© Sofie Jaspers

Leestijd 8 — 11 minuten

Alles gaat kapot – Abattoir Fermé

Testament van een scheve architect

Het parcours van Stef Lernous en Abattoir Fermé blijft grillig. Het afgelopen jaar maakte hij met Genesis een opgepompte, over the top versie van Alfred Jarry’s Ubu Roi, veel te megalomaan, veel te dystopisch, veel te luid, maar ook claustrofobisch kamertoneel – het publiek zit ook zélf in de kamer – over de (on)veiligheid van kunst en leven (Mij die ge graag in het donker ziet). Plus een soort docufictie over de ontsporingen van de rock-‘n-roll in het New Yorkse Chelsea Hotel (Hotel Chelsea). Variaties op de hel waar we allemaal op een gegeven moment mee in aanraking komen of, in het ergste geval, zelf in terecht komen. De hel, dat is een plek van verval, waar de bouwsels voor je ogen tot ruïnes degraderen, dat is een plek van vraatzucht en indigestie, een plek ook van machtsmisbruik en geweld dat zo gratuit is dat het wel laconiek lijkt en alleszins amoreel is. Abattoir Fermé schrijft zich in in de traditie van het grand guignol, toneelhorror als entertainment, licht, spannend en ontspannend, misschien te vergelijken met de escape rooms van vandaag. De titel van de nieuwste voorstelling, Alles gaat kapot, vat in zekere zin de carrière van dit ensemble samen, want elke samenleving-in-de-verbeelding die Lernous en zijn trouwe kompanen maken, eindigt in vernieling: van de ruimte, van de personages, van het verhaal, van de lieve vrede – als die er ooit al zou geheerst hebben. Toch is Alles gaat kapot geen résumé van de artistieke geestesgesteldheid van Abattoir Fermé: men neemt subtiel, maar wel zichtbaar afstand van het nihilisme dat – minstens aan de oppervlakte – zo kenmerkend leek. Abattoir Fermé met een boodschap? Ja en nee.

Lernous hanteert de metafoor van de bouwmeester, een dankbare figuur om het wankele en wankelmoedige karakter van de menselijke biotoop te belichamen, in lijf, geest en materie. We kennen Henrik Ibsens Bouwmeester Solness, eco-activist avant la lettre, die door zijn eigen koppigheid én de demagogie van de heersende machten ten onder gaat. En er is Howard Roark, hoofdfiguur in The Fountainhead van Ayn Rand, pleitbezorgster van radicaal egoïsme die in de architect de ultieme strijder tegen collectivistische ‘waanzin’ zag – een strijd met vallen en (heroïsch) opstaan. Lernous’ architect (hij krijgt geen naam) is van een ander kaliber, meer een uit zijn voegen gebarsten metselaar dan een visionaire ontwerper. Hij heeft geen visie, of toch niet meer: ‘Elk idee dat visionair is, is beangstigend.’ Hij kampeert op zijn werf, loopt verloren in zijn eigen kamers vol tegenstrijdigheden. Hij knipt cirkels uit papier, zaagt cirkels uit dun hout en verzamelt dat in dozen. En hij noteert alles in een dik schrift, dat hij overal meezeult. Zijn taal is een onbetrouwbaar instrument geworden, want hij geeft nieuwe namen aan de dingen – wijn is koffie, koffie is wijn – die even arbitrair zijn als de oude namen, maar waarover nog geen afspraken gemaakt zijn. Buiten is binnen, de botten zijn de ziel. Dat klinkt filosofisch, op het eerste gehoor, maar na enige reflectie eerder nonsensicaal.

