‘A Divine Comedy’, Florentina Holzinger © Marianna Wytyczak

Leestijd 13 — 16 minuten

‘I’m losing my youth, it’s leaving, ciao!’

‘Aging is a narrative and each of us tells her own story’, schrijft de Amerikaanse criticus Margaret Morganroth Gullette, een belangrijke stem in het debat rond ‘ageism’. Welke verhalen over ouderdom, aftakeling en verlies zien we op onze podia? En hoe herbevestigen of counteren bij uitstek vrouwelijke dansers en choreografen de idealen van (seksuele) jeugdigheid en ongerimpelde virtuositeit, die diep in de danskunst geworteld zijn? Charlotte De Somviele schetst een perspectief in vogelvlucht.

1.

Kaaistudio’s, 2016. De minimalistische technotrance van Salva Sanchis’ Radical Light zuigt me helemaal op. En toch blijft mijn blik aan iets haperen. Naast choreograaf Sanchis, op dat moment 42 jaar, staan alleen lenige twintigers en prille dertigers op het podium. De choreografie, gebaseerd op uitgesponnen partymoves, is razendsnel en hyperlenig, maar bij uitstek Sanchis performt ze nog het best van allemaal, met de meeste diepte en persoonlijkheid. Gek, denk ik. Waarom koos hij voor dit project alleen recente P.A.R.T.S.-alumni en niemand van de generatie waarmee hij zelf ooit in de balletklas stond? Fast forward naar 2022. Marina Abramović (76) bouwt voor No Intermission de hele Amsterdamse Carré om tot een zevendaagse ‘performance art experience’. Op de affiche: tien opkomende bodyartkunstenaars, waarmee ze haar opvolging verzekert. Op de Japanse Yingmei Duan na zijn ze allemaal onder de 40 jaar.

Waarom krijgt alleen de choreograaf het privilege om ouder te worden?

De Warande, 2022. Voor de jubileumvoorstelling Scattered Memories blikt Wim Vandekeybus (59) samen met de Ultima Vez-familie terug op zijn lange carrière. Op het podium staan dansers van alle generaties: naast de vroege muze Lieve Meeussen zien we ook de blinde performer Saïd Gharbi, hiphopper Yassin Mrabtifi en acteur Jerry Killick via een videoscherm. Ze reshuffelen fragmenten uit What the body doesn’t remember (1984), In spite of wishing and wanting (1999) en Speak low if you speak love (2015). Ook Vandekeybus danst mee. Het is delicaat om toe te geven, maar je houdt toch een beetje de adem in als je ziet hoe de choreograaf zich probeert te verhouden tot een danstaal vol fysieke baldadigheid en drift die duidelijk op maat van jongere lichamen werd gemaakt.

Waarom willen ervaren dansers zo graag bewijzen dat ze nog steeds hetzelfde kunnen als vroeger? En in hoeverre is dat mee de verantwoordelijkheid van ons als kijkers, die dans blijven associëren met virtuositeit en perfectie, gedragen door een transparant en dienst-baar ‘superlichaam’ dat vooral geen aandacht op zijn eigen limieten mag vestigen?

2.

Ouder worden, het blijft een taboe in de danswereld. Zelden hoor je er dansers, laat staan publiek of recensenten, over praten. Niet over de mooie kanten: de ruimte voor verstilling en kwetsbaarheid die vrijkomt wanneer de behaagzucht wegvalt, de verinnerlijkte bewegingskwaliteit, de gegronde podiumpersona… Maar ook niet over de donkere kanten: de blessures, de pijn, de confrontatie met de eigen grenzen, de impact van het maatschappelijk opgedrongen schoonheidsideaal waarvan bij uitstek vrouwen de dupe zijn. Dat rouwproces wordt weggestopt, net zoals de ouderen in onze samenleving.

