Els Van Steenberghe

Leestijd 13 — 16 minuten

Lexicon: Jeugdtheater in Vlaanderen – anno 2007

Kindertheater! +ABC

Wat is jeugdtheater? Wat hoort thuis in een ‘Lexicon van het jeugdtheater in Vlaanderen anno 2007′? Een eensluidend antwoord bestaat niet. De antwoorden in dit artikel (dit lexicon) zijn antwoorden die wortelen in het onderzoek van de auteur naar een kindbeeld op de jeugdtheaterplanken. En zoals een onderzoek het kind is van de onderzoeker, zo is ook dit lexicon het kind van de auteur.

Dit lexicon weerspiegelt een visie op het hedendaagse jeugdtheater in Vlaanderen aan de hand van enkele voorstellingen. Geen ‘best of’ opsomming maar een verzameling voorstellingen die als exponenten zijn van karakteristieken die het Vlaamse jeugdtheaterlandschap tekenen, kleuren, bepalen, beïnvloeden. Dit lexicon nodigt uit tot een alfabetisch meanderen doorheen dit fascinerende theaterlandschap. Een theaterlandschap dat bestaat uit voorstellingen die voor –of vertrekkende vanuit een denken aan – kinderen gemaakt zijn. Voorstellingen waarvoor kinderen, als inspiratiebron en/of toeschouwers, een noodzaak zijn.

Alice

(2005 – 2006, Kopergietery)

Alice is het resultaat van een bewuste reflex binnen het (jeugd)theater om jong talent te ondersteunen. Met de voorstelling geeft de Kopergietery groen licht aan jong talent (Jo Jochems, Pepijn Lievens, Christina Vandekerckhove) onder het coachende waakoog van artistiek leider Johan De Smet. De hedendaagse jeugdtheatertaal dankt haar bestaan aan het jong wild dat zich anno de jaren zeventig van de vorige eeuw losrukte van de contemporaine, geijkte jeugdtheatertaal van gevestigde waarden. Vandaag krijgt jong talent vooral ontplooiingskansen van die gevestigde huizen om binnen het rijke landschap een eigen – in het geval van Alice multimediale – stem te ontwikkelen.

B = A in Bubbels

(1989 – 1990, Oud Huis Stekelbees)

B = A in Bubbels is een mijlpaal in de Vlaamse jeugdtheatergeschiedenis. Willy Thomas schreef de tekst, Guy Cassiers (toen artistiek leider van Oud Huis Stekelbees) regisseerde, An De Donder en Jacqueline Kapetin namen het spel voor hun rekening. Deze voorstelling draagt het leidmotief in zich dat Cassiers’ werk brandmerkt: het ‘Kaspar Hausermotief’ of het zoeken naar een taal om te kunnen zeggen wat men wil zeggen. Deze zoektocht naar een taal, is een zoektocht waarmee de jongste mensen het meest expliciet geconfronteerd worden. Want opgroeien is synoniem voor het verwerven van taal, van taalvaardigheid, van een vaardigheid die een mens in staat moet stellen om te communiceren met de buitenwereld. De verwerving van die vaardigheid, van een (eigen) taal én de problemen, fascinaties, vragen, twijfels die dat met zich meebrengt, groeide uit tot een leidmotief/thema binnen hedendaags jeugdtheater.

La Cifra

(1990 – 1991, Oud Huis Stekelbees)

Ook met La Cifra slaat regisseur Guy Cassiers gensters als artistiek leider van Oud Huis Stekelbees. Deze voorstelling is niet de eerste maar wel één van de belangwekkendste theatervoorstellingen mét kinderen, nadat pionierster Eva Bal deze theatervorm eind jaren zeventig in Vlaanderen introduceerde. Op basis van het gelijknamige gedicht van Jorge Luis Borges creëert Cassiers een innemende theatertekst en voorstelling met en voor allochtone kinderen. Kinderen die dus nog harder met die taalverwerving én het vinden van een thuisgevoel, een nest, een eigen plek waar ze zich kunnen uitdrukken… worstelen. Een gegeven dat vandaag regelmatig opduikt op de (hedendaagse) jeugdtheaterplanken. Met Bruine Suiker (2001/2002 en in 2002/2003 opnieuw in première bij het Publiekstheater) van Chokri Ben Chikha als een expliciet voorbeeld daarvan.

