Lluïsa Cunillé

Leestijd 9 — 12 minuten

La Testimone

Etcetera wil weer in elk nummer een theatertekst publiceren. In La Testimone (De Getuige) evoceert de Catalaanse schrijfster Lluïsa Cunillé de werking van de vijf zintuigen. De tekst werd gebruikt in de gelijknamige voorstelling van Caterina en Carlotta Sagna.

smaak

Beiden betrachten we hetzelfde, tot bij het hart geraken.

Ik ga veel sneller, maar hij heeft een voorsprong op mij: bij mijn aankomst is hij er misschien al.

Ik vind overal zijn voetsporen, voetsporen die reeds meerdere dagen oud zijn.

Ik kan het nog opgeven.

Maar neen, ik ga door, ik blijf niet staan, ik ga altijd door, haast zonder te ademen.

Ik sluit mijn ogen.

Ik ben nu heel dichtbij.

Als ik bij het hart beland zal ik ze openen, als ik iets hards voel zal ik even mijn ogen openen en meteen zal ik het gehele hart inslikken, zelfs als hij zich er binnenin bevindt.

Ik zal het zonder bijten inslikken.

Ik zal geen kwaad doen.

Ik wil hem geen pijn doen, zodat hij, eens binnen in mij, mijn hart kan opzoeken en het doorboren, alsof het het hart van een appel was, teruggaand van de maag naar het hart, langzaam, heel langzaam, zodat ik kan voelen hoe hij nadert, beetje bij beetje, en hoe hij het zachtjes doorboort, tot hij precies in het midden ophoudt.

reuk

De roltrappen zijn stuk. De liften zijn allemaal vol. Niemand heeft de asbakken en de papiermanden geleegd. Het is verboden te roken in de voorbehouden zones. Een, twee, drie, vier vochtvlekken in elke hoek. De geur van zure zuigelingenmelk. Twee verroeste kranen en een verstopt toilet. De ramen alle beslagen alsof er zich rook achter bevond. In de spiegels zijn er talloze mensen die elkaar in de ogen kijken terwijl het zweet hun nekken afdruppelt. Tiende verdieping, negende verdieping, achtste verdieping, zevende verdieping. Alle tafels zijn bezet of gereserveerd. Een rode roos precies in het midden en daarnaast een fles wijn en een lamsbout met aardappelen, vervolgens misschien een beetje kaas en een zwarte koffie. Een hond rekent erop dat een been aan de voeten van zijn meester valt. Zesde verdieping, vijfde verdieping, vierde verdieping, derde verdieping. Exotische parfums. Gebruinde huiden. Ongebruinde huiden. Brandblussers met groen geverfde vlammen. Extract van dennenhout en eucalyptus. Nieuwe boeken. Inktverse kranten. Hout met knopen. Hout zonder knopen. Kunstleren stoelen. Gekleurde pruiken. Lipstick. Zijden zakdoeken. Nagellak. Broeken in tergal. Zwart gepoetste schoenen en leren veters. Tweede verdieping, eerste verdieping, gelijkvloerse verdieping, kelder. De uitgang is een pijl die druipt van de witte verf. Tien auto’s laten tegelijkertijd hun motor opwarmen. Een stoomwals drukt de hete teer plat en stopt net voor de open rioolput. Op elk dak een vuile schouw. Een witte damp komt uit elke mond die niemand kust. Een, twee, drie, vier, vijf stappen. Het lichtpaneel van een benzinestation dat iedereen ‘Prettige reis’ toewenst. Een vrachtwagen hoopt de walmen in zijn buik op. Sinaasappelschillen doordrenkt van olie. De meeuwen houden de wacht op de daken van de slachthuizen terwijl de sardines ijsschaatsen aan de marktingangen. Een, twee, drie, vier, vijf kilometers. De hitte van twee tunnels. Zeebries met regendruppels. Lege schelpen. Een zwerm vliegen. Stookolievlekken. Vermolmde boten. Een, twee, drie, vier, vijf meters onder water zonder ademhalen.

tast

Is er iemand die misschien…?

Kan iemand me zeggen of niet toevallig…?

