bod om te beklijven. Misschien zit er in het tekstmateriaal potentieel voor een andere voorstelling, maar hier voelt het te onuitgewerkt in verhouding tot het bewegingsonderzoek.
Door de objecten op de dansvloer om te draaien of te verplaatsen, transformeren ze onverwachts in herkenbare lichaamsdelen waarmee de performers interageren. Het beige stuk mousse uit de taartsculptuur blijkt een arm voor te stellen, het vormloze plastic hoopje ziet eruit als knielende bovenbenen. De interacties tussen de performers en die objecten/losse lichaamsdelen zijn speels en vindingrijk in hun eenvoud. Toch vind ik het jammer dat de voorstelling hierin culmineert. Suggereert Bogaerts daarmee dat de abstracte objecten menselijker worden door de interactie met de performers? Of toont hij antropomorfe vormen om te demonsteren dat het niet-menselijke niet zo gek anders is dan het menselijke? Binnen de non-binaire visie van de post-humanistische denkers is er geen strak onderscheid tussen beide. Je kan het antropomorfe karakter van de objecten dus consequent noemen, maar toch snak ik naar een materialiteit die fundamenteel anders-dan-menselijk oogt. Misschien heeft dat te maken met mijn verlangen naar een alternatief voor de destructieve kracht van de mensheid.
Almost Transparent Blue ademt een gevoel van verlies en een verlangen naar heelheid en nabijheid uit. En misschien delen ook niet-mensen die sensatie. Bogaerts zoekt troost in nieuwe manieren om naar elkaar toe te bewegen. Traag en liefdevol naaien de dansers de taartarm aan de pop. Die is zichtbaar hersteld: niet ongeschonden, niet meer louter zichzelf.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.