Lullabye – Anneleen Keppens
Wie zorgt er voor wie zorgt?
Tom Rummens
© Bart Grietens
In het boek Dit is mijn hof van journalist en boerenzoon Chris De Stoop versterken familiedrama en politieke aanklacht elkaar wederzijds. De gelijknamige bewerking van regisseur Lynn Schutter, in première op het Zeeland Nazomerfestival, licht slechts een van deze pijlers uit. Het maakt van Dit is mijn hof een esthetisch mooie maar ongevaarlijke productie.
Aan de rand van Verdronken Land van Saefthinge ligt de Petrushoeve. Naast de toegangsweg naar die Petrushoeve staan enkele plastic tractoren in kleuterformaat, helemaal bestoft na de grote droogte van de zomer van 2025. Nutteloos alaam: de afbouw van de boerenstiel in miniatuur, alsof het speelgoed daar met opzet is neergezet. De Petrushoeve is nu een B&B, geen vee meer in de buurt en amper bewerkt akkerland; vooral groene weiden, doorsneden met smalle asfaltwegen en keurig in rechthoeken. Dit is de plek waar Theaterproductiehuis Zeeland zijn etalageproductie voor het Zeeland Nazomerfestival toont: Dit is mijn hof, een voorstelling over de teloorgang van een klein boerenbedrijf, gebaseerd op het gelijknamige boek van auteur en journalist Chris De Stoop dat intussen tien jaar oud is.
Dit is mijn hof, het boek, is een autobiografie en een reportage in één. De Stoop keerde terug naar de streek van zijn jeugd, een jeugd die hij beleefde in het poldergebied tussen de zich steeds uitbreidende Antwerpse haven en de Westerschelde. Het Land van Waas, aan de rand van Zeeuwsch-Vlaanderen: een streek getekend door de watersnood van 1953, toen bijna tweeduizend doden vielen. De streek ook die Alexander Farnese, generaal van de Spaanse koning, in 1585 liet onderlopen om op die manier Antwerpen te veroveren op de protestanten. Een landschap met trauma’s, dat langzaam wegkwijnt onder druk van de havenuitbreiding én de natuurcompensaties die nodig zijn omwille van die uitbreiding. De Stoop en zijn broer zijn boerenzonen. De broer blijft daar, zijn leven lang. Chris vertrekt, gaat naar de universiteit, wordt journalist. Wanneer het boerenbedrijf het écht moeilijk krijgt – vader was vrij jong gestorven, moeder wordt te oud – gaat hij meedraaien in het hof. Tot zijn broer er zelf een einde aan maakt. Chris zet nog even de zaak verder op kleine schaal, terwijl hij dagelijks zijn moeder bezoekt, die traag wegkwijnt.
Ziehier, in het kort, de familieroman, maar het boek reikt veel verder dan een gezinsdrama. Het leven van Chris De Stoop en zijn terugkeer naar de stallen vormen in het boek slechts een toegangspoort, aangrijpend én lezersvriendelijk, tot een veel systematischer kritiek op de ecologische engineering die over de hoofden van de polderbewoners heen wordt bedreven. Een operatie die nu al enkele decennia duurt en die alle embodied knowledge teniet doet van mensen die generaties lang de polders bewoonden en bewerkten, dijken opwierpen en grachten groeven, de dieren koesterden én wegjoegen. Hun dieren produceren weliswaar ammoniak en methaan, maar de vernietiging van de habitats aan de Westerschelde gebeurt op andere, grotere schaal: uitdieping voor nóg grotere containerschepen, megalomane dokken die dorpen in spookhuizen doen veranderen, een horizon van chemische fabrieken, industriële tuinbouw. Het landschap is vertekend, terwijl men achter een academische tekentafel ‘wilde’ natuur ontwierp waarvoor hofstedes moesten worden onteigend en polders weer onder water gezet. Mensen wegjagen, met andere woorden. Dat is de bottomline van De Stoops boek, dat af en toe een karikatuur lijkt te maken van de onkunde van planologen en steedse natuurliefhebbers. Hij wijst desondanks op een systeem dat de grote natuurverenigingen voor de kar van haar expansionisme heeft kunnen spannen. De voorstelling, in een bewerking van Koen Caris en geregisseerd door Lynn Schutter, geeft vooral de indruk dat wat het gezin De Stoop overkomt de meest treffende metafoor is voor het lot van de polders aan de Schelde.
“Schutter lijkt te kiezen voor oldskool naturalisme, maar doet dat niet altijd even consequent.”
