Lella Cuberli (Violetta) en William Stone (Giorgio Germont) – “La Traviata”, tweede bedrijf, eerste toneel

Johan Thielemans

Leestijd 8 — 11 minuten

La Traviata in de Munt

Hoe Verdi op te voeren

Karl-Ernst en Ursel Herrmann ensceneerden Verdi’s La Traviata in de Munt. Het mirakel werkte weer. Herrmanns lezing is een les hoe Verdi moet worden opgevoerd.

Verdi is vaak het slachtoffer van zijn eigen succes: hij is zo alomtegenwoordig op de planken, op de plaat, op de radio, dat zijn muziek er aan kracht bij inboet. Hij fungeert of als cliché of als muzikaal behangpapier.

Verdi schreef een soort muziek die aansloot bij een bepaalde theaterpraktijk, waarvan we de sporen nog zien op oude foto’s met de tot grijns vertrokken mimiek, of in stomme films waar schurkachtige acteurs nog met de ogen rollen. In de courante opera-uitvoeringen zijn daar nog sporen van te vinden: de handen grijpen wanhopig in de lucht, de gebalde vuist bonst op de gezwollen borst, triomf schalt, droefheid snikt geknakt, en men sterft uitgebreid en eindeloos. Een tragedie die niet direct tot onze tijd behoort, zodat opvoeringen vaak licht belachelijk zijn.

Om het nog erger te maken, verleidt de muziek vanzelf tot aftandse gebaren. Zwakke regisseurs komen er niet uit. Verdi: oninteressant. Dus speelt men vals: men mikt op indrukwekkende decors, men werkt met “plastische” opstellingen van het koor en men laat de zangers maar begaan. Resultaat: de gemiddelde opvoeringen van de Scala. Op de televisie kan men regelmatig gedrochten als Ernani in de mise-en-scène van Ronconi zien. Laatste parel op deze tinnen kroon: de onwaarschijnlijke aan- en inkleding van Nabucco, de eerste prestatie van de nieuwe muzikale directeur, Ricardo Mutti. Te zien op alle schermen van West-Europa met hetzelfde afgrijzen.

Verdi, een verloren zaak?

Goed lezen

We weten dat hij de lievelingscomponist is van Gerard Mortier. Tijdens zijn eerste ambtsperiode heeft deze laatste verschillende werken van Verdi op het programma genomen, en de resultaten zijn erg wisselvallig geweest: van een beheerste, statische, smaakvolle Don Carlo (Deflo), over een aanvaardbare Il Trovatore tot een mislukte Macbeth (Sireuil). Ondanks de grote liefde van de directeur, liet Verdi zich niet helemaal uit de slechte gewoontes wikkelen. Toen kwam de finale test: het Herrmann-team kon er eindelijk toe gebracht worden een Verdi te doen. De keuze viel op het meest door de traditie aangevreten werk: La Traviata. En zie: het mirakel van de Herrmann-benadering werkte weer. Waarom toch, vraagt men zich af.

Het antwoord lijkt verrassend simpel. Het grote talent van het Herrmann-team (dat zijn Karl-Ernst, zijn vrouw Ursel en Geoffrey Layten) bestaat erin dat er “gewoon” goed gelezen wordt. Zij zijn begaafde lezers. Van de tekst en van de muziek. Ze hebben de nederigheid om zich ten dienste van een werk te stellen. Ze willen door eerbied en aandacht komen tot het essentiële. Als ze een tekst kiezen, dan hebben ze eerst voor zichzelf besloten dat hij de moeite waard is. Daarna komt het erop aan het werk te laten spreken. Hun tussenkomst is van die aard dat men bij het eindresultaat de indruk krijgt dat het zo moet. De vanzelfsprekendheid, meer streven ze niet na. Maar om op de scène deze kwaliteit te verkrijgen, moet er hard gewerkt en hard nagedacht en hard “aangevoeld” worden.

