Confessie – Raven Ruëll & Bruno Vanden Broucke
De kunstmarkt maakt de kunstenaar
Klaas Tindemans
Jan Decorte krijgt voor zijn opera ‘The Indian Queen’ van de kinderjury op het KFDA de prijzen voor ‘Mooiste muziek’ en voor ‘Voorstelling met het meeste applaus’ © Bea Borgers
Wat betekent het als kinderen voorstellingen voor volwassenen jureren en de makers ervan bedenken met zelfbedachte prijzen? En op basis van welke criteria selecteer je de deelnemers aan een kinderjury? Dat zijn enkele van de vragen die Evelyne Coussens zich stelde naar aanleiding van de recente kinderjury’s van het Kunstenfestivaldesarts en van het kinderfestival Diep in het Bos.
Het zou een beetje voorbarig zijn om van een trend te spreken, maar het fenomeen van de ‘kinderjury’ sprong aan het eind van vorig seizoen plots tweemaal kort na elkaar in het oog. In mei presenteerde het Kunstenfestivaldesarts (KFDA) de Children’s Choice Awards, een project van het Canadese collectief Mammalian Diving Reflex. En eind augustus riep het kinderfestival Diep in het Bos in de Brusselse rand een eigen kinderjury in het leven die de geprogrammeerde voorstellingen aan een kritische blik onderwierp. Wie beide initiatieven en hun verschillende omgang met ‘de blik van het kind’ naast elkaar legt, komt tot interessante vaststellingen.
De aanwezigheid van de kinderjury op het KFDA kon nauwelijks onopgemerkt voorbijgaan. Vijftig tienjarigen uit drie Brusselse scholen woonden, verdeeld over vijf jury’s, ongeveer alle voorstellingen van het festival bij. Daarbij werden ze telkens koninklijk ontvangen, met rode loper, voorbehouden plaatsen en een welkomstapplaus. Tijdens de slotceremonie van het festival op 28 mei reikten de kinderen hun zelfgemaakte Awards (chocolade-bekers) uit aan de artiesten van hun voorkeur, op basis van criteria die ze zelf ontwikkeld hadden. The Children’s Choice Awards is maar een van de projecten waarmee Mammalian Diving Reflex ‘de (machts)verhouding tussen volwassenen en kinderen in vraag stelt’. In overeenstemming met zijn naam – verwijzend naar een techniek die zoogdieren toelaat langer onder water te overleven – onderzoekt het collectief van Darren O’Donnell sociale, politieke of intermenselijke ‘reflexen’ en opereert aldus op het snijpunt tussen het maatschappelijke en het artistieke. De output van het onderzoek kan bestaan uit activistische performances, theatervoorstellingen, happenings, theoretische teksten of dies meer – alle met een entertainende inslag, maar daarom niet minder kritisch-activerend. Op verschillende niveaus was de aanwezigheid van de kinderjury op het festival een statement – Mammalian Diving Reflex had zijn huiswerk gemaakt. Om te beginnen werd er samengewerkt met drie scholen uit verschillende Brusselse taalgroepen én met een verschillende sociaaleconomi-sche achtergrond: het Nederlandstalige Vier Winden uit Molenbeek, de Nederlandstalige Lutgardisschool uit Etterbeek en het Franstalige Aurore uit Jette. In het kielzog van de kinderen haalde Mammalian Diving Reflex bovendien ook de volwassenen in de zalen: niet enkel de pedagogen die het hele traject begeleidden, maar tijdens de slotceremonie ook vooral trotse ouders en grootouders. Sommige van die volwassenen zullen de Box van de kvs al vanbinnen gezien hebben, voor anderen zal het de eerste keer geweest zijn. Naast een communautair en sociaal statement kan de interventie van Mammalian Diving Reflex dus ook gelden als ‘publieksverbredend’ evenement.