De voorstelling heeft kortom de politieke vertaling niet gemaakt. Caris heeft alle hebbelijkheden en anekdotes die hij in het boek aantrof opgelijst en netjes op een chronologische lijn geplaatst, de tegenstellingen binnen en buiten het hof dramatisch vergroot. Deze familie krijgt bijbelse allures, wanneer moeder te pas en te onpas haar zoons – hier ‘stommeke’ en ‘slimmeke’ genoemd – met Kaïn en Abel vergelijkt, het Genesis-verhaal waarin de ene (de boer) de ander (de herder) doodt uit jaloezie. Edouard Kain (zo heet hij echt) speelt de koppige zoon, ‘stommeke’, die altijd boer gebleven is, Chiem Vreeken ‘slimmeke’. Goele Derick speelt de moeder. Schutter lijkt te kiezen voor oldskool naturalisme, maar doet dat niet altijd even consequent. Soms is een auto enkel een geluid, dan weer komt een échte auto het erf op rijden. De koeien zijn niet te zien, wel te horen: samen met andere dierengeluiden vormt hun geloei een permanente ondertoon. Maar het is geen soundscape die verbeelding prikkelt, eerder een illustratie. Wanneer bij de meest dramatische scènes ook nog een tapijt van ambient wordt uitgerold is elke nuance zoek, en wordt Dit is mijn hof een middelmatige aflevering van een routineuze Netflix-serie. Geen treurspel, enkel melodrama. Iedereen is zielig, ook wij plengen een traan.
“Iedereen is zielig, ook wij plengen een traan. “
Toch is het niet enkel kommer en kwel, en dat is te danken aan Goele Derick. Wanneer de voorstelling begint, komt zij buiten en wandelt ze bijna tien minuten lang over het erf. Ze inspecteert alles, soms raakt ze iets aan, voortdurend prevelt ze ‘ja, ja’. Zij heerst over het hof, zonder grote gebaren. Haar koppigheid blijft naklinken, tot in de laatste dagen van haar leven. Je zou er uren naar kunnen kijken; de hanengevechten van de broers zouden dan kleinzielig gekibbel worden. Maar die toon wordt niet volgehouden, en dat is een keuze. Voor de makers telt het verhaal, David tegen Goliath. David verliest, hij stapt uit dit leven.
De verregaande interpretatie is theatraal verdedigbaar, maar in het verhaal van De Stoop zelf komt die animositeit nooit op de voorgrond. Bovendien wordt ‘slimmeke’ bij Schutter steeds meer de representatie van een vijandige buitenwereld – hij rijdt zelfs in dezelfde auto als de natuurwachter. Vreeken speelt ook de rol van de andere gezagsdragers. Je krijgt dus een zwart-wit-tegenstelling waarbij ‘zwart’ alle ‘groen’ is, politiek, academisch of maatschappelijk. En ‘wit’ is dan de traditie van de polderboeren; zij worden door ‘groen’ weggepest in een complot van chemische industrie, Boerenbond, wereldvreemde academici en romantische vogelaars die worden geschilderd met grove borstelstreken. Hoogtepunt van dit manicheïstisch geweld is een razzia (die wel degelijk op het hof van De Stoop plaatsvond) waarbij agenten in gevechtskledij de boel overhoop halen, op zoek naar aanwijzingen over de hormonenmaffia. Disproportioneel, om het zacht uit te drukken, maar in de dramatische opbouw niet onlogisch.
Het is natuurlijk perfect verdedigbaar dat een bewerking verregaande keuzes maakt en uit een journalistiek boek (hoe persoonlijk-anekdotisch het ook is) enkel de theatraal bruikbare verhaallijnen overhoudt. Maar ook fictieve familietragedies die in een bredere sociale en/of politieke context zijn ingebed, zoals Henrik Ibsens Vijand van het volk of Arthur Millers All My Sons besteden vaak grondiger aandacht aan die brede omgeving dan hier gebeurt. Het volstaat niet dat de broers elkaar afblaffen of richtingloze tirades op elkaar afvuren: het commentaar van moeder op de achtergrond gaat dan cynisch klinken en dat ondermijnt de standvastigheid van haar personage. Wat voegt dit toe aan het verhaal dat De Stoop tien jaar geleden al heeft verteld? Toen veroorzaakte dat behoorlijke rimpelingen in het ecologisch eenheidsdenken en lichte onrust bij academici die objectief medeplichtig bleken aan de grootspraak van de havenindustrie. Greenwashing was, denk ik, niet de term die werd gebruikt, maar hoe kun je anders deze engineering van een eeuwenoude biotoop noemen? Het tafereel, in het boek, waarin havenbaronnen zich amuseren door met hagel te schieten op uitgezette fazanten, is het soort satire dat niet past bij het naturalisme van deze voorstelling. Bij Schutter krijg je vooral verbittering te zien, een Tsjechov, maar dan zonder melancholie. Gewoonlijk kan het mij niet veel schelen wanneer een bewerking afwijkt van een origineel, maar hier is de verarming flagrant. We hebben al documentair theater gezien dat een rijker beeld schetst, misschien ten koste van zogenaamde ‘inleving’, maar wel confronterend én aangrijpend, zoals Boerenpsalm van de Vlaamse regisseur Martha Balthazar. Waarom is hier alle politiek verdwenen, samen met de verbeelding?
“Je krijgt vooral verbittering te zien, een Tsjechov, maar dan zonder melancholie.”
Aan de Belgische rand van de polder waar de Petrushoeve staat, ligt de Antwerpse haven. Naarmate de avond valt is het contrast tussen de schaars verlichte natuur en de rode lampjes van de chemische industrie des te opvallender. Misschien had men de tribune moeten omdraaien, weg van het zicht op de hoge dijk, met de wegkwijnende hoeve tegen de achtergrond van licht- en luchtvervuiling. Dan was misschien een andere lezing ontstaan: meer strijdbaar, minder fatalistisch.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.