HUNTER – Liesa Van der Aa / B O D I E S
Let’s play!
Evelyne Coussens
Ook in mijn persoonlijke collectie aan theaterliteratuur is het verschil schrijnend. De stapel links bestaat uit mannelijke auteurs, de stapel rechts uit vrouwelijke auteurs. Het is lastig om gedrukte versies van toneelstukken geschreven door vrouwen te vinden. Als de stukken al beschikbaar zijn, dan is dat meestal enkel online. © Louky van Eijkelenburg
De theatergeschiedenis zoals Louky van Eijkelenburg die leerde, begint steevast bij drie Atheense mannen en lijkt eeuwenlang een mannenzaak. Ze vindt dat we vergeten vrouwenstemmen – van Virginia Woolf tot Hrotsvitha – moeten terughalen om zo een inclusievere canon te schrijven.
In mijn laatste jaar aan de theateropleiding vraagt mijn docent theatergeschiedenis of we eens een kop koffie kunnen drinken. Hij geeft al een aantal jaar dezelfde lessen en wil daar nu verandering in brengen. Aangezien ik tijdens mijn studie nogal uitgesproken ben geweest over het gebrek aan vrouwelijke theaterauteurs in de lessen vraagt hij mij om input. Ik probeer hem duidelijk te maken dat we de lessen theatergeschiedenis niet hoeven om te toveren in een feministisch spreekuurtje, maar dat het tof zou zijn als we naast de stukken van Euripedes, Shakespeare of Ibsen ook eens een stuk van Aphra Behn of Zola Neale Hurston kunnen lezen. Het lijkt me een stap in de juiste richting om het lezen van vrouwelijke schrijvers vanzelfsprekend te maken. De docent knikt begripvol en vraagt me hem hierbij te helpen, ik doe dat graag en stuur hem een lijstje door met vrouwelijke auteurs.
Enkele weken later volgt de inleiding van het komende lessenblok. De docent legt uit dat we het gaan hebben over ‘iconische theatervrouwen’. In kleine groepjes zal iedereen presentaties geven over personages uit bekende stukken en aan de hand daarvan iets zeggen over de rol van de vrouw in die tijd. De personages lopen van Medea tot aan moeder Courage, ze hebben één ding gemeen: allemaal zijn ze geschreven door mannen (oké, er is één uitzondering: het ik-personage in 4.48 Psychosis van Sarah Kane). De docent stelt voor dat we ons hierbij verdiepen in het boek Dramatische vrouwen van Laurens de Vos, ook dit boek (verschenen in 2022) is geschreven door een man. Deze goedbedoelde poging slaat zo ontzettend de plank mis dat ik briesend van woede en onbegrip het klaslokaal verlaat, met als gevolg dat ik op de rest van de klas overkom als militante feminist. (Het was niet de eerste keer en zal waarschijnlijk ook niet de laatste keer zijn dat dat gebeurt.)
Nu wil ik niet beweren dat mannen geen vrouwenrollen kunnen schrijven, integendeel; Medea, Hedda Gabler, moeder Courage en Lady Macbeth zijn stuk voor stuk intrigerende personages van toneelschrijvers die ik graag lees of opgevoerd zie worden. Maar het blijven fictieve personages. Niet Medea maar Euripides won vier keer de Dionysia, niet Lady Macbeth maar Shakespeare was als theaterschrijver vast in dienst bij een theatergroep. Structurele ongelijkheid verdwijnt niet wanneer er een goed geschreven vrouwelijk personage op het podium verschijnt. Vrouwelijke personages blijven een stuk gevoeliger voor the male gaze wanneer zij enkel door mannen worden geschreven. Mannen kunnen ook goed vrouwen schilderen, maar dat er massa’s vrouwen zijn afgebeeld neemt niet weg dat er ook in de schilderkunst een schrijnend gebrek aan vrouwelijke schilders is, of zoals de Guerilla Girls het zo prachtig verwoorden: ‘Do women have to be naked to get into the Met. Museum?’ Over een vrouw lezen is niet hetzelfde als iets lezen dat door een vrouw is geschreven.