Drie Zusters

(2003 – 2004, Zeven)

De oorspronkelijke tekst van Anton Tsjechov wordt voor het (jeugd)theatergezelschap van Inne Goris, Zeven, bewerkt door Bart Moeyaert. En dit keer (Moeyaert schreef in 2000/2001 al het opmerkelijke Rover Dronkeman voor luxemburg) ontstaat de tekst niet vanachter de schrijftafel, maar vanachter het notitieboekje in de repetitiezaal. Moeyaert wordt door Inne Goris uitgenodigd en uitgedaagd om een eigengereide interpretatie van Tsjechovs De Drie Zusters te schrijven. Het resultaat is een beklijvende, volstrekt onconventionele voorstelling die de 1000 Watt Theaterprijs 2004 wegkaapt. De creatie zelf én het feit dat deze voorstelling de prijs voor beste jeugdtheatervoorstelling in ontvangst mag nemen, doet de gemoederen hoog oplaaien. Omdat de voorstelling een aantal tegemoetkomingen aan een jong(er) publiek met de voeten treedt, wordt namelijk de vraag gesteld waarom deze voorstelling nog een ‘jeugdtheatervoorstelling’ is. Drie Zusters benadert het kinderpubliek niet betuttelend of voorzichtig maar als een constellatie toeschouwers die in staat is tot abstraheren en interpreteren van abstractie.

Eros Flux

(2002 – 2003, Fabuleus)

De jonge choreograaf Randi De Vlieghe creëert met Eros Flux een organisch dansvocabularium dat zich uit in golvende, in elkaar overvloeiende bewegingen die een verhaal kleuren of emotioneel vertolken. De Vlieghe werkt vaak met jonge, onervaren lichamen die een uitzonderlijke souplesse combineren met een spontaniteit die eigen is aan een gezond, veerkrachtig en jong lichaam. De Vlieghe is huischoreograaf van Fabuleus dat zich als een huis profileert waar theater en dans voor en met kinderen en jongeren gecreëerd wordt. Uit dezelfde stal komt ook het choreografenduo Joke Laureyns en Kwint Manshoven. Een duo dat eveneens bij voorkeur dansvoorstellingen creëert met ontluikende lichamen. Ook hun danstaal wordt gekenschetst door bewegingszinnen en -patronen die inherent aan de motoriek van een kinderen jongerenlichaam verbonden zijn. Hun danstaal genereert creaties die in hun frivole, speelse kwetsbaarheid kinderlichamen tot abstracte tekens van levenslust, koestering en warmte maken. Voorbeelden zijn hun Dromen hebben veters (2003/2004, Fabuleus) alsook het recente Acte Gratuit (2006/2007, Kopergietery).

Fietsen

(1994 – 1995, Het Gevolg)

Theater voor kleuters is een moeilijke, riskante onderneming omdat deze jongste toeschouwers een bijzonder korte concentratieboog bezitten. Naast het Gentse 4Hoog, spant het Antwerpse theater Luxemburg – waar Arlette van Overvelt de drijvende kracht is – zich al jarenlang in om ook deze mensen op hun theaterwenken te bedienen. Van Overvelt kreeg bij het Turnhoutse Het Gevolg van Ignace Cornelissen als jonge regisseuse de kans om haar eigen taal te ontwikkelen. Met Fietsen (naar de gelijknamige tekst van Gregie De Maeyer) bewees ze over een gracieuze theatertaal te beschikken die zich in haar fijnzinnigheid laat lezen ALS een warme, tere én subtiel grappige poëtiek voor de allerkleinsten.

Gezegend Zij

(2001 – 2002, Kopergietery)

In deze monoloog kruipt theatermaakster Pascale Platel in de huid van Elisabeth, de moeder van Johannes De Doper en de tante van Jezus Christus om vanuit haar perspectief het levensverhaal van Jezus Christus te vertellen. Platel belichaamt een sterk oprukkende jeugdtheatertendens waarin theatermakers zich niet zozeer meer vastpinnen op een doelgroep maar op een herkenbaar thema voor jong en oud. Dit is een (niet zelden filosofisch) thema dat op een even hilarische, heldere als ontroerende manier wordt bespeeld mét aandacht voor dubbele bodems. Enkel de meer volwassen toeschouwers kunnen die ontdekken, zonder dat hun jongere collega’s zich daardoor overbodig of achteruitgestoken voelen. Platel kan haar publiek simultaan op verschillende niveaus boeien, prikkelen en de lachstuipen bezorgen.