Ik zou alleen willen weten of…

Kan iemand mij misschien zeggen…?

Ik wil alleen maar weten of bij aankomst iemand je de hand schudt en je verwelkomt… Of iemand je toelacht en je op het voorhoofd kust… Of men enkel naar je knipoogt en in je wang knijpt… Of men vervolgens een hand op je schouders of rond je middel legt opdat je niet zou verdwalen… Of iemand je soms in de armen neemt…. je in de ogen kijkt en je haren streelt… in je oor fluistert.

Ik wil alleen maar weten of men de hele tijd rechtop staat of dat men mag gaan zitten… Of er veel trappen zijn… Of de deurklinken te hoog of te laag zijn… Of er stof op de trapleuningen ligt… Of er fluwelen gordijnen voor de vensters en er tapijten op de grond zijn… Of er pluchen beren in de kasten zijn…

Ik wil alleen maar weten of de stoepen erg hoog zijn… Of de wegen geasfalteerd zijn… Of er parasols zijn… Of het gebeurt dat de wind het strandzand opjaagt… Of men altijd handschoenen in zijn jaszakken moet hebben en een sjaal rond de hals… Of er koetspoorten zijn om te schuilen voor de regen… Of de laarzen in de modder wegzakken…

Ik wil alleen maar weten of de tafelranden rond of vierkantig zijn… Of de halssnoeren en de ringen erg nauw zijn… Of er deurkloppers zijn… Of de ruggen van de banken van hout of ijzer zijn… Of er in de tuinen gras of kiezel is…

Ik wil alleen maar weten of men moet uitkijken voor de braamstruiken of de cactussen… Of er omheiningen van prikkeldraad zijn… Of er opschriften zijn die zeggen ‘Opgepast voor de hond’… Of de katten hun klauwen uitslaan… Of er glasscherven op de muurkruinen zijn… Of alle messen puntig zijn… Of de pijlen vlijmscherp zijn…