Hier een pagina uit de bibliografie van het handboek ‘Theater, een westerse geschiedenis’ (door Thomas Crombez, Jelle Koopmans, Frank Peeters, Luk van den Dries en Karel Vanhaesebrouck) dat aansloot bij onze theorielessen. De boeken geschreven door vrouwen of waar vrouwen aan hebben bijgedragen zijn met oranje gemarkeerd. Niet enkel is er oververtegenwoordiging van mannen die theater schrijven, maar ook van mannen die over theater schrijven. © Louky van Eijkelenburg
Ik denk terug aan mijn 16-jarige ik, een minifeminist met geïnternaliseerde misogyne gevoelens. Ik kon mij enorm kwaad maken op al mijn vrouwelijke voorgangers die (zo leek het toch) de hele geschiedenis lang niks anders hadden gedaan dan huizen poetsen en kinderen baren. Het gebrek aan vrouwelijke representatie tijdens de lessen kunstgeschiedenis deed vermoeden dat kunst enkel voor mannen was, in mijn hoofd maakte ik hiervan: ‘mannen + Louky van Eijkelenburg’. Ik nam het idee van ‘high art’ (rijke, witte, heteromannen-kunst) als ultieme kunstvorm klakkeloos over en was een stuk kritischer over de creaties en prestaties van mijn vrouwelijke leeftijdsgenoten. Als het gebrek aan vrouwelijke representatie al zo’n nadelig effect kan hebben op een feminist in de dop, dan maak ik me grote zorgen over mijn mannelijke klasgenoten die niet vertrouwd zijn met het feminsme maar wel opgroeiden met hetzelfde wereldbeeld.
Deze afwezigheid van vrouwen in het theater wordt (te) vaak weggewuifd met de opmerking dat ze er simpelweg niet waren. Dat is deels waar, maar daar zijn redenen voor: het valt niet te ontkennen dat vrouwen doorheen de hele geschiedenis zwaar zijn ontmoedigd om kunst te maken. Dit systeem van onderdrukking wordt glashelder uitgelegd in het essay A Room of One’s Own van Virginia Woolf. Woolf werpt een metaforische zus van Shakespeare op, met evenveel talent en ambitie maar zonder dezelfde privileges. Haar beroemde broer wandelt moeiteloos theaters binnen waar deze zogenoemde Judith Shakespeare op gesloten deuren botst. De doodongelukkige Judith raakt uiteindelijk ongehuwd zwanger en realiseert zich dat het krijgen van een kind gelijk staat aan de dood van haar artistieke carrière. De metafoor eindigt in zelfmoord zonder glorie.
“In de beeldende kunst en de literatuur worden steeds meer vergeten vrouwen herontdekt, waarom blijft het theater dan zo achter?”
Woolf verwijst in haar essay echter ook naar vrouwen die het tegen alle verwachtingen in wél is gelukt (Aphra Behn, Jane Austen, de Brontë zusters en George Eliot). Dat er nul vrouwen waren die theater schreven vind ik dus moeilijk te geloven. In de beeldende kunst en de literatuur worden steeds meer vergeten vrouwen herontdekt, waarom blijft het theater dan zo achter?
Zo goed als alle lessen theatergeschiedenis die ik ooit heb gehad, beginnen bij de Grieken. Bij de Dionysia om specifieker te zijn, de jaarlijkse feestelijkheden ter ere van de god Dionysus. Na een feestelijke optocht werden er enkele dagen achter elkaar verscheidene tragedies en komedies opgevoerd. Tegen het einde van het festival werd de schrijver van het beste toneelstuk tot winnaar gekroond. De volledige lijst met winnaars (die zover bekend uitsluitend uit mannelijke auteurs bestaat) is incompleet. Als we het hebben over ‘het Griekse theater’, dan hebben we het dus over de periode van 472 v.Chr. tot 401 v.Chr. in Athene. We bespreken dan een handjevol tragedies geschreven door drie mannen (vijf als je de komedieschrijvers meetelt). Alle andere tragedies zijn verloren gegaan. Niet overal was de segregatie tussen man en vrouw zo extreem als in Athene: denk bijvoorbeeld aan Sparta, waar vrouwen relatief veel autonomie, economische macht en onderwijs genoten. Er waren ook absoluut vrouwelijke schrijfsters actief. Sappho, Nossis en Boeo schreven poezie en Aesara was filosofe.
Hoe is het in godsnaam mogelijk dat uit de incomplete overblijfsels van één festival in Athene de conclusie volgt dat er in de hele Griekse oudheid geen enkele vrouw ooit één toneelstuk heeft geschreven? Oké, deze conclusie wordt zelden letterlijk getrokken, maar dit is wel wat er bij mij en zeer waarschijnlijk bij mijn medestudenten is blijven hangen na de lessen theatergeschiedenis. In het geval van de Grieken en de Romeinen is het moeilijk om theaterstukken van vrouwen terug in de canon te brengen omdat we die simpelweg niet hebben.
