© Ilias Teirlinck

Leestijd 7 — 10 minuten

DRUK (8+) – BRONKS / Gina Beuk, Linde Carrijn, Eleonore Van Godtsenhoven

Under Pressure

Op de vraag hoe het met ons gaat, antwoorden we allemaal wel eens ‘ça va, maar druk’, toch? Terwijl het aantal burn-outs jaar na jaar stijgt, wordt het maatschappelijke verlangen naar onthaasting steeds groter. In DRUK buigen Gina Beuk, Linde Carrijn en Eleonore Van Godtsenhoven zich over dat vraagstuk door er een dolgedraaide tragikomedie voor achtplussers van te maken. Welke druk leggen we op elkaar en onszelf? En hoe valt daaraan te ontkomen?

Op een donkere scène weerklinken gedempte technobeats. Wanneer de ijzig witte ledverlichting aangaat, wordt een gebricoleerde, scènebrede houten wand zichtbaar – de achterkant van een decor, zo lijkt het wel. In de verte raast de rave verder, maar hier is het rustig. Tenminste, totdat Victor Vermaerke door een dubbele deur in de muur de scène op stormt. Hij is afgemat, hijgerig, nerveus. Als een vleesgeworden fietspomp blaast hij zijn lijf lucht en moed in, om meteen het bonkende feest opnieuw te trotseren. Veel tijd om op adem te komen is er blijkbaar niet: het leven gaat verder en je kan er maar beter zo weinig mogelijk van missen.

Na hem komen ook de drie andere personages een voor een op. Ze zeggen amper een woord, maar snel herken je hun archetypes. Linde Carrijn, die haar keffende hondje aan de deur achterlaat, is een netjes uitgedoste en verzorgde dame voor wie koffie een even noodzakelijk levensmiddel als zuurstof is geworden. Gudrun Moreau speelt een advocate die onder haar formele toga een felroze jogging draagt, met het woord ‘JUICY’ in zilverdraad op haar achterwerk geborduurd. Chocoladebonbons zijn haar reddingsboei om niet te verzuipen in haar veeleisende job. En dan is er nog Gina Beuk, een jonge vrouw met een vestimentaire identiteitscrisis van formaat. Wie is ze en hoe kan ze dat door middel van haar kledij aan de buitenwereld kenbaar maken?

Backstage van het leven

Allemaal ervaren ze druk, in verschillende vormen en gradaties. Sociale druk, werkdruk, groepsdruk, tijdsdruk, zelfopgelegde druk… Ze hebben het druk-druk-druk, en stormen door de dubbele deur de scène op om daar die handelingen te verrichten die hen de moed geven om via diezelfde deur het turbulente leven weer in te stappen. In zijn eindregie speelt Jonas Baeke handig leentjebuur bij de groteske, hyperfysieke speelstijl van de deurenkomedie – wellicht het allerdrukste theatergenre dat er is. Het resultaat is een strak gecomponeerde komedie.

Alhoewel, het woord tragikomedie dekt de lading wellicht beter. Al snel realiseer je je namelijk: het feest dat zich buiten de deur voltrekt, is helemaal geen feest. Het is een stresserende aaneenschakeling van sociale verplichtingen, werkgerelateerde onoverkomelijkheden en interpersoonlijke impasses. Het is ons razende leven zelf, dat we hier dus niet te zien krijgen. In haar scenografie creëerde Chloé Wasselin Dandre een prikkelarme wachtruimte met bleke houten wanden, een donkergroen kamerbreed tapijt en plastic planten in hoopjes hydrokorrels. Ze verbeeldt daarmee een soort backstage van het echte leven, waar de actie opgeschort wordt, waar de maskers die we dagelijks opzetten afvallen en waar we even op adem kunnen komen.

Het doet denken aan Michel Foucaults notie van heterotopieën. Anders dan de denkbeeldige en geïdealiseerde ruimtes van de bekendere utopieën, zijn dit reële ruimtes die van die realiteit zijn afgescheiden met muren en toegangsdeuren. Omdat er andere wetten en gedragscodes gelden dan daarbuiten, doorbreken ze de continuïteit van ons dagelijks leven. Bekende voorbeelden zijn gevangenissen, begraafplaatsen, vakantieparken en ja, theaterzalen. Allemaal hebben ze een bemiddelende functie, omdat ze ons toelaten om ons te verhouden tot de alledaagse buitenwereld. Het zijn dus plekken met een ideologiekritisch en subversief potentieel. Dat is wat het scènebeeld in DRUK doet: het is een toevluchtsoord voor overprikkelde individuen, waar zij fysiek én mentaal afstand kunnen nemen van de dagdagelijkse ratrace en de rust kunnen vinden om daarop te reflecteren – al gebeurt dat in deze voorstelling doorgaans zonder taal.

