© Luk Monsaert

Leestijd 9 — 12 minuten

Muurd in de Minard – Vernieuwd Gents Volkstoneel

De lessen van het volkstoneel

Wie heeft Bob de Moor vermoord? Het lijkt de centrale vraag van Muurd in de Minard, de whodunit waarmee Vernieuwd Gents Volkstoneel elf keer de Minardschouwburg uitverkocht tijdens de afgelopen Gentse Feesten. Dat De Moor en de zijnen dit publiekssucces al twintig jaar ononderbroken herhalen, blijft al evenveel jaren onopgemerkt door de rest van de Gentse theatersector. Misschien wordt het tijd om wat beter te kijken, en iets te leren. 

Over Romain Deconinck (1915-1994), het Gentse boegbeeld van het volkstheater, zijn boeken vol geschreven. Over diens erfgenaam Vernieuwd Gents Volkstoneel heel wat minder. Acteur Bob De Moor richtte dit gezelschap op in 2003. Na het wegvallen van Deconinck en zijn ‘beren’ – de compagnie van vaste acteurs waarmee Deconinck de Minardschouwburg bespeelde – was er in Gent ruimte voor een opvolger. De Moor verzamelde een ploeg gerenommeerde auteurs/regisseurs (Jo Van Damme, Filip Vanluchene, Frank Van Laecke) en spelers (Daan Hugaert, Jurgen Delnaet, Heidi De Grauwe, Dirk Buyse…) rond zich en legde de lat hoog. Bij het professionaliseren van de Vlaamse theatersector, een proces dat vanaf de jaren 1980 voortgang maakte, werden veel gezelschappen uit het volkstheater (zie ook Het Brussels Volkstejoêter en het Echt Antwaarps Theater) verwezen naar de regionen van de liefhebbers, lees: uitgesloten van subsidiëring onder het Kunstendecreet. Gezelschappen als het Vernieuwd Gents Volkstoneel maar later ook het West-Vlaamse Het Eenzame Westen namen de vlucht naar voren en probeerden toch een poot binnen te krijgen in het decreet, veelal tevergeefs. In het geval van het Vernieuwd Gents Volkstoneel bleek de combinatie van gedegen tekst, flamboyant spel, maatschappelijke satire en toegankelijkheid té succesvol om te subsidiëren. Vernieuwd Gents Volkstoneel werd onder meer te ‘commercieel’ bevonden. 

Sinds de eerste productie van Vernieuwd Gents Volkstoneel (De laatste hongerkunstenaar, 2003) is ‘Bob’ een vertrouwd ingrediënt op mijn Gentse Feesten-menu. Gedurende die meer dan twintig jaar bleven de fundamenten van de producties onveranderd (lokale taal, komische tekst of dialoog, politiek-maatschappelijke kritiek…) maar specifieke vorm en inhoud veranderden elk jaar. Van een klassieke familietragikomedie (De jongens, 2007) over een scherpe analyse van het democratisch deficit (Stemmen, 2012) tot een wrang-komisch portret van Gents beroemdste dakloze (Zakman, 2019) of een muzikale monoloog (Zappa, 2023). Soms zat er ook eens een hele flauwe tussen, zoals De Vis, in 2010. Soms eentje dat tot tranen toe roerde, zoals De cochonnet in 2023. En dit jaar was er dus een whodunit: Muurd in de Minard.