Er zijn nochtans veel alternatieve historische verhalen te vertellen. In het Japanse Kabuki theater, bijvoorbeeld, waren vrouwen wel prominent aanwezig, sterker nog, Kabuki heeft zijn ontstaan te danken aan vrouwen. Hoe het exact is gegaan is lastig aan te duiden, maar waarschijnlijk begon het met Izumo no Okuni, die in 1603 samen met een aantal andere vrouwen een optreden gaf in de opgedroogde rivierbedding van de Kamorivier in Kyoto. De dansen en sketches trokken enorm veel publiek en al gauw volgden er meer optredens en meer groepen. Niet heel veel later, in 1629 om precies te zijn, werd het uitvoeren van Kabuki voor vrouwen verboden, de reden hiervoor was dat de dansen ‘te suggestief’ waren, bovendien kwam het gros van de vrouwen uit de prostitutie en zorgden de optredens voor extra klandizie. Vanaf nu mochten enkel mannen Kabuki spelen. In eerste instantie werden de vrouwenrollen gespeeld door jonge mannen, maar toen bleek dat deze ook iets te verleidelijk waren, mochten er enkel nog maar oude mannen meedoen.
Wat we vandaag beschouwen en opvoeren als ‘repertoire’, heeft de neiging om ruim 1000 jaar over te slaan. Van de Grieken stoten we in een keer door naar Shakespeare, alsof alles in de jaren daartussen stof heeft liggen vangen in het kostuumhok. Dat er van deze tussenperiode weinig geschreven bronnen bewaard zijn gebleven, betekent niet dat er geen theater was: in de middeleeuwen waren er veel rondtrekkende minstrelen en acrobaten en werden er Bijbelverhalen nagespeeld in kloosters en abdijen.
“Wat we vandaag beschouwen en opvoeren als ‘repertoire’, heeft de neiging om ruim 1000 jaar over te slaan.”
De eerste Europese theatergeschriften die we na de Klassieke Oudheid weer tegenkomen (voor zover bekend is) zijn geschreven door Hrotsvitha von Gandersheim. Hrotsvitha werd rond 935 geboren en was betrokken bij het klooster van Gandersheim waar ze veel las en schreef. Ze was dol op het werk van de Romeinse theaterschrijver Terence (195 BC) (noem het een guilty pleasure). Ze voelde zich sterk aangetrokken tot zijn schrijfstijl maar de ongetemde passie en onwettige seks in deze stukken sloten niet aan bij haar christelijke moraal. Hrotsvitha probeerde de stijl en structuur van Terence toe te passen op thema’s die haar aan het hart lagen (zoals het bewaren van maagdelijkheid) en overeenkwamen met de heilige geschriften. Hieruit volgden de Comaedia Sacrae, een zestal stukken die je het best zou kunnen beschrijven als ‘deugdzame komedies’.
Nu is het begrijpelijk dat een toneelstuk over het bewaren van de maagdelijkheid voor de meeste theatermakers van deze tijd niet heel aantrekkelijk klinkt. Een tragische held die zijn ogen uitsteekt of een dubbele suïcide gemotiveerd door liefde klinkt toch net iets theatraler. Ik heb een aantal stukken van Hrotsvitha gelezen en hoopte natuurlijk op een feministisch meesterwerkje. Dit was misschien iets te optimistisch gezien bijna alle titels verwijzen naar de mannelijke hoofdpersonages. De teleurstelling viel binnen de verwachting, Hrotsvitha was, is en blijft een vrouw van haar tijd. Er zijn enkele opstandige vrouwen te vinden, maar hun opstandigheid staat in dienst van het geloof. Het plot wordt niet gedreven door hun acties, slimmigheden of intriges, maar door goddelijke interventie.
In Dulcitius weigeren de zussen Agape, Chionia en Irene hun geloof op te geven en de door de keizer gekozen mannen te trouwen. Gouverneur Dulcitus probeert de opgesloten zussen ’s nachts te verkrachten, hij sluipt de donkere keuken binnen, maar verwart ze met de potten en pannen, waar hij de liefde mee bedrijft. Ook een poging om hen publiek te vernederen mislukt: wanneer soldaten hen naakt willen tentoonstellen op het plein, blijven hun kleren door een goddelijk wonder vastzitten. Uiteindelijk worden de zussen geëxecuteerd, trouw blijvend aan hun christelijke geloof.