Bij het Herrmann-team spelen drie principes een belangrijke rol. Een werk wordt verdeeld in een eindeloze reeks betekenisdragende momenten. Het theatergebeuren moet steeds voortgaan, en de conventie van de muziek, met haar zware nadruk op het beleven van één emotie, mag de handeling niet stilleggen. Het tweede principe is dat het stuk altijd sterk in zijn geschiedkundige context geplaatst wordt, terwijl die op zichzelf in relatie tot onze tijd en onze sensibiliteit wordt gebracht. Ten slotte wordt de dramatische actie altijd verankerd in en bepaald door een ruimtelijke organisatie, die vanzelf de situaties en de emoties laat ontstaan. Met deze principes hebben de Herrmanns Mozart tot leven gebracht, met dezelfde principes doen ze wonderen bij Verdi.

Luxehoeren

La Traviata is een stuk dat ontstaan is uit typisch negentiende-eeuwse toestanden. In Parijs waren er toen luxehoeren, die het hoofd op hol brachten van zowel rijke bourgeois als van kunstenaars zoals Liszt of Dumas. Toen Dumas verliefd werd op Marie Duplessis, die heel jong aan longtering overleed, schreef hij eerst een roman en later een toneelstuk over haar: La dame au camélias. Immens succes. Verdi leefde op dat ogenblik samen met Giuseppina, een zangeres met wie hij pas jaren later zou trouwen. In zijn Italiaanse woonplaats Bussette werd zijn geliefde geminacht, omdat ze niet deftig was. Verdi vond in het verhaal van de Franse dame, die veel meer menselijke waarde had dan de goegemeente die deftigheid combineerde met hypocrisie, iets wat hem een gepaste commentaar leek op zijn eigen situatie. La Traviata werd het, de enige opera op een contemporain thema. Verdi als aanklager van de bourgeoisie.

Het is dit thema dat duidelijk aan bod komt in deze opvoering: in het eerste bedrijf is het salon beklemmend rood en van de wereld afgesloten; het grote feest, met te veel eten en drinken op tafel, is een slemperij. De gasten gritsen en graaien om elkaar heen. Een orgie is het niet; alleen het kleine, zielige, gestolen plezier van wie te vlug rijk is geworden: tijd 1850, de uitbarsting van de industriële revolutie met zijn plotselinge fortuinen. Als er veel plezier moet gemaakt worden, dan uit zich dat in het elkaar besproeien met champagne; als er een climax moet bereikt worden, dan is dat: het tafellaken naar beneden trekken en al dat fijns en heerlijks op de grond laten donderen; géén stijl dus. In deze wereld is Violetta, la Traviata (wat zeggen wil: de misleide), de trieste, hoestende koningin. In het derde bedrijf kan de lol niet op: het miezerige volkje amuseert zich met platte toneelstukjes, goedkope lala-nummertjes uit een vulgair cabaret. Het treurige van de vreugde op bestelling.

Wanneer in deze roodfluwelen wereld een jonge, onschuldige man verschijnt, die dapper en schuchter een drinklied ter ere van de gastvrouw inzet, kan het niet anders of deze demi-mondaine, deze zeer dure hoer, wordt tot in haar diepste zelf geroerd: de jonge man, Alfredo, ziet door de schijn, en ontdekt een ziel, een essentie, ontmoet de Geliefde. Een attentie, waaraan La Traviata niet kan weerstaan. Een roep, waarop ze met totale overgave en eerlijkheid antwoordt, zij, de schone aan longtering stervende. Want, zo wist het reeds Verdi, en zo toont het Herrmann-team het, dit is een stuk over dood en liefde.

Het zuivere wordt in deze opvoering op een wat wrange manier getoond: de jonge, onstuimige affaire wordt niet te midden van de bloemen van de lente uitgeleefd (dat laten we aan de smakeloze overdaad van iemand als Zeffirelli over), maar in een weids winters landschap, koud, – er wordt met echte sneeuwballen gegooid -, wit en rein. In dit hyperrealistisch tafereel zal Alfredo’s vader op de achtergrond een dreigende, zwarte figuur zijn, het vleesgeworden realiteitsprincipe, de belichaming van de burgerlijke norm. Violetta zal, merkwaardig genoeg, die norm aanvaarden, haar eigen geluk verbrijzelen, en snikkend het offer aanvaarden. Protesteren doet ze niet, zelf leeft ze met een burgerlijk bewustzijn, en omdat ze zich, dank zij dat bewustzijn, kan wegcijferen om de sociale carrière van haar geliefde mogelijk te maken, wordt ze een heldin.