De architect leeft dus tussen de cementmolen, het onafgewerkte metselwerk en de onbedekte isolatie, plus een koelkast met alleen maar restjes – scenograaf Sven Van Kuijk blijft consequent lastige ruimtes maken, geen comfortabele speelvloer. Zijn kinderen zijn op bezoek, de onverschillige dochter Astraea, en de oververhitte zoon Archon, met zijn vriendin Serendipity, tevens Archons literair agent. Hoewel ze nooit iets leest, ook niet de manuscripten van haar partner. Of zijn literair werk aanslaat is niet echt duidelijk: waarschijnlijk niet. Als hij aankomt, gaat hij meteen zijn nieuwe roman voorlezen – in ondergoed, want het stortregende buiten, hij is doorweekt. In de nattigheid smijt hij de papieren – de wereld van Lernous is radicaal analoog, niets digitalisering – om zich heen, niemand luistert naar zijn verhaal over clowns die van het padje zijn. Hij is al aan een nieuw boek bezig, opnieuw over losgeslagen clowns, zoals alle vorige. ‘De clowns zijn een metafoor voor ons’, zo beweert hij en ze zijn niet grappig, hoogstens ironisch. ‘Dystopische science-fiction’, dat is zijn genre – vintage Abattoir Fermé dus. De bouwmeester bouwt werelden, de schrijver bouwt werelden, maar ze zijn er allebei even slecht in. Vader en zoon, broer en zus, zus en schoonzus, ze voeren melancholische gesprekken, ze ontwijken de trauma’s van hun jeugd, ze klagen over honger. De vader-architect vertelt verhalen die nergens op lijken te slaan, waarvan de betekenis misschien later zal blijken (of niet). Het refrein in zijn vertelling is de aanwezigheid van de butler, van de butlers, meervoud, die als enigen overeind blijven in een wereld waarin de superrijken stikken in hun braaksel. Ze komen alleszins weinig elegant aan hun einde. De villa’s worden onbewoonbaar, de butlers blijven strak in het gelid staan, ze verstenen en het zogenaamde gepeupel kan zich niet meer herinneren waarmee die standbeelden zich ooit bezighielden.

“Abattoir Fermé deelt met ons allen, al meer dan 25 jaar, een donkerzwarte visie op de wereld. Vrolijk word je er niet van, tenzij op de vele hilarische momenten die zich voordoen.”

En dan maken ze alles, of toch heel veel, kapot. Niet dat er zoveel mooie dingen staan, maar hier eindigt het, voorlopig. Het begint meteen opnieuw, het verhaal wordt teruggespoeld, tegen een veel hoger tempo en met veel chaotischer dialogen. Alsof het een slordig re-enactment is van een vroegere gebeurtenis, namelijk het eerste bedrijf waarvan we net voordien getuige waren. Zoon en dochter spelen dit spel, terwijl de vader dementeert. Is het zo simpel? De spraakverwarring van de architect neemt toe – opnieuw herkent hij zijn schoondochter niet – maar ook Archon gaat in het rood. Nu schrijft hij een anoniem boek als een Amerikaanse roadmovie, maar het kan ook gewoon een verslag zijn van de rit naar de ‘woning’ van de architect. Men scheldt elkaar vrolijk uit, men haalt geen herinneringen meer op, men wil eindelijk weten waarom de architect hen bij zich wil. Wil hij hen iets geven? Ja, en dat blijkt letterlijk een lege doos te zijn, een metafoor voor de meest elementaire vorm van wonen. Archon en zijn vader zijn volkomen in de war, Serendipity wil een kind, enkel Astraea blijft nuchter. Tot ze verdwaalt in het poppenhuis uit haar kindertijd. Een poppenhuis dat inzakt, net als het decor.

Dan rest enkel nog de afscheidsrede van de architect. Zijn dood werd al voorzichtig geanticipeerd door zijn kroost: het is de laatste bijeenkomst. Nog één keer fantaseert hij over een ‘vuurbestendige villa op de rand van een vulkaan met zicht op een ochtenderuptie’ en over andere surrealistische stedenbouw, en dan zet hij de cementmolen in en laat een replica van zichzelf vermalen. Zelf kijkt hij zwijgend toe, als een versteende butler. De bijeenkomst (koffietafel?) gaat door, de neurose van Archon gaat door, Serendipity is zwanger. Het testament is summier – ze erven een kartonnen doos – en ze eten eindelijk, enkel wat botten. Ze mijmeren over een democratische God, en over lemmingen die democratisch beslissen zich van de rotsen te storten – ook een lievelingsparabel van de architect. Lemmingen die champagneflessen ontkurken, honderden tegelijk.

