Geert Sels

Leestijd 10 — 13 minuten

Kunst in de ban van het getal

William Forsythe en Christoph Marthaler waren alleen maar de bekendsten in een reeks artistiek leiders die de voorbije maanden ontslagen werden. De rij is te lang om nog van geïsoleerde gevallen te gewagen. Wat is er aan de hand?

 

Zürich is Frankfurt niet, en Sydney is Londen niet. In elke stad voltrekken de ontslagen zich tegen een verschillende achtergrond van budgettaire, beleidsmatige of, zo klein is het soms ook, intermenselijke aard. Toch doet zich in elk van deze steden het verschijnsel voor dat lang aanvaarde evenwichten in twijfel worden getrokken. De rol en de maatschappelijke positie van cultuur blijken niet langer vanzelfsprekend; ze zijn dan ook in een kort tijdsbestek grondig herbekeken. De kaarten worden herschud, de prioriteiten opnieuw gewogen. In dat debat, als er al een is, treden niet zelden cul-tuurextrinsieke argumenten op de voorgrond. Dat maakt het de cultuursector niet makkelijker om zich te verdedigen. Er wordt gepeild naar rendabiliteit, nut en maatschappelijke relevantie. Volgens die logica is geld van de gemeenschap beter besteed naarmate meer leden en ook meer geledingen van die gemeenschap er wat aan hebben.

I

Dat we nu eenmaal leven in een neoliberale samenleving is onvoldoende als verklaring; daar beginnen de vragen pas. Stilaan reveleert zich wat er gebeurt als we alle onderdelen van de maatschappij vanuit dat eenzijdige perspectief bekijken. Het wordt duidelijk dat een hoge dosis verzakelijking nevenverschijnselen met zich meebrengt. Een wel bijzonder navrant voorbeeld van hoe de machtsverhoudingen dezer dagen in elkaar zitten, is af te lezen aan de stad Berlijn. Potsdamer Platz, het wingewest met de verpletterende nieuwbouw, is voor alle duidelijkheid opgedeeld in een Daimler-Benzen een Sony-zone. Dat is wat men letterlijk bedoelt met ‘zich op de kaart zetten’. Wereldsterren als Helmut Jahn, Rafael Moneo, Hans Kollhoff en Renzo Piano hebben met gigantische budgetten van privé-investeerders een nieuwe stad in de stad aangelegd. Op haar beurt heeft ook de overheid opdracht gegeven tot de bouw van enkele adembenemende ministeries en perscentra. Maar ze heeft geen gelijke tred kunnen houden. Het resultaat van al die inspanningen is dat het Land Berlin op dit moment tot aan zijn nek in de schulden zit: 45 miljard euro, schrijven Der Spiegel en de Frankfurter Allgemeine. 1

De stad die dankzij privé-kapitaal pronkt met zijn culturele realisaties inzake stedenbouw, ziet zich anderzijds genoodzaakt om drastisch te bezuinigen op de werking van haar culturele instellingen. Bij de drie Berlijnse opera’s is de spanning te snijden. De plaatselijke overheid mengt zich actief in het gevoerde beleid en een audiëntie bij de schepen van Financiën voorspelt doorgaans niet veel goeds. Bij de Komische Oper mag intendant Albert Kost beschikken na 2004; zijn huischoreografe Bianca Li verkoos er eind juni zelf de brui aan te geven omdat ze de artistieke omstandigheden te onzeker vond om nog kwaliteitswerk te kunnen afleveren. Bij de Deutsche Oper kreeg Udo Zimmermann in oktober te horen dat hij het seizoen nog mag uitdoen, terwijl hij vorig jaar bij het aannemen van zijn mandaat een contract kreeg tot 2007. De Berliner Philharmoniker trok vorig jaar met veel fanfare Franz Xaver Ohnesorg aan als intendant. In geen tijd groeide hij uit tot een zeer mediatieke cultuurbaas. Hij was het die de felbegeerde Simon Rattle als dirigent aan zijn orkest kon binden. In oktober werd de knoop doorgehakt dat als hij per se in dienst wou blijven het als consulent zou zijn.

Aan de andere kant van de wereld, in Sydney, deed zich een vergelijkbare situatie voor. Ook daar wou de stad zich profileren met cultuur, niet met architectuur maar met opera, en stelde daarom de ambitieuze Simone Young aan als muziekdirectrice van de Opera Austra-lia. In haar beleidsplan stond dat ze de opera op wou tillen tot een internationaal niveau. Daarvoor wou ze het orkest en het koor uitbreiden, de orkestbak vergroten, de akoestiek verbeteren en overzeese zangers en regisseurs engageren. Dit jaar maakte de raad van bestuur bekend dat hij het contract met Young na 2003 niet zou vernieuwen. ‘In zijn huidige financiële situatie kan de Opera Australia zijn toekomstvisie over de artistieke groei niet waarmaken’, was het commentaar.2