De jonge man wordt van deze afspraak tussen zijn vader en zijn voorbeeldige geliefde niet op de hoogte gebracht, zodat hij zich totaal verraden waant, en de schijnwereld van zijn vader met cynisme te lijf gaat. Alfredo loopt naar de zwoele salons terug, beledigt Violetta in het openbaar, en overtreedt hiermee de welvoeglijkheid van deze besloten wereld. De ondeugd heeft ook haar gevoel voor decency: niet alles is toegelaten, waar alles toegelaten lijkt. Het losbandige plezier heeft zijn eigen wetten. Wat blijft er te doen? Alfredo wordt verstoten. Zijn vader “lijdt” in stilte en Violetta kan alleen nog maar sterven. De situatie voor het laatste bedrijf dringt zich met een dwingende logica op. Maar Verdi (en Dumas) voelen wel de pijn, walgen van de schijn, maar vinden niet de kracht om met hun wereld te breken. In de dood wordt iedereen verzoend. Ook de vader wordt alles kwijtgescholden. Hij was al die tijd verblind. Op het ultieme ogenblik komt hij tot het juiste inzicht. Zijn strakke, baatzuchtige principes steunen op valse grond. In deze regie vallen vader en zoon, na het overlijden van Violetta, in eikaars armen. Het is de vreemdste regiebeslissing van de avond, in het libretto staat het niet. En de kritische kijk op de vaderfiguur (heel goed gezongen door William Stone, die echter als figuur te jong is) valt hierdoor aan diggelen.

Duidelijk

Dit verhaal wordt met een grote duidelijkheid verteld. Commentaar is er niet, alleen het aangrijpend maken van wat de situatie, de tekst en vooral de muziek aanbrengen. Met zulke trouw aan de negentiende-eeuwse wereld geven Karl-Ernst en Ursel Herrmann aan dat deze stof en deze verhaalvorm (het melodrama) nog integraal werkzaam zijn. We leven meer in de wereld van onze grootvaders, dan dat we willen bekennen.

Hoe eenvoudig, rechtlijnig en vanzelfsprekend zulke lezing van de stof ook lijkt, toch staat ze haaks op zowat alles wat in andere theaters ter wereld met dit meesterwerk wordt aangevangen. De verrassendste aanpak manifesteert zich in de figuur van Alfredo. Dit is één van de zwaarste tenorrollen uit het repertoire. Dank zij de stentorstemmen van Domingo of Pavarotti is het drinklied uit de eerste acte uitgegroeid tot een stout stukje van overweldigend stemgeweld. De overstelpende kracht van de stem pakt niet alleen La Traviata, maar ook de hele cast en meteen de hele zaal in.

Maar bij Herrmann zou zo’n effect vloeken met de dramaturgische waarheid: dus laten ze de jonge Pool Marek Torzewski heel schuchter verschijnen, en plaatsen ze hem aan de uiterste linkerkant, côté cour: een jonge man gaat een nummertje opvoeren. Torzewski zingt vrij zacht, en de visie van Herrmann wordt hier volledig door dirigent Sylvain Cambreling gevolgd: het orkest stopt zich bijna weg. Deze mannelijke kwetsbaarheid gaat recht naar het hart van La Traviata, dat is scenisch en muzikaal overduidelijk. Dit detoneert in het smoezelige gedoe. Later zal de stem van Torzewski groeien, en in de laatste akte zal hij bij het sterfbed vanuit de diepste regionen van zijn verscheurd lichaam uitroepen: “A strazio terribile” met een vocale kracht die hij tot dan heeft opgespaard. Het gaat door het lichaam, het ontlokt een traan. Dit is opera zingen binnen een dramaturgisch concept. Meteen weze gezegd dat, als zanger en als acteur, Torzewski de boeiendste prestatie weggeeft.