De vraag is: waar blijft de blik van het kind in dit alles? Of: tot wie richt Mammalian Diving Reflex zich hoofdzakelijk in deze projecten – zie ook verwante acties als Haircut by children (achtjarigen knippen je haar) en Free Advice from a Teenager (laatje problemen oplossen door een vijftienjarige)? Door kinderen binnen te brengen in een context waar ze normaal geen toegang toe hebben (KFDA is geen kindertheaterfestival) affecteer je immers vooral de context. Goed, telkens wanneer de Brusselse kinderen de theaterzaal binnenstromen zijn alle blikken op hen gericht. De égards waarmee ze onthaald worden en de misschien onbekende context van een theaterzaal zullen ongetwijfeld iets met die elfjarigen gedaan hebben. Maar worden ze ook echt au sérieux genomen? Krijgen ze ook echt toegang tot de wereld van de volwassenen? Dat is immers een noodzakelijke voorwaarde om tot een zekere vorm van bewustmaking, van emancipatie te komen. Zoals pedagoog Jan Van Gils zegt: ‘Een kind wil deelhebben aan de wereld van de volwassenen. Dat zie je aan straat- of buurtfeesten: de eersten die komen helpen tafels afwassen en de vloer vegen zijn de kinderen. Daarmee eisen ze hun actorschap op: het feit dat ze een bijdrage leveren tot de maatschappij.
Die bijdrage moet door volwassenen erkend worden. Door hen in dat actorschap te bevestigen, en samen met volwassenen ervaringen te laten delen, hebben ze het gevoel deel uit te maken van de samenleving, daar volwaardige burgers van te zijn/ In het geval van The Children’s Choice Awards kon er bezwaarlijk van een volwaardig actorschap gesproken worden. De kinderen werden weliswaar toegelaten tot ‘volwassenenvoorstellingen’ – voor zover het onderscheid met ‘kindervoorstellingen’ nog geldt, daarop kom ik nog terug-, zij het mits een milde vorm van censuur: de nogal expliciete voorstelling Eden Central van Manah Depauw werd bijvoorbeeld niet geschikt geacht voor jonge kijkers. Toch volstaat die deelname niet om te kunnen spreken van actorschap. De manier waarop over de voorstellingen gesproken werd stak de kinderen immers gewoon terug in hun ‘buitenvolwassen’ hokje. Bij de uitreiking van de Awards bleek dat gesprek niet verder te reiken dan de meest oppervlakkige, zichtbare kenmerken van de voorstellingen. De buitenkant. Koddige awards voor ‘kortste rok’, of ‘langste applaus’ vlogen vrolijk de deur uit.
Maar de poging om de verhouding kinderenvolwassenen om te keren strandt daar: in een hernieuwde bevestiging van het onvermogen van kinderen om op inhoudelijk niveau iets volwaardigs te zeggen over volwassen creaties. Dat is niet erg. Het is niet het opzet van Mammalian Diving Reflex om ‘de blik van het kind’ centraal te stellen, het project pretendeert dat ook niet. Met deze ‘sociale accupunctuur’ zet het collectief kinderen in als tool om iets te zeggen over de wereld – aan volwassenen. Want het is vooral hun blik die moet geëmancipeerd worden. De kinderen zijn in hun ‘kind zijn’ slechts middel, geen doel. Hun concrete, individuele persoonlijkheid is minder aan de orde dan hetgeen zij als groep vertegenwoordigen in die voor hen ‘ongerijmde’ context. Geen gemiste kans dus – een bewuste strategie.
Van een heel andere orde is de kinderjury van Diep in het Bos– alleen al omwille van het feit dat het festival zelf van een heel andere orde is. Geen internationaal kunstenfestival, maar een kleinschalig Brussels kinderfestival op locatie in het Laarbeekbos, een samenwerking tussen de Brusselse Gemeenschapscentra, enkele Vlaams-Brabantse cultuurcentra en jeugdtheaterhuis BRONKS. Bedoeling van de kinderjury is om een nauwere betrokkenheid te creëren tussen de jonge toeschouwers en de voorstellingen, niet enkel via flankerende workshops, maar ook via inhoudelijke verdieping over de voorstellingen zelf. In dezelfde geest bestaat in Strombeek en Dilbeek trouwens al een tijdje de recensentenclub Vlotte Pennen, gerecruteerd uit de hoogste jaren van de middelbare scholen. De achterliggende idee is identiek: het proberen accuraat verwoorden ofbeschrij ven van wat gezien en beleefd werd tilt de ervaring naar een hoger niveau en laat ze langer nazinderen. Het is een interessante vorm van publieksbemidde-ling – het versterken van kwalitatieve banden met een bestaand publiek – maar ook van publiekswerving: één enthousiaste jongere (en een tevreden ouderpaar) is in staat een hele peer-group te ‘besmetten’, waardoor het enthousiasme zich uitbreidt als een olievlek. Tijdens Diep in het Bos kregen acht kinderen tussen acht en dertien jaar een stevig dagprogramma van vijfjeugdtheatervoorstellingen voorgeschoteld. Tussen en na de voorstellingen zou met programmator Wim Van Parijs, theatermaker Boukje Schweigman en mijzelf van gedachten worden gewisseld over vorm en betekenis van de voorstellingen.