Vreemd is dat natuurlijk niet. Niemand wordt graag met zijn eindigheid geconfronteerd, zeker niet omdat ouderdom iets absoluuts lijkt, iets wat alle andere aspecten van iemands identiteit lijkt te overschaduwen. In haar klassieker De ouderdom (1970) beschrijft Simone de Beauvoir hoe de mens blind is voor zijn eigen verouderingsproces, dat binnenin veel trager verloopt en aanvoelt (‘als wijzers van een klok die we niet zien bewegen’) dan aan de buitenkant. Die innerlijke vervreemding beschrijft ze treffend: ‘Bejaard zijn is zo moeilijk te verwerken omdat we de bejaarde altijd zagen als iemand van een andere soort: ben ik dan een ander geworden terwijl ik mezelf blijf?’

Men zegt weleens dat dansers twee keer sterven: één keer als hun carrière eindigt en een tweede keer op hun sterfbed. ‘Age illuminates the human body as its own medium’, schrijven Richard Gough & Nanako Nakajima. ‘Therefore, ageing affects dancers’ bodies in far more profound ways than any other kind of artist.’ Daarbij komt nog de existentiële vraag naar nalatenschap: waar gaat de dans heen als de danser, de drager van het levende archief, er niet meer is? Misschien is dat een van de verklaringen waarom oudere dansers zo graag hun eigen repertoire blijven opvoeren: hun lichaam is er zo persoonlijk mee verknoopt.

“Er lijkt stilaan iets te veranderen in het bewustzijn rond de representatie van oudere lichamen. Ook na hun 50ste zetten steeds meer dansers hun carrière succesvol voort.”

De verhouding tussen jonge en ervaren dansers blijft in het kleine wereldje van de westerse hedendaagse dans desondanks behoorlijk uit balans. Dat heeft niet alleen te maken met een artistieke en maatschappelijke bias die kickt op jeugdige schoonheid en eeuwige vernieuwing, maar ook met de sociaal-economische realiteit: jonge dansers zijn nu eenmaal een pak goedkoper en flexibeler. Een danscarrière — met inbegrip van het vele (onderbetaalde) avond- en weekendwerk, de intensieve training enzovoort — is bovendien niet zo makkelijk te combineren met het ouderschap of een stabiel leven, waardoor velen zich vanaf een bepaalde leeftijd gaan heroriënteren als choreograaf of repetitor, of zelfs helemaal uit de kunstwereld stappen.

Toch lijkt er stilaan iets te veranderen in het bewustzijn rond de representatie van oudere lichamen. Ook na hun 50ste zetten steeds meer dansers hun carrière succesvol voort. Denk maar aan Cynthia Loemij, Samantha van Wissen, Fumiyo Ikeda, Renée Copraij, Truus Bronkhorst, Germaine Acogny en Lisi Estaras, die met haar ‘menopauze-solo’ Thisisbeauty een subtiele kritiek geeft op de ondervertegenwoordiging van mature dansers. In de balletwereld zien we een gelijkaardige trend, al zal de exitleeftijd daar door het topsportaspect altijd een stukje lager liggen dan in de hedendaagse dans. Het bewijst dat het cijfertje achter onze naam, en wat we ‘oud(er)’ noemen, een performatief label is waarvan de grenzen onder invloed van demografische ontwikkelingen, technologische en medische vooruitgang en maatschappelijke percepties blijven opschuiven.

‘She was a visitor’, Jan Martens/Marc Vanrunxt/Truus Bronkhorst © Leo van Velzen Was a Visitor” van Truus Bronkhorst. Choreografie Marc Vanrunxt en Jan Martens.
Foto: Leo van Velzen.

Ook op het podium laat de shift zich voelen. Populair zijn de vele ‘terugblikvoorstellingen’ waarbij makers hun eigen oeuvre als inspiratiebron nemen (denk aan het eerder genoemde Scattered Memories, maar ook Rosas’ The Goldberg Variations, BWV 988). De grootste trend van de laatste jaren is misschien wel de aandacht voor het intergenerationele werken. Van Jan Martens’ Any attempt will end in crushed bodies and shattered bones (met dansers tussen 17 en 70 jaar) tot Carrying my father van There There Company (een circusduet tussen vaders en hun zonen) en The power of the fragile, waarvoor Mohamed Toukabri zijn moeder Latifa, die er altijd van droomde danseres te worden, uitnodigt op scène. Deze voor- stellingen vormen een brug over de generatiekloof en herwaarderen belichaamde wijsheid. Hoe symbolisch belangrijk die representatie ook is, toch blijft de vraag of je met vijftigplus- sers alleen, zonder jonge lijven als glijmiddel, even hoge publiekscijfers zou halen.