Het kleine sterven (een poging om drie dagen niet te zijn)

(1999 – 2000, hetpaleis)

Deze tekst en voorstelling van Dimitri Leue vertolkt een belangrijk aspect binnen het hedendaagse jeugdtheater dat ernst koppelt aan speelse (taal)poëtiek. De onbevangenheid van kinderpersonages wordt ingezet om ernstige, levensbedreigende situaties op een tedere, herkenbare én tevens hoopvolle manier te verbeelden en te ensceneren. ‘Zonder HOOP geen jeugdtheatervoorstelling’ lijkt wel een onge-schreven regel. Het blijft ‘not done’ de jongsten een desolaat en weinig tot niet hoopvol werelden mensbeeld voor te houden. Zonder hoop is er geen leven mogelijk. Dit motto – en dus ook dit hoopvolle, optimistische mensen kindbeeld – lijken jeugdtheatermakers te delen, ook al staat in een voorstelling het omgaan met de dood centraal.

In Memoriam

(2005 – 2006, Musica Sacra Maastricht)

Auteur en theatermaakster Hanneke Paauwe vertaalt de minutieusheid van een kinderlijke verbeelding naar haar theatrale verbeelding. Haar paradoxaal kindbeeld (waarin romantiek en hardheid met elkaar verweven zijn) wordt getransponeerd op de scène tot een poëtisch, kinderlijk, fragiel mensbeeld waarin gruwel en frivoliteit onbeschaamd gearmd gaan. Niet zelden ontwikkelt Paauwe haar creaties buiten de geijkte theaterzaal. In Memoriam vertelt over engelengraven en doet dat letterlijk tussen de engelengraven. Hier raken ernst en ‘zoetzachte’ romantiek elkaar opnieuw aan om enerzijds een aangrijpend en anderzijds een troostend geheel te vormen.

Jan, Mijn Vriend

(2001 – 2002, Bronks)

Ook theatermaker Raven Ruëll balanceert tussen grap en gruwel in zijn (jeugd)theaterwerk. Ruëlls theatertaal is als een belichaming van de essentie van een jeugdtheatertaal: helderheid troef. Zowel in zijn ensceneren als in zijn schrijven, gebruikt Ruëll een fijnzinnige, verhalende poëtiek die zwanger is van grote, verdrukte emoties. Kinderen zijn niet langer vrolijk huppelende wezens anno 21ste eeuw maar worstelen met zichzelf, de wereld en vooral alle pijn en verdriet die de (volwassenen)wereld in een kinderleven genereert. Zowel in Jan, Mijn vriend (een bewerking van de gelijknamige roman van Peter Pohl) als in Stoksielalleen(2003/2004, Bronks), voert Ruëll dergelijke getormenteerde (kind)personages op. Het zijn personages die moedig hun verhaal vertellen. Het zijn personages voor wie vertellen nog de enige zin in het leven lijkt. Personages die van een moedig maar tegelijk wanhopig en onzeker kindbeeld getuigen.

(De) Kikkerkoning

(1998 – 1999, Villanella)

Dat sprookjes van alle tijden zijn, wordt ook in het Vlaamse jeugdtheater-landschap onvermoeibaar aangetoond. Een van de grootste en meest getalenteerde rasvertelsters in dit landschap is An De Donder. Zij leeft zich als jeugdtheatermaakster al bijna 20 jaar uit door hedendaagse of eeuwenoude sprookjes in een (vaak multimediaal) kleedje te transformeren tot even eenvoudige als indrukwekkende vertellingen waarbij ze erin slaagt met een minimum aan middelen een maximum aan fantasiebeelden te laten ontstaan op de planken.

