Vier zusters – Luna, Winter, Toulouse en Jules De Cock
Zussen spelen
Catho De Cordt
© Hugo Glendinning
Fluwelen gordijnen omringd door warmgele spots met daarboven blauwe blokletters: The Dan Daw Show. Het decorontwerp dat een eigen theaterpodium op het bestaande podium van Campo Nieuwpoort plaatst, geeft op zich al een goed beeld van wat Dan Daw met dit stuk vertelt: een eigen speelruimte met eigen voorwaarden bovenop de bouwvallige ondergrond van bestaande ruimtes plaatsen, kan een microkosmos voor crip en queer joy worden.
1, 2, 1, 2. De gordijnen schuiven langzaam open. Dan Daw verschijnt in de spotlight en speelt met het bekende register van sterren die voor hun publiek verschijnen: de diepte van het podium als catwalk met aan het einde de langverwachte beloning. “Welcome everyone. Hi. I am Dan Daw.” Stilte. “I don’t think this mic is working. Let me try that again. I am Dan Daw!” Nu wel gejoel. “Thank you for that. I am glad you joined tonight. I have been looking forward to this for such a long time. We all have, right? For those of you who are not used to see a 41-year old crip being in their power, I got ya, I will make sure that you are safe. Whatever you see me do tonight, I need you to understand, I consented to all this. In fact, I am the one who made this happen just so you can see me this way.” Met deze openingsscène wordt de toon van de voorstelling gezet: Dan Daw die zijn sexy zelf op een podium deelt met een publiek dat soms een houvast nodig heeft om dit te ontvangen.
Humor is een van Daw’s strategieën om die houvast te geven. Aan het begin van de voorstelling wordt Daw’s tegenspeler als volgt geïntroduceerd: “KrisX is here so that those of you that ressemble KrisX can see themselves represented on stage.” KrisX heeft geen zichtbare handicap en Daw bespot zo haarscherp de clichématige en gewelddadige blik op personen met een handicap binnen de theaterwereld. Daw geeft het publiek verdere duiding bij de rol van KrisX: “We’ve known each other for a long time. He is the one I trust the most to help me say what I need to say. He is here to help you all understand why I made this show about me wanting to get fucked in a society that is so used to fucking the disabled without actually losing my power. Pretty radical huh?” Opnieuw worden een gewelddadige clichés zo op voorhand doorboord, dit keer één dat de theaterwereld overstijgt, namelijk de voortdurende de-seksualisering van personen met een handicap en de veronderstelling van een gebrek aan agency in hoe ze hun lichaam en verlangens ervaren.
“So what’s gonna happen now is that KrisX and I”. KrisX onderbreekt: “Dan, put the mic down. Look at me. Walk forwards. Stop. And don’t move.” Hierna wordt het publiek zo’n 80 minuten lang meegenomen in een intieme en hete zoektocht naar genot waarin BDSM-normen houvast bieden: “I need to be in control and surprised at exactly the same time. I am such a messy bitch!”. Er zijn duidelijke afspraken gemaakt op voorhand (“no blood, no scat, no pain, and sadly, no fucking”), voortdurende checks tijdens hun spel (“are you ready to take it further?”), afhankelijkheid (“I need you”) en veel onderlinge bevestiging (“doing this with you brings me joy”).
Het intieme spel tussen Daw en KrisX wordt af en toe gepauzeerd omdat Daw de muur tussen de spelers en het publiek openbreekt: “if this too much or if I am too much, I am happy for you to leave. No shame, no judgements, none of that bullshit here. But we would love for you to stay if you can.” De interactie met het publiek is er een die ruimte laat voor verschillende positionaliteiten. In Daw’s woorden kan je zowel een aansporing lezen om de ruimte te verlaten als je niet in staat bent om voorbij de clichés over personen met een handicap te denken, maar je kan er evenzeer een enorme zorg inlezen voor het publiek. De verstikkende plek die een theaterzaal kan zijn, wordt namelijk opengetrokken tot een ruimte waarin beweging toegestaan en zelfs aangemoedigd wordt: “you are free to move around during the show, go pee, do whatever you need, but please come back in.”
“In Daw’s woorden kan je zowel een aansporing lezen om de ruimte te verlaten als je niet in staat bent om voorbij de clichés over personen met een handicap te denken, maar je kan er evenzeer een enorme zorg inlezen voor het publiek.”
Dit ambigue spel op vlak van interpretatie is ook aanwezig op de lijst met content warnings die bij de show hoort, waarover je verduidelijking kan vragen voor het begin van de voorstelling en waarvan Daw er aan het begin van de voorstelling enkele herhaalt: “this evening includes suffocations, loud noises, and sexy disabled people.” Door de laatste toevoeging wordt opnieuw gespot met het zogenaamde shockerende effect dat het kruispunt crip en queer kan veroorzaken, maar tegelijk maakt de lijst met content warnings het makkelijker voor mensen om meer informatie over de voorstelling te krijgen, wat extra comfort biedt.