Opgebrand en uitgeblust

Rust komt echter niet vanzelf. Gaandeweg vervalt de heldere tweedeling tussen de hectische buitenwereld en de vredige safe space. De personages belanden in steeds nerveuzere routines, alsof ze met afkickverschijnselen kampen na een verslaving aan de hustle and bustle. Carrijn prepareert bij gebrek aan een kopje de oploskoffie rechtstreeks in haar mond, Moreau holt met houterige passen van hot naar her, Vermaerke komt in een zuurstofcrisis terecht en Beuk gooit haar hele kleerkast overhoop in een ijdele poging alsnog een identiteit te vinden. De hectiek blijft in hun lichamen doorwerken tot opbranding de enig mogelijke rem wordt. Hortend en stotend vallen ze stil. Het is moeilijk af te leiden hoe een achtjarige dat beeld interpreteert, maar als volwassene herken je meteen (een kinderlijke variant van) onze burn-outcultuur.

In die opbranding wordt zelfs wat je energie gaf of je vrolijk maakte een opgave, zo blijkt wanneer het onzichtbare hondje van Carrijn plots monsterlijke proporties aanneemt. Het is een hilarisch tafereel: het hoge gekef verglijdt naar diep gegrom terwijl de felrode leiband langs de deuropening omhoogschuift. Het kleine keffertje is uitgegroeid tot een schier ontembare hellehond. Met succes slagen de uitgeblusten erin de deur te barricaderen en het briesende monster dat hun realiteit verbeeldt buiten te houden. ‘Hè hè’, verzuchten ze onwennig.

Recht op deconnectie

Als theatermaker is het natuurlijk één ding om de burn-out te verbeelden, maar nog iets anders om daar ook iets tegenover te plaatsen. Niemand zit te wachten op een lesje ‘hoe het wel moet’, maar dankzij de heterotopische speelruimte die de makers van DRUK creëerden, kunnen ze zich wel kritisch verhouden tot onze realiteit. Dat doen ze door hun personages in die rustruimte coping-mechanismes te laten ontdekken. Niet de koffie en chocolaatjes waar de personages aanvankelijk naar grijpen, maar meer fundamentele inzichten en alternatieven. Voor Vermaerkes vermenselijkte blaasbalg is dat contact met een ander, Carrijns burgervrouwtje vindt rust in een heerlijk vrije dans op het nummer ‘Orinocco Flow’ van Enya en Beuk realiseert zich in een van de weinige scènes mét tekst dat haar kledij eigenlijk niets zegt over wie ze werkelijk is. Gehuld in een stoer leren jasje kan ze een kamerplant omver schoppen, zeker, maar ze ontdekt dat ze die zonder kostuumwissel ook gerust kan verzorgen. In de speelse en ontroerende scène die volgt, verkent ze haar bewegingsvrijheid als mens. Zo leert ze vanzelf: het is niet je uiterlijke verschijningsvorm, maar het zijn je daden die bepalen wie je bent. Om haar kledingstijl maakt ze zich vervolgens niet meer druk.

Moreau – de juicy advocate – heeft misschien nog wel de interessantste oplossing gevonden om haar recht op deconnectie af te dwingen. Net voor het einde van de voorstelling valt ze om. Opstaan en doorgaan, zo dicteert de kapitalistische logica, maar Moreau blijft liggen. Ze blijft liggen tot de lichten doven. Het is een niet zo evidente, maar (in sommige gevallen) wel krachtige vorm van verzet: stilstand, onbeweeglijkheid. Van de opstandeling die de tank confronteerde op het Tiananmenplein in 1989 tot stakingen in eender welke fabriek, van kinderen die zich op de grond werpen omdat ze hun zin niet krijgen tot Gena Rowlands personage Myrtle Gordon die zich in Opening Night (John Cassavetes, 1977) aan de toneelvloer vastklampt omdat ze de vernederende slag in haar gezicht niet langer wil ondergaan. In al die gevallen wordt het verzet getekend door onverzettelijkheid.

Daarin schuilt de grote verdienste van deze geestige jeugdvoorstelling. Beuk, Carrijn en Van Godtsenhoven laten het systeem niet op die manier ontsporen dat het zichzelf kapotmaakt, om op de ruïnes vervolgens een betere – relaxtere – alternatieve realiteit te bouwen. Voor utopisch denken hebben zij te veel realiteitszin. Zij weten ook dat de druk(te) die ze verbeelden een systeem is waaraan je niet zomaar ontsnappen kunt. Dat is slechts enkelingen gegund: het veronderstelt een geprivilegieerde positie en een stevig kapitaal.

“Het denken is in deze voorstelling niet utopisch – ‘anders en beter’ –, maar heterotopisch.”

Het denken is in deze voorstelling dan ook niet utopisch – ‘anders en beter’ –, maar heterotopisch. DRUK zoekt niet naar een wereld zonder druk, maar naar hoe je als individu met die druk kunt omgaan, hoe je geconnecteerd kunt blijven door geregeld en grondig te deconnecteren en hoe je het systeem misschien niet kunt kapotmaken, maar wel in vraag kunt stellen. Wat een achtjarige daar al aan heeft, weet ik niet, maar het kan op z’n minst een gesprek mogelijk maken tussen drukke ouders en hun drukke kinderen over hoe zij elk de realiteit ervaren. Dat deze beeldende voorstelling daarin slaagt in amper vijfenveertig minuten, is een wonderlijke prestatie.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#178

15.12.2024

28.02.2025

Jens Dewulf

Jens Dewulf is theater- en filmwetenschapper en neerlandicus van opleiding. Hij werkt momenteel als verantwoordelijke communicatie, planning en productie voor theatergezelschap DE HOE.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!