Ik wil alleen maar weten of…

gehoor

Aan de hemel ontploft een grote palmboom, en uit elk van zijn bladeren ontstaat een andere palmboom, en uit ieder blad van deze palmboom ontstaat een andere palmboom, en uit ieder blad van deze palmboom ontstaat een andere palmboom, en uit ieder blad van deze palmboom onstaat weer een andere palmboom, tot al deze palmbomen uit elkaar vallen en als stof op de grond neerkomen. De mensen schreeuwen en applaudisseren voor het einde van het vuurwerk. Een orkest begint te spelen. Men sleurt stoelen aan terwijl de paren beginnen dansen op een houten verhoging. Rondom lachen sommigen om hen die dansen en anderen moedigen hen aan door in hun handen te klappen en de maat met de punten van hun tenen aan te geven. Een kind laat de enige ballon springen die zijn handen niet is ontglipt, een ander laat een fluitje of een plastieken trompet weerklinken in het oor van een kleine meisje dat begint te wenen. Jongens houden een wedstrijd in karabijnschieten aan een kermisstand. De zanger van het orkest zingt, de microfoon in één hand, met een erg lage stem en knipt met de vingers van de andere hand op het ritme van de drums. Een aan een hek vastgebonden hond blaft een andere hond toe die hem rustig aankijkt. Verderop blaffen twee andere honden terwijl een ziekenwagen of een brandweerauto voorbijrijdt, als het tenminste geen alarm is dat afging. Ik sluit de luiken, vervolgens het venster. Ik zet enkele stappen en sta stil. Van tijd tot tijd laat een kraan een druppel vallen, en de tranen van een luster worden bewogen door de tocht. Ergens lijkt een radio aan te staan, of misschien praat iemand met iemand anders. Dan sluit ik de deur en ook de gordijnen. De wekker op de nachttafel geeft aan dat het na middernacht is. Ik strek mij uit op het bed. De voeteinden van de zetel kraken, en even later kraakt de kast op haar beurt. Een mot slaat met de vleugels tegen de lamp. Ik neurie een liedje. Vervolgens leg ik een hand op een oor alsof het een schelp is en het lijkt precies alsof de zee hier is, in mijn kamer. Het laken gaat op en neer met elke ademhaling, als een golf. Ik leg zachtjes de hand op mijn hart, dat erg zwak klopt. De mot gaat voort met de vleugels tegen de lamp te slaan, alsof ze die wil doorkruisen. De voeteinden van de zetel en de kast kraken weer een beetje. Ik val in slaap. Ik begin te dromen. Ik ben op het feest, ik kijk in de lucht, naar het vuurwerk. Als het is afgelopen, laat ik het hoofd zakken en is er niemand meer, niets behalve een oudere man gezeten op een bank, ik nader hem, en ik vraag hem waar iedereen is, waar zijn ze naartoe, maar hij antwoordt mij niet en hij maakt tekens naar mij alsof … hij doof is. Ik wandel even in de straat zonder iemand te ontmoeten. Alleen nu en dan iemand die me vanuit een raam bekijkt, vanachter de gordijnen. Ik ga een bar binnen die verlaten is en ik wacht aan de toog, maar omdat er niemand komt begeef ik mij naar de uitgangsdeur, maar dan zie ik een jukebox en ik ga er naartoe, ik kies een nummer en steek een geldstuk in, binnen enkele seconden start de muziek, plots pakt iemand mij vast langs achter, ik poog mij om te draaien maar hij is sterker dan ik, zodat ik uiteindelijk bewegingloos blijf terwijl de muziek verder speelt. Ik vraag hem wie hij is, maar hij antwoordt niet. De muziek van de jukebox houdt op en dan vraagt hij mij of ik wil dat hij een ander nummer opzet, ik verzoek hem mij te laten gaan, maar hij vraagt mij opnieuw of ik een ander nummer wil horen, dus zeg ik neen. Hij zegt mij dat hij nog maar één geldstuk heeft en dat hij het nummer zal opzetten dat ik wil. Ik zeg hem opnieuw dat ik verkies dat hij er geen enkel opzet, dat ik verkies niets te horen, dan zegt hij mij dat het onmogelijk is niets te horen, dat men altijd iets hoort, ik zeg hem nogmaals dat ik niets wil horen, hij legt mijn twee handen op mijn oren en vraagt mij of ik iets hoor, ik zeg hem dat ik zijn stem hoor, hij drukt de handen harder tegen mijn oren en vraagt mij opnieuw of ik nog iets hoor, ik zeg hem van ja, dat ik zijn stem hoor, daarop drukt hij mijn hoofd nog harder tussen mijn handen en vraagt mij nogmaals of ik iets hoor, ik zeg van ja, dat ik nog altijd zijn stem hoor, hij drukt nog harder op mijn hoofd en dan hoor ik niet langer zijn stem, ik voel enkel het bloed dat klopt tegen mijn slapen, dus schreeuw ik maar ik hoor ook mijn stem niet meer, alleen het bloed dat nog harder tegen mijn slapen klopt. Ik word wakker en de mug stoot niet meer tegen de lamp aan, de zetel en de kast zijn met kraken gestopt, niets dan de wekker op het nachtkastje die doorgaat met het aangeven van het uur, ik pak hem en zet hem stil, ik sluit de ogen maar ik val niet opnieuw in slaap.

gezicht

(Met gesloten ogen)

De oogbol wordt langs de buitenkant gevormd door de harde oogrok of het oogwit met een doorboring langs de voorkant voor het hoornvlies en een andere langs de achterkant voor de oogzenuw. Binnenin de oogbol is er de iris, in het midden van de iris is er de pupil, meer naar vanbinnen is er de ooglens en helemaal achterin de retina.

(Opent de ogen en kijkt naar het publiek)

Het spel gaat als volgt: zolang ik de ogen gesloten heb kan u vooruitgaan, maar van zodra ik de ogen open moet u volkomen onbeweeglijk blijven, waar u zich ook bevindt en wat ook uw positie is, zoniet hebt u verloren en dan moet u vanaf de start opnieuw beginnen. U zal merken dat het een heel eenvoudig spel is. Het volstaat aandachtig te zijn.