Is het overdreven om hier een boodschap in te zien? Natuurlijk deelt Abattoir Fermé met ons allen, al meer dan 25 jaar, een donkerzwarte visie op de wereld. Vrolijk word je er niet van, tenzij op de vele hilarische momenten die zich voordoen. Zoals toen Chiel van Berkel ooit bijna stikte in de kolossale hoeveelheden meel die hij binnen werkte, met een longontsteking als collateral damage. Kirsten Pieters doet dat hier nog eens over, minder gevaarlijk, met een grote tros tomaten. Soms raakt die visie ook bedolven onder de barokke overvloed, zoals in Genesis: laag op laag op laag, maar de verhaaltjes blijven dun en de conclusie is so what.

“Eigenlijk gaat er niet eens zoveel kapot in deze voorstelling. Wat er wel kapot gaat, en vernietigender dan voordien, is de taal.”

Niet zo in Alles gaat kapot. Eigenlijk gaat er niet eens zoveel kapot in deze voorstelling. Het decor zakt in, dat wel, er wordt uitgebreid met eten en drinken geknoeid, en een man in een cementmolen is een zeer gewelddadig beeld. Maar daar blijft het ongeveer bij. Wat er wel kapot gaat, en vernietigender dan voordien, is de taal. De taal bedient zich van het geheugen, we reproduceren, creatief weliswaar, de betekenissen die we geleerd hebben, maar als deze verbindingen kortsluiten, dan verdwijnt de werkelijkheid mee in de vergeetput. Wat je niet meer correct kan benoemen – dingen, gevoelens, mensen – is zinloos geworden. Tot er iemand roept dat een vlucht vooruit, recht de afgrond in, de enige oplossing is. Hij hoeft niet eens hard te roepen.

Wij hebben er als mensheid zelf voor gezorgd dat de vernietiging onafwendbaar is, door materiële ontsporingen – CO², microplastics, pesticiden, noem maar op – maar evenzeer door toe te laten dat de taal, het discours, de impact van die ontsporingen kan blijven ontkennen. Door leugens als meningen te beschouwen, door realiteiten met idealen te verwarren, door tegenstanders als vijanden te bestempelen. Dat is trouwens niet de schuld van het postmodernisme, het postmodernisme legde die perverse retoriek alleen maar bloot.

Maar ik wijk af, zoveel cultuurkritiek bevat Alles gaat kapot nu ook weer niet. Stef Lernous werkte voor deze voorstelling met zijn vaste acteurskern, zonder gasten: Chiel van Berkel, Kirsten Pieters, Tine Van den Wyngaert, Steve Geerts, net als in Mij die ge graag in het donker ziet. Vermoedelijk is het niet toevallig dat dit werk artistiek het meest efficiënt is: dit is ingehouden barok, om het met een oxymoron te zeggen. En dan verschijnt er onvermijdelijk een boodschap, en dat is geen probleem. ‘Waarom als het einddoel is om van de aarde af te vallen?’ besluit Astraea, die meer dan de anderen alles heeft geslikt. De enige zekerheid is dat de zon langer zal schijnen dan de mensheid kan overleven. Je verlaat de zaal niet met een goed gevoel, ondanks al het groteske.

Nog tot juni te zien, klik hier voor de speellijst.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 8 — 11 minuten

#179

01.03.2025

—

14.09.2025

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans (1959) is Doctor in de Rechten. Hij werkt als docent en onderzoeker aan het RITCS. Hij is actief als dramaturg en regisseerde twee toneelstukken: Bulger (2006) en Sleutelveld (2009). In 2022 verscheen The Dramatic Society. Essays on Contemporary Performance and Political Theory, bij Routledge.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!