Lilium

(2004 – 2005, Fabuleus)

Deze dansvoorstelling is een project van de choreografes Iris Bouche en Goele Van Dijck (onder de vleugels van het Leuvense jongerentheater Fabuleus) waarbij motorisch gehandicapte jongeren de dansvloer delen met fysiek normale jongeren. Met deze voorstelling werpen Bouche en Van Dijck zich op als witte raven, die niet alleen de aandacht richten op de discriminatie van een ‘ander’ jongerenlichaam maar tevens focussen op de unieke schoonheid, gedrevenheid en gratie van deze ‘andere’ lichamen. Op die manier kaarten ze de oogkleppen aan waarmee het jeugdige lichaam in de media, maar evenzeer op de (jeugd)theaterplanken, bekeken wordt. Het jongerenlijf is tot een hip en onrealistisch stereotiep lichaam ‘gerestyled’. Er heerst, kortom, een vrij modieus en ‘mainstream’ kindbeeld op de hedendaagse jeugdtheaterscène waar een uitzonderlijk lichaam zo goed als afwezig is. Deze voorstelling toont dat ook deze jongerenlijven in een artistiek onderzoek geïntegreerd dienen te worden en (zelfs) tot drijfveren van dit onderzoek kunnen worden.

Moeder en Kind

(1995 – 1996, Victoria)

Victoria, dat gegroeid is uit Oud Huis Stekelbees, profileert zich medio jaren negentig van de vorige eeuw met een trilogie van de tandem Alain Platel-Arne Sierens. Het Gentse ‘streetlife’ diende hier als inspiratiebron tot het creëren van drie even dansante als teksttheatrale voorstellingen. Het zijn creaties – met Moeder en Kind als fakkeldrager, en want later volgden Bernadetje(1996/1997) en Allemaal Indiaan (1999/2000) – waarin kinderen als de speelballen, de maden, de boksballen, de steun en toeverlaat, de frustratie, de liefde… van de volwassen personages fungeren. Kinderen zijn in deze voorstellingen kleine zelfstandige individuen die in al hun onbezonnenheid trachten overeind te blijven in een door volwassenen chaotisch en complex gemaakte wereld. Ook hier komt duidelijk het haast idyllische kindbeeld versus het haast beschuldigende beeld van de volwassene naar voren. De volwassenen weten geen weg met zichzelf en sleuren op die manier ook het (guitig en koddig verbeelde) leven van hun kroost door het slijk. Opnieuw wordt ook deze voorstelling gekenmerkt door een fijnmazig verweven van moed en ellende, rust en lawaai, grap en gruwel, verdriet en liefde, wanhoop en hoop, kind en volwassene, en hoe deze laatsten haast in ontsteltenis mekaars gedrag gadeslaan.

Negentienhonderd

(2002 – 2003, Ultima Thule)

Poppentheater is geen synoniem meer voor Jan Klaassen. Hedendaags figurentheater is een samenspel tussen menselijke acteurs en objecten waarbij (opnieuw) de communicatie over het beleven van het leven in al zijn kleurtoonaarden centraal staat. Ultima Thule zoemt graag in op eenzaten: op stille, eenvoudige waters die betoverende, diepe gronden verbergen. Met Negentienhonderd wordt de gelijknamige roman 1900 van Alessandro Baricco geënsceneerd. Een verhaal over het leven van het jongetje Negentienhonderd dat in het jaar 1900 op een boot door een kapitein gevonden wordt, er opgroeit en met de boot vergroeit binnen zijn functie van pianist van het huisconcert. Negentienhonderd opent voor Ultima Thule de deur naar de trilogie Stekezotvanu (2003/2004), Wiedatterieris (2005/2006) en Tisaltijdiet(2006/2007) waarin auteur en regisseur Wim De Wulf opnieuw een kindpersonage, Gomaar, gedurende zijn leven volgt. Een leven waarin Gomaar ook zelf kinderen op de wereld zet. De vicieuze cirkel die het leven is, wordt niet alleen verbeeld maar ook bevraagd: het van generatie op generatie doorgeven en toch ‘mouleren’ van een kindbeeld wordt binnen deze trilogie treffend geënsceneerd.