De plot is in enkele lijnen te vatten. We zijn in de Minard voor een lezing van de beroemde acteur Bob De Moor over volkstoneel, maar het spreekgestoelte blijft leeg. Gegil vanuit de coulissen: De Moor blijkt vermoord, met niet minder dan vijftien messteken. Enter inspecteur Emiel Sprotaert (De Moor, onmiskenbaar uitgedost als Romain Deconinck), zoon van de beruchte Kamiel Sprotaert. Deze politie-inspecteur was het favoriete personage van Deconinck; het standbeeld voor de Minardschouwburg toont Deconinck in deze gedaante. Alle aanwezigen (inclusief het publiek) worden gesommeerd op de plaats delict te blijven, terwijl de nogal zelfzekere – maar ook niet al te snuggere – Sprotaert het onderzoek voert. Passeren de revue als mogelijke moordenaars: mejuffrouw Frieda Kahlloo (Heidi De Grauwe), West-Vlaming Raoul Lachaert (Chris Van den Durpel), de non-binaire persoon Anita De Spriet (eveneens gespeeld door Van den Durpel) en een resem bijfiguren waarmee De Moor onveranderlijk een seksuele relatie had; tot het schaap van de buurman toe. Seksuele jaloezie geldt dus als hoofdmotief, tot er nog een resem doden valt. Tussen de ondervragingen door mijmert Sprotaert over zijn verloren jeugdliefde en drinkt hij onbeschroomd Orvals, daarin bijgestaan door het Gentse stereotiep van de domme flik (Steve De Schepper) en de autoritaire hoofdcommissaris (Jan De Raedt) die uiteraard hoorns draagt. De geregelde freezes door fel wit licht bij gevaar of plotse inzichten en conclusies zorgen samen met de James Bond-tune voor een hard boiled-sfeertje dat uiteraard fel contrasteert met het evidente geklungel van de arm der wet en de vele kleinmenselijke plagerijen die over en weer gaan. En met het sappige Gentse dialect natuurlijk, want auteur Van Laecke kent zijn pappenheimers  – ge moet nen ouwen marteko geen muilen lieren trekken

“De whodunit is slechts de aanleiding voor een exegese van volkstoneel, of beter: een demonstratie van wat volkstheater is of kan zijn.”

Op zich is het moordonderzoek zelf, doordesemd van herhaling en dwaalsporen, niet bijzonder spannend of straf geconstrueerd, sleept het verhaal zich af en toe wat voort en is de ontknoping behoorlijk teleurstellend. Maar de moordzaak is dan ook niet de essentie van Muurd in de Minard. De whodunit is slechts de aanleiding voor een exegese van volkstoneel, of beter: een demonstratie van wat volkstheater is of kan zijn. Lastige kwestie, natuurlijk. Het begrip ‘volkstoneel’ is even meerduidig en grillig als de definitie van het ‘volk’ zelf. Dit gezegd zijnde leeft er wel grofweg een beeld van wat volkstoneel is: het is lokaal geworteld (met bijbehorend dialect), het brengt de bekommernissen en worstelingen van de kleine man in beeld, het kiest expliciet de zijde van deze elckerlyk en het doet dat met een overdaad aan (niet zelden groteske of vulgaire) humor. In zijn minst interessante vorm is het een versteende vorm van theater, louter gericht op de lach en het vermaak. In zijn beste, meest flexibele vorm beweegt het mee met de tijd, speurt het naar de harteklop van de samenleving en levert het scherp sociaal of politiek commentaar. Het bevraagt stereotiepen, keert machtsverhoudingen om en verlegt bij zijn publiek de grenzen van denken en voelen. 

“In zijn beste, meest flexibele vorm beweegt het volkstoneel mee met de tijd, speurt het naar de harteklop van de samenleving en levert het scherp sociaal of politiek commentaar. Het bevraagt stereotiepen, keert machtsverhoudingen om en verlegt bij zijn publiek de grenzen van denken en voelen.”

Het mooist deed Vernieuwd Gents Volkstoneel dat misschien wel met De cochonnet, een samenwerking tussen Vernieuwd Gents Volkstoneel en Compagnie Van de Leute, het liefhebbersgezelschap van Jan De Raedt. Een spelletje petanque (een ‘cochonnet’ is het kleine balletje in het petanquespel) brengt twee personages samen (De Moor en De Raedt) met een geheel andere kijk op het leven, meer bepaald op de globale en diverse samenleving. De een plukt er de vruchten van, de ander voelt zich verweesd en in de steek gelaten door (linkse) politiek en elite. In hun verbetenheid om in het petanquespel te winnen – en ook daar niet als ‘verliezer’ achter te blijven – ontwikkelt zich een dialoog (Frank Van Laecke) waarin de bitterheid, verloren dromen en frustratie van de een stuiten op de vermeende morele superioriteit van de ander. Hoe deze twee mannen klinken, botsen en uiteindelijk nader tot elkaar komen is van een ongeziene schoonheid – een remedie voor de politieke polarisatie van het moment. 