Ook fysieke en mentale aftakeling lijkt geen taboe meer, of toch niet als thema. Zo maakte choreograaf Zoë Demoustier van dichtbij mee hoe haar schoonvader de strijd tegen alzheimer verloor. Ze maakte er met kinderen en oudere dansers What remains over, dat de transitie van het leven naar de dood niet als een kantelpunt ziet, maar als een eeuwige cirkelbeweging. In A masterpiece zoekt Dennis Vanderbroeck dan weer contact met zijn dementerende vader via performances uit de 20ste-eeuwse kunstgeschiedenis. En in Jackie kruipt Lien Wildemeersch in de huid van de beroemde celliste Jacqueline Du Pré, die op haar 42ste aan de gevolgen van multiple sclerose overleed. Samen met choreografe Bérengère Bodin vat ze haar woede en angst niet in woorden, maar in een expressionistische dans die toont hoe Du Pré beetje bij beetje de controle over haar lichaam — en haar grote passie muziek — verliest.

3.

Is het toeval dat vooral vrouwelijke choreografen in hun werk stilstaan bij de impact van de ouderdom? Volgens theaterwetenschapper Elinor Fuchs niet. ‘Age (can) not be separated from gender and (…) gender (can) not be disentangled from disgust’, schrijft ze in een artikel over de sublieme dimensie van leeftijd. Verwijzend naar een boek van de Duitse literatuurprofessor Winfried Menninghaus schetst ze hoe afkeer als emotie al eeuwenlang gelijkgeschakeld wordt met het stereotype van de lelijke, oude vrouw: ‘This phantasm brings together folds and wrinkles, warts, larger than usual openings of the body, foul black teeth, sunk-in hollows, drooping breasts, stinking breath, revolting habits, and a proximity to death and putrefaction.’

‘Fuck me’, Marina Otero © Ale Carmona

In Fuck me laat de Argentijnse performancekunstenaar Marina Otero op een aangrijpende manier zien hoe ze met dat doemscenario worstelt. Op haar 38ste kun je deze flamboyante kruising tussen Pedro Almodóvar en Angélica Liddell bezwaarlijk ‘oud’ noemen, maar meerdere hernia’s zorgden ervoor dat ze het repetitieproces van Fuck me in 2020 hoofdzakelijk in een ziekenhuisbed doorbracht. Het was een accident waiting to happen. Otero performde nooit bij Jan Fabre, maar ze delen wel hetzelfde motto: no pain, no gain. In een DIY-filmpje zien we hoe ze zichzelf in de studio keer op keer tegen de grond smakt. Je krimpt er plaatsvervangend van in elkaar.

De gebroken figuur die voor ons in De Singel op een stoeltje zit, is slechts een schim van de pitbull die Otero ooit was. Dansen kan ze niet meer, stappen slechts met moeite, haar tekst onthouden alleen nog via een oortje. In de plaats voert ze vijf bloedmooie, naakte mannen op als een verlengstuk van zichzelf. Het zorgt voor een interessante omkering: nu Otero haar eigen lichaam niet meer kan exploiteren, doet ze het maar by proxy. De relatie met Pablo 1, 2, 3, 4, 5 (vernoemd naar ex-geliefden) is autoritair en een tikkeltje masochistisch, maar dat wordt op een slimme manier uitgespeeld.

‘Thisisbeauty’, Lisi Estaras © Maya Wilsens

Met een pruik en rode plateauzolen aan kruipt de jongste en meest acrobatische Pablo in de huid van Otero en performt hij de laatste showchoreo die ze danste voor haar rug het begaf. Parallel zien we een smartphonefilmpje uit de repetitiezaal toen Otero wel nog in full force was. In combinatie met het melodramatische popliedje ‘Déjame llorar’ (letterlijk: ‘Let me cry for you’) gaan die twee tijden aangrijpend met elkaar schuren. Op de video zien we hoe Otero zich als lustobject door de lucht laat zweven door haar viriele, mannelijke cast terwijl de gebroken vrouw in het hier en nu moet toekijken hoe anderen haar leven hebben overgenomen.