Door iets positiefs schrijven over content warnings, lijkt het alsof ik me positioneer in het debat over moralisering in de theaterwereld. In plaats van dit debat te voeren, wil ik gewoon het gevoel van zorg en erkenning benadrukken dat ik tijdens de voorstelling voelde, zonder dat verder te hoeven verantwoorden. Die zorg omslaat meer dan alleen inzicht geven in de inhoud van de voorstelling, maar omvat ook de zintuigelijke ervaring: “Before we go further. I want you to give you a little taste to the loudest and brightest moments of this evening.” Op de balk waar sinds het begin Daw’s woorden worden ondertiteld, verschijnt een symbool dat tijdens de voorstelling gebruikt zal worden om te waarschuwen voor de intensiteit van licht en geluid.
Het voelt risicovol om zo uitgebreid te schrijven over toegankelijkheid, omdat de voorstelling daardoor gereduceerd zou kunnen worden tot een voorbeeld van inclusiviteit, wat theaterstukken die vanuit een crip logica zijn opgebouwd verder abnormaliseert door het ontbreken van vergelijkbare zorg elders. Tegelijkertijd sluiten deze zorgpraktijken zo goed aan bij de inhoud van het stuk dat ik er niet om heen wil. Voor mij weerspiegelen beide een mooie vertaling van wat Mia Mingus ‘access intimacy’ noemt: de ervaring dat je toegangsbehoeften worden begrepen en vervuld worden zonder dat je ze hoeft te verantwoorden of om speciale aanpassingen hoeft te vragen.
“De kracht van dit concept is dat het de validistische kijk omdraait: in plaats van dat mensen met een handicap zich aanpassen aan de normen van een validistische wereld, worden valide mensen uitgenodigd in de wereld van mensen met een handicap.”
De kracht van dit concept is dat het de validistische kijk omdraait: in plaats van dat mensen met een handicap zich aanpassen aan de normen van een validistische wereld, worden valide mensen uitgenodigd in de wereld van mensen met een handicap. Het gaat om een toegankelijkheid die niet voortkomt uit liefdadigheid, verplichting of medelijden, maar uit een gedeeld besef van afhankelijkheid en collectieve zorg. BDSM biedt hier een uitstekend oefenterrein voor. Anaïs Van Ertvelde beschrijft het in Zorgangst (2022) als volgt: ‘de eerste keer dat ik zorg kon toelaten was misschien wel in BDSM. Het moest via een omweg. Via iets wat niets met handicap te maken had. BDSM is een spel met beperking. […] Onderwerp je – neem je handelingsvermogen weg. Scherp je vermogen om te ontvangen aan. Als dat niet crip is, weet ik niet wat wel. […] Wie heeft er meer belang bij het leren dansen met objectificatie en afhankelijkheid dan mensen met een beperking?’
De voorstelling toont onder meer hoe dun de grens is tussen iemand reduceren tot hun handicap en lichamelijke verschillen in al hun complexiteit omarmen bij het bieden van zorg op maat. Dit wordt duidelijk in een scène waarin KrisX aan Daw vraagt om op een tafel met wieltjes te staan. Daw trilt op zijn benen en roept uiteindelijk “spoons!”, zijn safeword dat hij eerder in de voorstelling deelde. KrisX biedt zijn excuses aan, maar Daw reageert resoluut: “I don’t need your apology. I am not sorry,” en wijst zo de veronderstelling af dat er iets te verontschuldigen valt aan zijn ervaring van het lichaam. Wanneer KrisX vervolgens vraagt: “Was that because of your disability?”, antwoordt Daw scherp: “No, because of my vertigo,” waardoor Daw benadrukt dat zijn lichaamservaring niet altijd in verband staat met een vaste identiteit of met de manier waarop anderen die beperking definiëren. De dialoog doorprikt ook mijn eigen gewelddadige denkwijze, aangezien ik me ervan bewust word hoe de scène waarin Daw zijn safeword gebruikt, geënsceneerd is en zijn personage op het podium dus niet gelijk valt met de capaciteit van zijn lichaam.
Na deze gespannen scène, hervatten ze hun zoektocht naar genot in afhankelijkheid en vertrouwen. Ze rollen, klimmen, tillen, leunen en draaien totdat een zwarte latexkubus wordt binnengerold. KrisX trekt de kubus vacuüm, waardoor Daw’s silhouet verschijnt. We zien hem op handen en voeten zitten. Enkel zijn hoofd steekt uit. Daw omschrijft het gevoel als “a massive expensive taxpayer funded hug” en vertelt hoe ontspannen hij zich voelt om dit samen met KrisX te doen. Daw stelt zich verder open: “KrisX, when you spinned me earlier, I loved it but it felt a little out of control for me. I don’t want some of the things that don’t quite work for my body. Can we try spinning again later but in a different way?” Er wordt anders gedraaid en ze belanden samen al staand op tafel.
