J.L.

Leestijd 3 — 6 minuten

Les Flamands

Vlamingen en Franstaligen: geliefde vijanden? In het theater is de tijd van het Belgique à papa voorbij. Dat heeft te maken met de verander(en)de mentaliteit in Wallonië en Brussel. En met het theater zelf, dat steeds internationaler wordt. Of is de taalgrens die Belgen van andere Belgen scheidt hier nooit zo belangrijk geweest? Serge Cruez vindt het “een eer” dat hij Herman Teirlinck heeft opgevolgd als docent scenografie in Ter Kameren, en is vol lof over mensen als Senne Rouffaer, Ann Petersen en Jo Dua, met wie hij heeft samengewerkt in KVS en NTG.

“De eigen langage van het theater,” zegt hij, “overstijgt de taalbarrière die ons van elkaar vervreemdt.”

Hij is vol lof over wat er in het Kaaitheater gebeurt en spreekt met bewondering over “de plaats die bepaalde Vlaamse dagbladen inruimen voor berichtgeving over het culturele gebeuren.” Of veel Vlamingen het met dat laatste eens zijn, is natuurlijk de vraag… Albert-André Lheureux noemt het Nederlandstalig theater “de ene helft van een geliefd wezen, het Theater. Belangrijk is dat het bestaat, niet dat het een andere dan mijn eigen moedertaal gebruikt.” Vlaamse acteurs, zegt hij, gaan professioneler te werk dan hun Franstalige collega’s. Bovendien zijn het doorgaans meer uitgesproken persoonlijkheden, en ook dat vindt hij belangrijk. Vlaamse theatermakers hebben een eenvoudiger, nuchterder kijk op hun werk dan Franstaligen, die al te vaak met hun hoofd in de wolken lopen.

Wat hem ten slotte het meest opvalt, is de manier waarop de Vlamingen omgaan met hun teksten. “Heel wat grote Belgische toneelschrijvers zijn Nederlandstalig,” voegt hij daar aan toe. Wat nog maar eens bewijst dat Walen en Francofone Brusselaars nog veel meer in Belgische termen denken dan wij… De uitlatingen van Jo Dekmine zijn preciezer en explicieter.

“Franstalige Brusselaars en Walen hebben nog minder reden om traditionele Vlaamse voorstellingen bij te wonen dan om naar hun eigen, even traditionele Théâtre National of Théâtre du Rideau te gaan,” zegt hij. “Alleen masochisten voelen iets voor voorstellingen waar acteurs van verschillend niveau in zg. Algemeen Beschaafd de groten uit de toneelliteratuur debiteren.” Wat hij belangrijk vindt, is het “nieuwe” Vlaamse theater: “… dat geen moeite heeft met zijn eigen schizofrenie en de hedendaagse expressie vormt van een volk, van zijn gevoeligheden. Het nieuwe Vlaamse theater geeft blijk van eigen allergieën, eigen ongeduld, een eigen fysiologie en een eigen erotiek. Voor het Franstalige publiek betekende het een ware ontdekking, een mirakel van anders en toch nabij zijn.

Dit theater is ondefinieerbaar. Het ontleent zijn eigenheid niet aan een eeuwenoude theatertraditie, maar aan Tadeusz Kantor, de psychiatrie, de ‘deviationistische’ dans en aan een voortdurende bevraging van onze lichamelijk-psychische gesteldheid. Het heeft gezorgd voor een opvallende toenadering tussen kunstenaars uit beide taalgemeenschappen en het publiek dat hun werk gadeslaat. De sacrosancte taal is bij dit alles een middel onder andere middelen geworden. De acteurs van Jan Fabre, Jan Lauwers en Wim Vandekeybus en de dansers van Anne Teresa De Keersmaecker zijn geen mimes. Ze spreken, maar wat ze zeggen is geen Literatuur. Ze zijn niet bang voor hun Gents of Westvlaams accent. Naargelang stemming en onderwerp spreken ze Engels of Frans. Van taboes is hier geen sprake meer.” Dekmine bewijst posthuum eer aan Radeis, ooit het gezicht van het nieuwe Vlaamse theater, “vertolkers van een specifieke humor die Engels, joods, noch Hollands is, en dus zeker ook niet Frans. Humor van het gebaar, waarbij de taal fungeert als muziek. Dit nieuwe theater vertegenwoordigt Vlaanderen in New York, Londen, Berlijn, Avignon en Parijs. Toch krijgt het van officiële zijde niet de steun die het verdient. Radeis kreeg pas op het laatste moment subsidies. Het Kaaitheater, producer van Needcompany (Jan Lauwers), Jan Fabre en Anne Teresa & Co staat op het punt bij gebrek aan middelen zijn activiteit te beperken. Omdat ze de kleinburgerlijke waarden van de ‘beschaafde cultuur’ ondermijnen? ‘Schoon’ spreken is goed. Maar spraken Permeke en Gust Desmet ‘schoon’? Of Albert Pepermans? Jan Fabre en Jan Lauwers zijn de ‘wilden’ van de schone kunsten, cineasten van onze fantasmen en gevoeligheden. Zoals in Wallonië Nicole Mossoux, Pierre Droulers, Charlie Degotte, Thierry Salmon en de mensen van Groupov en Galafronie…”

J.L.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#25

15.03.1989

14.06.1989

J.L.

artikel