(Sluit de ogen. Pauze. Opent opnieuw de ogen)

Zeer goed. U bent erg snel geweest. Ik heb niemand zien verroeren. Het spel begint zeer goed.

(Sluit de ogen. Pauze)

Ik hou ervan om naar de film te gaan om middernacht en temidden de paren te gaan zitten die naar de film kijken en elkaar tezelfdertijd liefkozen. Zij kijken elkaar nooit aan wanneer ze elkaar liefkozen, ze sluiten hun ogen of kijken recht voor zich uit, naar het scherm, en als de film ophoudt stoppen ze met liefkozen en beginnen tezelfdertijd te praten, of de ene vertrekt meteen naar de toiletten en de andere gaat aan de bar een sigaret roken. Ze blijven nooit alleen in de zaal wachten.

(Opent de ogen en kijkt naar het publiek)

Deze keer bent u helemaal niet vooruitgekomen. Als u niet langer vooruitgaat, als u niet meer risico’s neemt, dan zal niemand winnen en niemand verliezen en in dat geval is het spel echt niet plezierig.

(Sluit de ogen. Pauze)

In de bars van de cinema’s slapen, diep in de nacht, haast alle glazen in kopstand. De barkrukken lijken aan de grond genageld. Er zijn biervlekken op de toog die niet verdwijnen als men met een nagel krabt. Iemand rookt met de twee handen in de zakken. Iemand anders praat zachtjes alsof hij bidt, en de barman raakt je hand niet aan wanneer hij je je geld teruggeeft.

(Opent de ogen en kijkt naar het publiek)

Deze keer bent u een beetje vooruitgegaan, u bent al dichterbij. De volgende keer kan ik niet langer ook maar de minste beweging toestaan. Vanaf nu mag u geen enkele spier meer bewegen, ik zal niet één oogknippering dulden. Een vinger die trilt, en u moet achteraan herbeginnen.

(Sluit de ogen)

In de toiletten van de cinema’s zijn, diep in de nacht, de spiegels vol vingerafdrukken. Niemand kijkt zichzelf in de ogen tijdens het wassen van de handen. Aan het plafond zijn er twee of drie doorgebrande lampen. Op de vloer is er vleeskleurig zaagsel. Achter de deuren hoort men iemand die weent of lacht, en plotseling verschijnt een hoofd met vier voeten, of twee hoofden met twee voeten, en soms zelf een hoofd met een voet.

(Opent de ogen en kijkt naar het publiek)

Nu zie ik u ademenen, en ik zie de aders van uw hals kloppen. De volgende keer zal ik zelfs dat niet meer toestaan. Hoe spijtig zou het zijn om te moeten terugkeren nu u zo dichtbij bent.

(Sluiten de ogen)

Bij het verlaten van de cinema’s, diep in de nacht, draait niemand zich om om opnieuw de fotobeelden te bekijken. De paren keren onmiddellijk terug naar de parkings of wandelen langs de uitstalramen zonder ze te bekijken. Ik wandel achter hen aan, kijkend naar de grond of naar de nog verlichte vensterramen. Plotseling, aan een straathoek, zie ik niemand meer, alleen nog taxi’s die heel zachtjes langs mij voorbijrijden, tot ze beseffen dat ik nooit zal instappen. Wanneer de laatste taxi wegrijdt, merk ik dat iemand achter mij loopt, hij loopt sneller dan ik, maar als hij bijna op mijn hoogte is, vertraagt hij en blijft achter, drie of vier stappen achter mij, dus blijf ik staan opdat hij mij zou inhalen maar hij blijft ook staan en ik voel zijn adem in mijn nek, en wanneer ik voel dat hij op het punt staat mijn rug aan te raken keer ik mij bruusk om, maar er is niemand meer, ik zie niemand meer.

De bovenstaande tekst werd oorspronkelijk in het Catalaans geschreven. Voor de vertaling werd gebruikt gemaakt van een Engelse vertaling door John London en een Franse vertaling door Edmond Raillard. De Franse vertaling gold als basistekst.

Nederlandse vertaling: Rudi Laermans.

 

theatertekst
Leestijd 9 — 12 minuten

Lluïsa Cunillé

theatertekst