Misschien interpreteer je de laatste zin van de vorige alinea als een bewijs van emancipatie: een handicap die overwonnen wordt door voldoende te steunen op een ander, bij voorkeur valide, lichaam. Dat is echter niet de boodschap die ik erin wil leggen, maar ik heb daar geen controle over. Hoewel Daw het publiek er af en toe aan herinnert dat “this is exactly how I want you to see me,” heeft ook hij geen volledige controle over de perceptie van het publiek. Af en toe probeert hij interpretaties voor te zijn. Zo vinden we Daw en KrisX op het einde in een omhelzing, waarin Daw de nadruk legt op crip joy: “Fuck me. I am alive, finally. My body is fucking messy and I love it. If I woke up tomorrow morning and I was not in this body I would be so sad. This feeling, here, my body is relaxed, I can let my guard down and ask for whatever I need. I am not a burden. I feel sexy. And I am not sorry.” KrisX antwoordt, duidelijk ironisch: “Hey Dan, you’re such an inspiration,” waarop Daw hem met een “Fuck you” op zijn plaats zet en zo een van de meest gangbare en gewelddadige percepties van personen met een handicap afblokt, namelijk hen reduceren tot een bron van inspiratie.
Ook in deze scène combineert Daw zijn behoefte aan controle met een vorm van intimiteit: “sometimes, I feel myself slip out of my power and being out is a fucking scary place to be. I still feel like that constantly, balancing on an ice edge. It’s a lot.” De slotscène illustreert dan ook vooral hoe Daw met deze glibberigheid omgaat en verwijst naar een eerder gesprek met KrisX. Daarin wijst KrisX naar een tattoo op Daw’s rug en noemt het een draak, waarop Daw hem corrigeert: “it’s not a dragon, it’s an oni, a Japanese demon, it’s my armor when I am in the outside world.” In de laatste scène doet KrisX Daw een rok aan, een riem met pinnen om en wikkelt hem in een deken van tentakels die over zijn lichaam vallen. Dezelfde stofzuiger die eerder alle lucht uit de latex kubus zoog tot Daw zich relaxed voelde, blaast nu lucht in de tentakels tot er stekels verschijnen en de oprijzende tentakels een periferie van bescherming rond Daw creëren, een tastbare vertaling van zijn oni-pantser.
“Het kruispunt tussen crip en queer wil vooral dat de machtssystemen die bestaan, ontdaan kunnen worden.”
Daw draagt dit harnas om de reactie van het publiek in ontvangst te nemen bij het einde van de voorstelling. Ik voel me medeplichtig, want elke handicap wordt gevormd door de ogen van de ander – of zoals Van Ertvelde het verwoordt in Handicap (2024): ‘er lijkt zo’n kloof te gapen tussen mijn zelfbeeld en hoe anderen me waarnemen. Tussen wat ik zie en wat de buitenstaander ziet. Alsof ik mensen het waarnemingsvermogen ontneem.’ Mijn narratief heeft al genoeg bepaald en gestuurd wat deze voorstelling verder kan worden. Misschien maak ik de kloof tussen de bedoeling van deze voorstelling en mijn interpretatie ervan groter.
Om deze mogelijke kloof te dichten, heb ik ervoor gekozen om de woorden van Daw zo prominent in dit stuk te verwerken en zo nauwkeurig mogelijk te citeren. Zo kan jij, als lezer, mijn waarnemingsvermogen ter discussie stellen, want de waarde van deze voorstelling is er al los van mijn oordeel. Niet omwille van een soort heroïsche dapperheid om dit te maken, niet vanuit een exotisering van theaterstukken die opgebouwd zijn vanuit het kruispunt tussen crip en queer omwille van een zeldzaamheid. Wel omdat ik me op deze manier wil verzetten tegen de normatieve structuren van waarde en productiviteit. Door een recensie te schrijven voor een theatertijdschrift kan mijn waarnemingsvermogen immers de perceptie van dit stuk beïnvloeden. Weg daarmee, want het kruispunt tussen crip en queer wil vooral dat de machtssystemen die bestaan, ontdaan kunnen worden. En in die utopie omschrijft Van Ertvelde de positie van kunst over handicap als volgt (2024): ‘de nood om kunst over handicap te maken, is een verlangen geworden. Die kunst is namelijk overal, waardoor wij niet verplicht worden steeds pamfletten te pennen. Een lans te breken voor gehandicapte acteurs. Een publiek te onderwijzen.’ En in de tussentijd toont The Dan Daw Show hoe BDSM een goede leerschool is om die utopie vorm te geven.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.