In Callimachus smeekt de beeldschone Drusiana God te sterven omdat ze haar maagdelijkheid niet wil verliezen. Maar wanneer Callimachus de graftombe binnenglipt om haar dode lichaam te verkrachten, wordt hij verrast door een slang die hem doodbijt. God verschijnt en wekt beide weer tot leven. Callimachus bekent spijt en belooft voortaan als vrome Christen te leven. Eind goed al goed…
Bijna alle vrouwelijke personages lijken genoegen te nemen met een leven vol lijden. Zolang zij hun maagdelijkheid beschermen, wacht hen een zalig leven in het hiernamaals. Niet erg vrouwvriendelijk, maar misschien toch (of juist) in deze tijd relevant: wanneer het patriarchaat veel druk uitoefent is het afwijzen van mannelijke avances en het zich onthouden van seks een manier om macht uit te oefenen. Deze thematiek doet direct denken aan de Griekse komedie Lysistrata waarin de vrouwen weigeren seks te hebben totdat de mannen stoppen met vechten. Het is een idee dat tot de verbeelding spreekt en momenteel haar eigentijdse equivalent vindt in de 4B-Movement. Een beweging die voornamelijk in Zuid-Korea actief is maar langzaam ook haar volgers vindt in de Verenigde Staten. De beweging hanteert vier leefregels; geen relaties met mannen, geen seks, geen huwelijk en geen kinderen (de ‘B’ staat voor ‘bi’, wat ‘nee’ betekent). Het is een interessant tegengeluid op het conservatieve gedachtegoed van extreemrechts. Wordt het recht op abortus afgenomen? Dan ook geen seks meer. Is er een toename in huiselijk geweld? Laat de vrouwen dan zonder mannen samenwonen.
Interessant materiaal om als theatermaker mee aan de slag te gaan, lijkt me. Voor de Goddelijke interventie zijn er vast creatieve moderne metaforen te vinden. Hrosvitha’s werk heeft veel potentieel en verdient absoluut onze aandacht. We kunnen haar werk gemakkelijk terugbrengen in onze westerse canon.
Hetzelfde geldt voor tijdgenoten van Shakespeare, zoals Aphra Behn of Elizabeth Cary. Vanaf de 18e eeuw neemt het aantal vrouwen dat heeft bijgedragen aan de theaterliteratuur in exponentieel tempo toe, dus er is meer dan genoeg te lezen. Ik besef me dat mijn relaas over vrouwelijke rolmodellen een hintje heeft van ‘wit feminisme’. Gelukkig hoeft onze zoektocht naar vrouwelijke rolmodellen zich niet te beperken tot enkel witte schrijvers. Zo ontstond er in 1920 in New York The Harlem Renaissance, een intellectuele en artistieke beweging van Afro-Amerikaanse schrijvers en kunstenaars. Een van de voortrekkers was Zora Neale Hurston. Zij was antropoloog en schreef literatuur en toneel. Haar toneelstukken zijn geschreven in spreektaal en geven een weergave van het alledaagse leven onder de Jim Crow segregatiewetten in het zuiden van Amerika. Ondanks dat Zora binnen The Harlem Renaissance een redelijke naam voor zichzelf had weten te maken, stierf ze arm en onbekend. Pas jaren later ontstond er (mede dankzij de schrijver Alice Walker) een hernieuwde interesse voor haar werk.
Misschien ook interessant om even aan te merken; De bovengenoemde Terence was vermoedelijk afkomstig uit Noord-Afrika en had dus zeer waarschijnlijk niet de spierwitte complexie die de tekeningen en beelden doen vermoeden.
Willen we diversiteit echt omarmen, dan wordt het misschien ook eens tijd om een stap buiten de Westerse canon te zetten. Er is hoe dan ook nog veel om te ontdekken en er zijn nog een heleboel namen die het verdienen om genoemd te worden. Niet enkel in de les, maar ook daarbuiten.
Er valt mij te verwijten dat ik probeer de geschiedenis te herschrijven, dat de vrouwen die ik noem in hun tijd helemaal niet zo invloedrijk waren als hun mannelijke tegenhangers en dat ik op deze manier een verkeerd beeld schets van vrouwen in die tijd. Dit verwijt is terecht, maar het is precies die luxe die mannen zichzelf al eeuwenlang veroorloven. Artaud werd immers pas bekend na zijn dood en in de middeleeuwen was de interesse in de klassieke oudheid logischerwijs aanzienlijk minder dan na de Renaissance. Wat ik probeer te zeggen is dat de geschiedenis geen vaststaande tijdlijn is, maar een fluïde web dat continu wordt herschreven. Wat voor de een het heldenverhaal is, is voor de ander een tragedie, wat we nu belangrijk vinden was in een ander tijdperk niet het omkijken waard. De kans dat we een archeologische vondst doen van een compleet Grieks theaterstuk is klein, maar als we het zouden vinden, zouden we het dan niet direct aan een man toeschrijven? Als we elkaar blijven vertellen dat er absoluut geen vrouwen betrokken waren in de kunsten, wordt dit een selffulfilling prophecy.
Daarom moeten we de geschiedenis steeds opnieuw doorspitten, de namen blijven herhalen van alle kunstenaars die niet in de ‘norm’ pasten en hun werk met beide handen aangrijpen. Als gretige kinderen, klaar om onze eigen, inclusieve geschiedenis te schrijven.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.