Othello | Azen

(2001 – 2002, Het Gevolg) (2001 – 2002, HETPALEIS)

Begin eenentwintigste eeuw worden er tijdens eenzelfde seizoen (meer bepaald 2001/2002) verschillende Shakespeare bewerkingen op de (jeugd)theaterplanken gebracht. Ignace Cornelissen (artistiek leider van Het Gevolg) ensceneert Othello, Dimitri Leue bewerkt datzelfde stuk tot Azen. Cornelissen richt zich tot 8-plussers, Leue tot 14-plussers. Cornelissen focust zich duidelijk op het ontmoeten en veroveren van de eerste geliefde (zich hierbij losworstelend van het ouderlijke gezag), terwijl Leue zich meer toespitst op de liefde als conflictzaaiende entiteit. Beide pasten ze inhoud (én vorm) aan de specifieke kenmerken van hun ‘doelgroep’ aan, én beide verkozen ze Othello om een generatiekloof op de planken te brengen. Een generatiekloof tussen de dynamische, weeten leergierige jeugd en de verbitterde volwas-senen. Een kloof tussen jong of oud zijn, kind of volwassen. De manier waarop die kloof geënsceneerd is, geeft tegelijk aan op welke manier deze auteurs de jeugd en jongeren ervaren: als dappere individuen die eenzaam worden door zoveel onbegrip over hun jeugdige identiteit en opvattingen. Beide makers reflecteren én verbeelden kortom een beeld van het kind als een moedig maar eenzaam wezen.

Peep and eat

(1997 – 1998, Laika)

De trek naar locaties buiten de vertrouwde ‘black box’ is eveneens in het jeugdtheaterlandschap present. Zo benadrukt men nogmaals dat (jeugd)creaties niet zozeer een kindmaar een mensbeeld reflecteren. Jeugdtheatercreaties reflecteren een kinderlijk mensbeeld: een mensbeeld dat geworteld is in een aandacht voor het kinderlijke, het speels zijn. Dit levert niet zelden collagevoorstellingen op, zoals Hanneke Paauwe ze soms creëert. Even vaak levert het echter culinaire escapades op waarbij het publiek mee aanschuift aan de ontbijttafel van een hotel (zoals in Percursos/Hotel Tomilho van Laika, 2004/2005), of licht erotiserende sappen en spijzen krijgt toegediend (zoals in Undeuxdouce van Petit bazar Erotik, 2001/2002). Laika profileert zich als een gezelschap dat zinnelijk (eerder dan zintuiglijk) theater maakt, dat de toeschouwer – jong en oud – op een maximaal sensitieve manier wil benaderen en prikkelen. Het gezelschap hertaalt op die manier een kindbeeld tot een kinderlijk, speels mensbeeld in een samenleving waar spel alsmaar meer aan banden wordt gelegd.

Specht

(2002 – 2003, 4 Hoog)

In tegenstelling tot volwassenen lijken kinderen een grotere binding te hebben met, en aantrekkingskracht uit te oefenen op dieren. Niet zelden verschijnen er op de jeugdtheaterplanken dan ook dierenfiguren in de protagonistenrollen. Specht, in een regie van Raf Walschaerts en geschreven door Mark Jeanty, gaat pront verder op die weg zonder echter in voorspelbare stereotyperingen te vervallen. Men gaat niet zozeer streven naar een uitvergrote typering van de personages maar naar een verduidelijkende verklanking, of muzikalisering van de karakters. De muziek heeft de expliciterende rol overgenomen van de bordkartonnen decors, de extraverte acteerstijl en de protserige kostuums op een discrete, abstraherende maar emotioneel sterk kleurende manier. Hieruit blijkt een evolutie waarin het (jonge) kind als een interpreterend en niet langer een louter slikkend en observerend wezen wordt beschouwd.

Rozenblad

(2004 – 2005, Laika)

Rozenblad is een mijlpaal in de geschiedenis van dansvoorstellingen voor kleuters, die niet vanuit de verstandelijke capaciteiten maar vanuit de emotionele en empathische capaciteiten van die jonge mensen vertrekt. Resultaat: een uitgepuurde, vrij abstracte dansvoorstelling die de groeibewegingen van planten (en mensen) tot choreografische zinnen vertaalt, in een even bevreemdende, prikkelende als gestileerde scenografische omgeving, die eveneens – net als het dansvocabularium van de choreograaf Ugo Dehaes – een abstractie (stilering) blijkt van organische, natuurlijke plantenen dierenvormen.