“Met haar spectaculaire uithoudingsperformance lijkt Marina Otero koste wat het kost te willen bewijzen dat ze de limieten van haar lijf
nog altijd zelf bepaalt.”

Terwijl ze over het podium schuifelt, onthult Otero hoe ze zich als vrouw afgeschreven voelt (vandaar de wanhopige schreeuw in de titel: will somebody please fuck me?). Geloven in innerlijke schoonheid doet ze niet. De dood van de jeugd is onomkeerbaar, het vitale lichaam is het enige dat telt. Achter die romantiserende woorden wordt de existentiële strijd voelbaar van een kinderloze vrouw die haar hele leven ten dienste van haar kunstenaarschap heeft gesteld, maar nu op de grenzen van dat ethos botst. Haar woorden doen denken aan die van haar grote voorbeeld Angélica Liddell, die ze ook citeert. Maar anders dan Liddells gefrustreerde publikumsbeschimpfung in Liebestod, waarbij ze het publiek eerst allerlei verwijten naar het hoofd slingert om ons vervolgens om liefde te smeken, maakt Otero ruimte voor echte rouw, die veel minder egocentrisch is. Terwijl Liddell blijft vasthangen aan het verouderde idee dat in zelfdestructie de opperste schoonheid schuilt en ze ‘liever een Caravaggio redt dan een mens’, toont Otero de menselijke kost van die visie om zo hard samen te vallen met je eigen werk.

“In het bonte collectief waarin Florentina Holzinger artiesten van alle leeftijden en lichaamtypes heeft samengebracht, is de 80-jarige ex-balletdanseres Beatrice Cordua geen uitzondering, geen fetisj, geen freak.”

4.

Maar dan gebeurt er iets geks, dat Fuck me in een ander daglicht zet. Na het applaus keert Otero tot onze verbazing terug en begint ze als een gek rondjes te lopen op het podium. Ze gaat door tot iedereen, de technici incluis, de zaal heeft verlaten. Je voelt je een beetje gepakt op je integriteit als kijker. Was het verhaal over haar kapotte lijf dan schijn? Zijn we er platvloers ingeluisd? Ja en nee. Otero speelt het stuk nog steeds zoals het tijdens de première in 2020 werd opgevoerd, toen ze effectief niet meer kon lopen. Haar lichaam lijkt de herinnering aan de pijn nog lang niet vergeten te zijn, want je gaat volledig mee in haar doorleefde vertolking. Navraag bij haar management leert dat Otero die ondertussen voor 75% is hersteld tijdens de tournee steeds meer het gevoel begon te krijgen dat ze tegen haar publiek loog en daar iets ‘real’ tegenover wilde zetten — niet onbegrijpelijk voor iemand die het tot haar missie heeft gemaakt om haar leven te documenteren in kunst.

‘Tanz’, Florentina Holzinger © Nada Zgank

En toch. Meer dan als een verraad door de theatrale leugen (die vooral iets zegt over ons verlangen naar waarheid) voelt het rennen aan als een verraad van haar eigen boodschap: Otero wordt ingehaald door haar prestatiedrang. Met haar spectaculaire uithoudingsperformance lijkt ze koste wat het kost te willen bewijzen dat ze nog steeds de oude is en de limieten van haar lijf nog altijd zelf bepaalt. In die zin blijft ze vasthangen aan een eenzijdig beeld van het ‘aging-past-youth’ dat gerontoloog Margaret Morganroth Gullette ‘the narrative of decline’ heeft genoemd en dat ouder worden exclusief denkt in termen van verlies, beperking en het gebrek aan een toekomst. Otero stelt haar superlichaam, waarvan ze in het voorbije uur juist de kwetsbare hulpeloosheid en vergankelijkheid heeft aangetoond, daar als immuun tegenover. Het is een vreemde bocht in een voorstelling die anders zo mooi moeilijke thema’s als aftakeling en afhankelijkheid weet te verbeelden.