Hoe zit het in dit geval met het actorschap? Steekt een ‘kinderfestival’ kinderen niet juist veel meer in een hokje dat speciaal voor hen ontworpen is, het hokje waarin voorstellingen op kindermaat worden gemaakt? Neen. Ook in het jeugdtheatercircuit vertrekken de meeste makers (de educatieve sector niet meegerekend) immers vanuit hun eigen noodzaak en artisticiteit, niet vanuit een beoogd doelpubliek: een jeugdtheater voorstelling maakt met andere woorden geen deel uit van een speciaal gecreëerde ‘”kinderwereld’ – veel makers zijn precies daar als de dood voor – maar behoort nog steeds tot de volwassenenwereld, of toch tot de fantasie van een volwassene. Bijgevolg is het onderscheid tussen kinder- en volwassenenvoorstellingen opnieuw minder relevant dan het gesprek erover – van welke orde van ‘volwassenheid’ is dat gesprek? Het is evident dat bij een concept met zo’n sterk inhoudelijk opzet – het bevorderen van de dialoog tussen en met kinderen over een artistiek product – de vraag wie deze kinderen zijn veel belang-rijker is dan het feit dat het kinderen zijn, eventueel behorend tot een bepaalde sociaal-economische groep. Logische stap is dan ook dat de kinderen geselecteerd worden, aan de hand van een cv en een motivatiebrief. En daar botsten de organisatoren van Diep in het Bos op een, zeg maar, ‘klassiek’ probleem. Naast de inhoudelijke doelstelling wilde Diep in het Bos met de kinderjury immers ook expliciet drempelverlagend werken. Het festival wilde kinderen aantrekken die anders misschien niet zouden gekomen zijn – met als doorslaggevende Verleider’ het vooruitzicht een ‘speciale’ plaats in te nemen binnen het festival, deel uit te maken van een ‘speciale’ jury die ook ‘speciaal’ zou behandeld worden – net zoals op het KFDA. Het spreekt voor zich dat deze extra verleiding zich niet in de eerste plaats richtte tot gezinnen die sowieso zouden participeren, maar eerder tot de ‘moeilijke participanten’. Op zich is die dubbele insteek – kwalitatief-inhoudelijk en drempelverlagend – natuurlijk paradoxaal. Ga je als festival op zoek naar kinderen mét cultuurervaring, wat de kwaliteit van het inhoudelijke gesprek ten goede komt; of net naar kinderen zonder ervaring, die over de drempel moeten worden gehaald? Of moet er gestreefd worden naar een evenwichtige mix tussen beide? De worsteling rond de samenstelling van de kinderjury reflecteert daarmee de spanning die elk sociaal-artistiek project ondervindt: primeert de artistieke dan wel de sociale doelstelling?