Dit dramaturgisch bewustzijn vindt men ook terug in de dirigeer-stijl van Cambreling. Het hele werk wordt met een grote zin voor het detail, voor het kleine uitgevoerd. De intieme actie op het toneel, waar alles zich in kamers en salons afspeelt, wordt begeleid door kamermuziek.

Pas op het einde, wanneer Violetta aan haar ziekte bezwijkt, nadat ze net uitgeroepen heeft: “Ik herleef, wat een vreugde”, barsten de verpletterende fortissimo’s los. Alles in deze opvoering is ondergeschikt gemaakt aan een theatrale lezing.

Het theatrale effect is zo groot dat, hoe sterk de zangers in het eerste bedrijf ook zijn – en Lella Cuberli, al heeft ze last met de hoogste noten, maakt bijna alles goed door haar ranke verschijning -, het publiek na de verschillende nummers niet applaudisseert. Die taaie operaconventie wordt gelaten, omdat de fascinerende actie geen onderbreking toelaat.

Onvergetelijk

Elke opvoering van Karl-Ernst Herrmann blijft nazinderen dank zij enkele onvergetelijke beelden. Al van bij de eerste maten ontstaat er een magisch ogenblik. De opera begint met een orkestraal voorspel, waarbij de violen in de hoge registers een ragfijne melodie uittekenen. Heel mooi, maar te vaak op de radio gehoord. Herrmann laat net genoeg noten horen – heel fraai door de snarensectie gespeeld trouwens – om de luisteraar tot de conventionele reactie te laten komen, dan laat hij het doek heel traag opgaan en aan het oog wordt een fascinerend beeld geboden: een perfecte, ovale ruimte, de overheersing van het rood, een realistische lichtinval – een stuk leven, een stuk film. Dit zal een realistische opvoering worden, een uitdaging die onmiddellijk waar gemaakt wordt bij het verschijnen van het koor: elk lid speelt een rol. Dit zijn individuen, die zich toch tot een groep laten samensmelten.

Aan dit verrassende hyperrealisme beantwoordt dan de finale van het tweede bedrijf, waar de muziek een rituele oplossing opdringt. Hier staat de vader tegenover de zoon en kijkt het koor als groep met verontwaardiging en afschuw naar de gekrenkte Violetta. Dit verschil in stijl heeft het Herrmann-team feilloos gehoord en in de juiste dramatische beelden omgezet. Hier wordt niet tegen een tekst in geregisseerd. Als de traditie van de negentiende eeuw te sterk is, en juist door haar sterke druk nog werkzaam is, wordt zij zonder enig probleem gevolgd. Het is één van de geheimen van dit soort spektakel. Doet men het niet, dan krijgt men met de wraak van het materiaal af te rekenen.

Zo levert deze opvoering een les in theater maken. Een les, geput uit dat oneindige weten van Karl-Ernst en Ursel Herrmann. Daarom is het juist, deze opvoering van historisch belang te noemen, want ze toont hoe Verdi opgevoerd moet worden. Een exceptioneel moment, want zelfs in de Munt komt zo een ervaring zelden voor.

Ook voor Herrmann zelf is de opvoering belangrijk, want tot nu had hij ons misschien doen geloven dat alleen Mozart hem bijzonder lag. Na deze La Traviata is weer zoveel meer mogelijk. Even dromen: een Rigoletto, of een Norma of een Lucia di Lammermoor, allemaal prachtige stukken, allemaal bedolven onder het stof van de traditie. Werk voor de boeg, dus, tenminste als Brussel Brussel mag blijven, en de Munt zijn munten aan zoveel waardevols mag blijven besteden.

 

LA TRAVIATA muziek: Giuseppe Verdi; libretto: Francesco Maria Piave; dirigent: Sylvain Cambreling; regie: Karl-Ernst en Ursel Herrmann; medewerking aan de regie: Geoffrey Lawton; decors en kostuums: Karl-Ernst Herrmann; vertolkers: Violetta: Lella Cuberli; Alfredo: Marek Torzewski; Giorgio Germont: William Stone; Gastone: Alexander Oliver e.a.

Gezien in de Munt op 21 april (première).

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#18

15.06.1987

14.09.1987

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

artikel