Tegelijkertijd werden in De cochonnet twee hopeloos uit elkaar gegroeide subsectoren samengebracht, op en naast de bühne. Want hoe je het ook draait of keert: De Moor, lang artistiek leider van het Brugse De Korre en daarna van het Tieltse Malpertuis, behoort wel degelijk ook zelf tot het theaterestablishment (recent was hij nog te zien in een voorstelling van Milo Rau), terwijl Compagnie Van de Leute, hoe succesvol ook, nooit uit het liefhebberscircuit brak. In 2021 liet De Raedt optekenen (in HLN) dat De Leute ‘nog durft te lachen met de clichés waar volgens de “woke”-generatie niet meer om mag gelachen worden.’ Pittige repetities waren dat, stel ik me voor. Maar De cochonnet was volkstheater in optima forma: een politieke arena in het klein, waar het agonisme – de noodzakelijke frictie om tot democratisch overleg te komen – nooit vervalt in antagonisme, waarbij het gesprek met de ander wordt afgebroken of geweigerd, zoals de Waalse politicologe Chantal Mouffe ons leert.

“Het volkstoneel van De Moors dromen komt in Muurd in de Minard net niet helemaal tot zijn recht. Toch zie je ook hier hoe Van Laecke geprobeerd heeft om in tekst en personageopbouw grenzen te verleggen en nieuwe elementen binnen te brengen in een traditioneel genre.”

De vorm van Muurd in de Minard (de whodunit) leent zich minder makkelijk tot deze democratische uitdaging en daardoor is het misschien niet het meest geschikte voorbeeld voor Bob De Moors missie en raamvertelling. Het moordverhaal zelf is te ongeloofwaardig om echt spannend te zijn; tegelijkertijd schept het format van het politieonderzoek (waarin het moet vooruitgaan) te weinig ruimte voor echte menselijke interactie. Het volkstoneel van De Moors dromen komt in Muurd in de Minard net niet helemaal tot zijn recht. Toch zie je ook hier hoe Van Laecke geprobeerd heeft om in tekst en personageopbouw grenzen te verleggen en nieuwe elementen binnen te brengen in een traditioneel genre. De omgang met de non-binaire persoon in het stuk bijvoorbeeld spiegelt de manier waarop in De cochonnet de omgang met mensen van kleur werd getackeld. Het is geen ‘vanzelfsprekendheid’ die voor elke moreel superieure persoon voor het grijpen ligt, maar een lastig ding, een onderzoek, een leerproces. Het ongemak wordt niet weggemoffeld of weggelachen als het ‘probleem’ van domme en onderontwikkelde mensen, maar juist aan de oppervlakte gebracht en becommentarieerd. Uiteindelijk wordt de realiteit – de aanwezigheid in onze samenleving van mensen van kleur, die van mensen met een niet-normatief gender – met een soort volks schouderophalen aanvaard, en omarmd. What’s the big deal? Uiteindelijk draait het om de liefde, toch? 

Ik denk dat dit de manier is waarop dit soort volkstheater – van hoog niveau – de brug kan slaan tussen de wereld van de ‘woke’-kunsten (om het nu maar even zo te noemen) en een breed publiek. Dat publiek is misschien wel bereid om in de hedendaagse realiteit mee te stappen, maar het heeft daar tijd voor nodig, de kans op een leerproces. En nog los van deze specifieke en gevoelige thema’s heb ik het gevoel dat dit soort theater een aantal broodnodige elementen bevat die kunst relevant maken vandaag, zonder dat het daarbij de band met een breed publiek verliest. Maatschappijkritiek, zeker, maar al zoekend en tastend, zonder de morele superioriteit van het zeker-weten. Via humor, toegankelijkheid, nabijheid. Hier en daar sijpelen vandaag sporen door in het gesubsidieerde circuit. Je ziet het aan het succes van voorstellingen als SKETCH! (Portie Gemengd & Compagnie Cecilia), Arme Tante Danni (Martha!tentatief) en zelfs De Puinstraat (Compagnie Cecilia). Stuk voor stuk gaat het om intelligente voorstellingen, die niet zelden het eigen genre bevragen en daarmee ook het publiek uitdagen – net zoals Muurd in de Minard dat aan het eind met zijn spiegelspel doet. Toegankelijkheid, breed publiekssucces en artistieke kwaliteit sluiten elkaar namelijk niet uit. Eindeloos jammer dat die open deur na twintig jaar nog steeds dient ingetrapt te worden. 

In september 2025 nog te zien in de Minard en in het Arca Theater (Gent). Klik hier voor de speellijst.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 9 — 12 minuten

#179

01.03.2025

14.09.2025

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!