“Hoe vaak krijgen we in de culturele beeldvorming nog een seksueel actieve bejaarde vrouw te zien, laat staan vrouwen die geloofwaardig klaarkomen?”

Nee, dan plaatst de 80-jarige ex-balletdanseres Beatrice Cordua in Florentina Holzingers A Divine Comedy wél iets tegenover dat latente stereotiepe beeld over ouderdom. Net zoals in Tanz voert Holzinger haar samen met de rest van de driëentwintigkoppige cast poedelnaakt op, zonder uit te zijn op enig shockeffect. Naaktheid heeft bij Holzinger altijd hetzelfde statuut als een kostuum. In het bonte en inclusieve all-female collectief, waarin Holzinger artiesten van alle leeftijden en lichaamtypes heeft samengebracht, is Cordua geen uitzondering, geen fetisj, geen freak. Gewoon een vrouw met een lichaam waarop de tijd meer sporen heeft nagelaten. Dat in zijn eigen recht mooi en waardevol is, en haar een fantastische carrière heeft opgeleverd.

‘Fuck me’, Marina Otero © Maca De Noia

Tegelijk windt Cordua er geen doekjes om dat ze ouder worden behoorlijk ‘depressing’ vindt. In deze vrijelijk op Dante geïnspireerde dodendans staat zij het dichtst bij de dood, en niet alleen figuurlijk. Lopen kan ze door haar parkinson nog moeilijk, dus rijdt ze rond op een scooter. Ze wordt geplaagd door woedeaanvallen, maar wat haar nog het meest van al raakt, is dat door haar leeftijd niemand haar nog als een vrouw ziet.

Precies die verloren identiteit claimt Cordua in A Divine Comedy terug. In een bijzonder intieme scène wordt zij door het ensemble behoedzaam op een kussen gelegd, waarop performer Annina Machaz haar met een voorbinddildo penetreert tot ze klaarkomt. Ondertussen wordt haar gezicht live op een van de schermen boven de scène geprojecteerd. Op papier klinkt het controversieel en grensoverschrijdend, maar dat is het niet. Gedurfd wel, want hoe vaak krijgen we in de culturele beeldvorming nog een seksueel actieve bejaarde vrouw te zien (laat staan vrouwen die geloofwaardig klaarkomen)? De overgave die het van Cordua vraagt, bewijst dat ze ook op haar 80ste nog steeds meer risico’s durft nemen dan sommige van haar jongere collega’s. Tegelijk is het gebaar heel zorgzaam en teder. Cordua wordt liefdevol omringd door haar sisterhood, terwijl Machaz haar over het gezicht strijkt en checkt of alles goed gaat met haar.

Holzinger maakt geen taboe van de vele verlieservaringen waar Cordua bij het ouder worden mee moet omgaan. Maar ze verzacht en countert die door er een narratief van verbondenheid, liefde, fysiek genot, agency en zelfrelativerende humor naast te plaatsen. ‘An orgasm feels like dying’, zegt Cordua ergens in het begin van de voorstelling. Kun je de dood mooier provoceren? Als statement over moedig durven ouder worden kan dat tellen.

De titel boven dit stuk is gebaseerd op een quote uit ‘Fuck me’ van Marina Otero.


De Beauvoir, S. (1970). De ouderdom: situatie en zingeving in de laatste levensfase. Utrecht: Bijleveld.

Fuchs, E. (2019). Going Transchron: From the sublime of age to juvenescence. Performance Research 24:3.

Gough, R., Nakajima, N. (2019). On Ageing. Performance Research 24:3.

Gullette, M.M. (2015). Aged by culture. Routledge Handbook of Cultural Gerontology. Abingdon: Routledge.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 13 — 16 minuten

#172

01.06.2023

14.09.2023

Charlotte De Somviele

Charlotte De Somviele schrijft over podiumkunst voor De Standaard en is co-hoofdredacteur van Etcetera. Ze schoolde zich de voorbije jaren om tot klinisch psycholoog en werkt nu deeltijds in een psychiatrisch ziekenhuis.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!