Tom Waits for no man

(2001 – 2002, Kopergietery)

De ontmoeting tussen de krakende en snoevende melodische stem van Waits en de ranke, razendsnelle lichamen van de jeugdige dansers van de Kopergietery, in een choreografie van Ives Thuwis, geeft vonken. Vonken van het vuur dat oplaait wanneer jong en oud een mengeling van passie, bewondering, respect en ontzag voelen voor elkaar. Deze voorstelling is niet alleen een ode aan Tom Waits maar tevens een ode aan het verleden als humus voor het heden. Een ode aan een kindbeeld dat de herinnering inhoudt aan een verloren, verleden tijd. Een mensenleven is geworteld in een verleden en kan het – vanuit die herinnering aan het verleden –herbeleven, herinterpreteren en zo een nieuwe realiteit creëren. Het verleden ligt aan de basis van de creatie van heden en toekomst. Kinderen liggen aan de basis van heden en toekomst. Ze zijn de simultane verbeelding van herinnering én toekomstdroom.

Übung

(2000 – 2001, Victoria)

Kinderen zijn als volwassenen. Of anders: kinderen zijn net kleine volwassenen. En ook: elke volwassene is nog altijd degene die hij als kind was, enkel een beetje groter en wat meer uitgegroeid. Deze gedachteflarden lagen mee aan de basis van de voorstelling Übung van Josse De Pauw. De Pauw regisseerde eerst zijn volwassen acteurs op het witte doek en liet de film – een uit de hand gelopen feestje onder vrienden, waar allerlei ongemakkelijke bekentenissen en ontdekkingen worden gedaan – op de scène naspelen door kinderen. Met enkel het filmbeeld als decorelement. Door de kinderen en hun volwassen dubbelhangers (of vice versa) op deze (intermediale) manier met elkaar te confronteren, wordt er gefocust op het verschil tussen deze twee partijen. Tussen jong en oud zijn, tussen onervaren en verbitterd van ervaring zijn. Übung maakt deel uit van een trilogie bij Victoria waarvan het tweede deel, That Night Follows Day (in een tekst en regie van Tim Etchells), op 4 mei 2007 in première ging

(De) Verrassing

(2004 – 2005, Kopergietery)

Eva Bal, de regisseuse van deze voorstelling, is niet enkel een theatermaakster die noodzakelijk vóór maar ook noodzakelijk mét kinderen werkt. Kinderen zijn haar drijfveer en inspiratiebron omwille van hun moed, hun doorzettingskracht en hun onvermoeibare hoop in het leven. Dat Bal regelmatig kiest om professioneel theater te creë- ren met kinderen, betekent daarom niet dat het (uitsluitend) voor een kinderpubliek is. Er zijn evenveel feesten als emoties: een verjaardagsfeest, een huwelijksfeest, een begrafenisfeest… Door met tengere kinderlichamen te werken, wil Bal in De Verrassing de paradox die aan elk feest ten grondslag ligt, blootleggen. Op elk feest – vrolijk of verdrietig – is er vreugde en pijn. Bal streeft naar een beeld van een kind als een oprecht, integer, authentiek en kwetsbaar maar (bijna) onverwoestbaar sterk en moedig wezen dat haast als een gids voor zijn volwassen kompanen kan fungeren, net zoals de jonge spelers ook als een gids zijn voor de regisseuse door hun fantasie. Samen met hen en onmogelijk zonder hen kon Bal De Verrassing (of breder: theater) creëren. Bals kindbeeld belichaamt niet alleen de huisfilosofie van de Kopergietery – de authenticiteit van een kind is de kiem van alle creëren, nadenken en produceren in dit Gentse kinderkunstenhuis – maar verbeeldt tevens het prioritaire vertrekpunt van hedendaags jeugdtheater. De al dan niet vermeende authenticiteit van een kind is het favoriete afstootblok van hedendaagse jeugdtheatermakers.

Wortel van Glas

(2002 – 2003, HETPALEIS)

Ook met Wortel van Glas dat – in tegenstelling tot Übung – wél een jeugdtheatervoorstelling is, slaat De Pauw gensters. De Pauw schreef en regisseerde, Stefan Perceval speelde en glaskunstenares Maria Roosen leverde het decor af.

De Pauw laat het jongetje Wortel van Glas vertellen over zijn Nonkel Biet, en verplaatst zich zo naar zijn kindertijd. De Pauw vertrok voor deze creatie vanuit het ontzag dat hij als jonge knaap eigenlijk diende te hebben voor de wijsheden van de hem omringende, oudere mensen. Ontzag dat hij pas (veel) later kreeg. De voorstelling is als een ode aan een kostbaar verleden waarvan de kostbaarheid pas jaren later wordt ingeschat. Uit deze creatie spreekt een kindbeeld als een haast mijmerende, melancholi(e)sche referentie aan een verleden. Een referentie die tevens een belang voor het heden in zich draagt: een besef dat het verleden de fascinatie van en voor het heden kan prikkelen.