Uiteindelijk reageerden 25 kinderen, het merendeel van de reacties liep binnen na een oproep in het programma Wrap op KETNET. De kandidaten werden gescreend op basis van drie criteria: de geschikte leeftijd (tussen 8 en 14 jaar), het enthousiasme van de motivatiebrief en tenslotte de ‘cultuurervaring’ van het kind. Het laatste criterium toont hoe Diep in het Bos zich bevrijdde uit de paradox: voorbij het opzet om ook ‘minder evidente participanten’ over de drempel te krijgen, kiest het festival uiteindelijk voor het inhoudelijk gesprek. Die keuze weerspiegelt zich in de acht ‘uitverkorenen’ van de jury: stuk voor stuk hebben deze kinderen een serieuze ervaring met het kijken naar én met het staan op een bühne: de KETNET-oproep heeft onmiskenbaar een aantal kinderen uit het kinderauditie- en musicalcircuit aangetrokken. Er wordt op hoog niveau gepraat over het ‘kinderachtige’ spel van volwassenen die kinderen spelen, het belang van locatie en dictie, de esthetiek van dans. Er wordt gesproken en geluisterd, met wederzijds respect en stijgende verbazing aan de zijde van de volwassenen. Deze kinderen kijken bijzonder kritisch en kennen de codes, al komen die bij sommige kandidaten duidelijk uit een cultuurcommerciële hoek, getuige het moment waarop de benjamin – een overigens zeer welbespraakte en pientere achtjarige – tijdens een intieme voorstelling van Hanneke Paauwe ongegeneerd een zakje chips opentrekt… In de zalen van Music Hall mag het ongetwijfeld wél. Los van de verschuiving van een vertrouwdheid met cultuurcommerciële producten naar de kennismaking met minder evidente artistieke producten, blijven deze acht intelligente, open en wijsgierige kinderen toch vooral acht blanke, welgestelde, Nederlandstalige kinderen. Een sociaal statement is het niet bepaald, deze kinderjury van Diep in het Bos. Integendeel: voor sommigen is de samenstelling van de jury misschien wel een bevestiging van de heersende vooroordelen over ‘linkse elitaire hobby’s’.
Wat beide kinderjury’s eigenlijk allebei impliciet bewijzen, is het belang van leren kijken naar kunst – het belang van kunsteducatie, om het met een beetje een muf ruikend woord te zeggen. Of anders gezegd: het belang van de dialoog over kunst. In het geval van Mammalian Diving Reflex was deze inhoudelijke dialoog niet aan de orde: de kinderen waren eerder voorwerp dan onderwerp van een statement, en dat maakte het statement an sich niet minder krachtig. Bij de kinderjury van Diep in het Bos was de dialoog zeer aan de orde, alleen is het jammer dat er niet gemikt werd op een grotere mix tussen ervaren en minder ervaren kinderen. Maar wat het succes van de verdiepende gesprekken met de kinderen zeker bewees is hoe broodnodig kijkervaring en voorkennis is om tot dit soort gesprekken te kunnen komen. In die zin lijkt de ‘spontane intuïtie’ en het ‘inherente kunstinstinct’ dat kinderen soms wordt toegeschreven me een romantisch verzinsel. De idee dat een kind ‘uit zichzelf’ doordringt tot de betekenisrijkdom van een artistiek werk (en volgens sommigen doet het dat zelfs nog makkelijker dan ‘bezoedelde’ volwassenen) is nonsens. Om de eenvoudige reden dat elk kind van bij de vroegste geboorte ‘aangetast’ wordt door de wereld waarin het opgroeit – en gelukkig maar. Die wereld is, tot spijt van wie het benijdt, een neoliberale consumptiemaatschappij. Zelfs oplettende ouders zullen merken dat het erg moeilijk is om bepaalde commerciële iconen uit de leefwereld van hun kind te houden – indien ze dat wenselijk zouden achten. De smaakvoor-keuren van een kind worden dus van kleins af aan ingebed in een massacultuur die de norm vormt. Dat afwijkende vormen en inhouden, of kleinschalige en integere producties ‘spontaan’ zouden gevalideerd worden, is bijgevolg een illusie. De acht juryleden van Diep in het Bos konden iets zinnigs zeggen over kunst, niet omdat ze zoveel slimmer waren dan andere kinderen, maar omdat ze daarvóór al hadden leren kijken naar kunst. Net zoals bij volwassenen gaat ook bij kinderen dat kijken niet vanzelf- er moeten wegwijzers zijn, aanknopingspunten, triggers die de ogen openen. Kijken betekent vooral leren kijken, en daarin geholpen worden. Dat hoeft niet op een didactische, top-down manier te zijn. Een eerlijk en volwassen gesprek kan wonderen verrichten.
www.kfda.be
www.diepinhetbos.be
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.