Zolderling | Zwijnen!

(2003 – 2004, Bronks) | (2006 – 2007, Bronks)

In 2003/2004 verbazen Jan Sobrie en Joris Van den Brande het publiek met Zolderling. Een creatie, met Jos Verbist als coach, waarin ze twee schooljongens vertolken die letterlijk op de zolderkast kruipen van onzekerheid en ellende. Ze doen dat echter met zoveel branie en guitigheid dat het (opnieuw) een voorstelling oplevert waarin moedige kindpersonages (als slachtoffers van ruziënde en/of kortzichtige volwassenen of als slachtoffers van andere (pestende) kinderen hun pijnlijk én tegelijk hilarisch relaas doen en hun fantasie gebruiken om de wereld te ontvluchten. Net als Zolderling is ook de meest recente creatie van Mieja Hollevoet, Zwijnen!, een bewerking van Shakespeares Titus Andronicus, een uitzonderlijke evenwichtsoefening tussen grap en gruwel (serieus overhellend naar dat laatste) waarbij de fantasie én de kracht van geestdriftige jonge ogen de hoop op een andere, betere toekomst uitmaakt. Deze jeugdtheatermakers beschouwen een kind als een we-zen dat zich geïsoleerd weet van de bevreemdende volwassenenwereld en daar vanuit zijn verbeelding een fris, geestdriftig en dynamisch antwoord op tracht te creëren. Kind zijn lijkt wel synoniem te staan voor het bezitten van speelse (verbeeldings)kracht om zich los te maken van een al te vernietigende wereld. Daarmee onderschrijven deze theatermakers een tendens binnen het huidige jeugdtheaterlandschap én binnen de huidige (westerse) samenleving, waarin het kind zijn als een waardevolle, rijke en zelfs te benijden positie in de samenleving wordt gezien. Kind zijn betekent namelijk (nog) kunnen reageren op vragen en situaties die volwassenen met verstomming slaan of verbitteren. Volwassenheid wordt als bitter, harder, cynischer, strammer voorgesteld, terwijl een kindertijd als fantasierijk, krachtig, integer wordt voorgesteld. Een kind op de Vlaamse jeugdtheaterplanken verbeeldt een zacht innerlijk dat moet optornen tegen een harde buitenwereld.

XYZ

Vroeger deden de bordkartonnen dienst als een veilige wereld. Nu zijn het woorden en virtuele beelden waarmee een innerlijke fantasiewereld opgeroepen wordt waarin (kind)personages weg van de echte wereld vluchten. De realiteit wordt op de planken niet langer ontkend, maar vanuit de erkenning van de werkelijkheid wordt de verbeelding als (noodzakelijke) vluchtroute geponeerd. Het Vlaamse (jeugd)theaterlandschap lijkt een kind te beschouwen als een waardevolle, integere kompaan in het leven. Het is een kameraad die – in tegenstelling tot de volwassene, die melancholisch terugblikt op die verloren kinderlijkheid – nog een ontwapenende flexibiliteit bezit om open, onbevooroordeeld in de wereld te staan en zich te herstellen van wat hij in die wereld meemaakt. Een kind lijkt een begeerd wezen dat er (nog) in slaagt zijn verbeelding te gebruiken om de werkelijkheid te benaderen en te beleven. Een kind-op-de-planken is als een herinnering aan een begeerd verleden. Als de belichaming van een nostalgisch denken.

 

artikel
Leestijd 13 — 16 minuten

#107

15.06.2007

14.09.2007

Els Van Steenberghe

Els Van Steenberghe studeerde Kunst- en Theaterwetenschappen aan de Universiteiten van Gent, Antwerpen en Stellenbosch (Zuid-Afrika). Ze verrichtte onderzoek naar het kindbeeld in het Nederlandstalige jeugdtheater en gaf het boek Groot Toneel. Teksten over jeugdtheater (2003) uit. Zij publiceert/publiceerde in Knack, De Morgen, Etcetera, Documenta, De Leeswelp en Theater & Educatie.

artikel