Steden beseffen maar al te goed dat zich profileren uitzicht biedt op city-marketing en dat cultuur daar dienstig kan voor zijn. Die overweging wordt openlijk gehanteerd als strategie. De stadsuitbreiding van ‘t Eilandje in Antwerpen is daar bij ons een zeer duidelijk voorbeeld van. Projectontwikkelaars schuiven culturele instellingen als Het Toneelhuis, Ballet van Vlaanderen, de Filharmonie, het Muhka en bioscoopcomplex ArtHouse naar voren om zich langs die weg te verzekeren van een publiekstoeloop. Die moet animo brengen in de wijk. Tegelijk hopen de ontwikkelaars om met het cultureel cachet, de stijl en de uitstraling van de genoemde organisaties voldoende vertrouwen te winnen bij de investeerders die nog nodig zijn om het hele plan rond te krijgen. Het symbolisch kapitaal van cultuur wordt daadwerkelijk omgezet in financieel kapitaal. Interessant zou zijn om na te gaan of cultuur tegen zijn echte ‘beurswaarde’ wordt verhandeld of slechts tegen een habbekrats op de markt komt. Dat zou al een graadmeter zijn voor de inschaling van cultuur in de huidige maatschappij.

II

Er zijn echter nog andere graadmeters voorhanden. Bijvoorbeeld dat niet alle vormen van symbolisch kapitaal even doorslaggevend zijn. Dat ondervonden William Forsythe (Frankfurt) en Christoph Marthaler (Zürich): het contract van de eerste zou niet worden verlengd, dat van de tweede voortijdig beëindigd. Wereldwijde consternatie.’ Nochtans genieten beide artiesten een excellente status in het internationaal circuit. Daarenboven staat Forsythe in de dansgeschiedenis geboekstaafd als een ijkpunt inzake verwerking van het klassieke idioom. Hij had met de stad Frankfurt een band van achttien jaar en kon op het vlak van artistieke appreciatie de voorbije twee jaar de titel voorleggen van ‘Ballet van het jaar’.4 Marthaler geldt als een vernieuwer in het operagenre en werd dit jaar met zijn Schauspiel-haus Zürich voor de tweede keer op rij uitgeroepen tot ‘Theater van het jaar’.5 Alle geloofsbrieven zijn dus voorhanden.

Toch ontsnappen ook zij niet aan de hakbijl (Marthaler uiteindelijk wel, nadat onder grote publieke druk zijn ontslag werd ingetrokken). Hun aura wordt niet langer zonder meer aanvaard. Zonder er te willen aan voorbijgaan, weze opgemerkt dat krappe stadsfinancies en deficits van de kunsthuizen wel degelijk in het geding zijn. Eveneens zal duidelijk zijn dat raden van bestuur almaar vaker bemand worden door bedrijfsleiders, die gewend zijn om snel en doortastend op te treden. Dit resultaatgericht beleid heeft tot gevolg dat een artistiek project amper nog de tijd krijgt om te rijpen. Guy Joosten, die als ambulant operaregisseur diverse steden in Europa aandoet, geeft aan dat een artiest steeds sneller moet klaarstaan met een afgewerkt concept nadat hij is gepolst voor een samenwerking. Een ander gevolg is dat een artistieke koersverandering er weinig krediet krijgt. Dat laatste is het verhaal van Marthaler, die het behoudende publiek van het Schauspielhaus Zürich in een alternatieve theaterruimte begon te confronteren met avontuurlijker werk. Het oude publiek haakte gedeeltelijk af en het nieuwe had zich nog niet opgebouwd. Toch werd de artistiek leider op de teruglopende publiekscijfers afgerekend.

Een resultaatgericht beleid scoort graag, maar in tijden van krapte neemt het genoegen met het voorkomen van calamiteiten. In het verlengde daarvan situeren zich enkele opties. Ik pik er twee uit.

De eerste is het toenemend gewicht dat aan amusement wordt toegekend. Sinds overal is doorgedrongen dat het onderscheid tussen hoge en lage cultuur achterhaald is, is het cultuurbegrip danig opgerekt. Daardoor zijn kunst en entertainment zich onderling anders gaan verhouden, al was het maar door de installering van een vrije sector in ons cultuurlandschap en door de gewijzigde kritische receptie in het musicalaanbod. Gedragen door de hoge golven van marketingoffensieven bepalen de Harry Potters en de Lord of the Rings moeiteloos de agenda van het media-aanbod. Een resultaatgericht beleid weet zich verzekerd van succes als het meegaat in de stroom van het amusement. Datgene waaraan geappelleerd wordt is het populaire.

De tweede optie is de behoudende koers en de conservatieve reflex. Hierbij wordt volop geappelleerd aan wat gekend is. Dit is het verhaal van Forsythe, die te maken kreeg met een stedelijke overheid die haar centen veel liever spendeerde aan een klassieker aanbod. In Frankfurt manifesteert dit conservatisme van de smaak zich misschien wel het scherpst. Forsythe is een choreograaf die het klassieke danserfgoed binnenstebuiten keerde en verwerkte tot er een hedendaags vocabularium uit ontstond. Aan die artiest gaan vragen om terug te keren naar het klassieke repertoire, dat is letterlijk de klok achteruit zetten. Het is tevens een aanfluiting van zijn jarenlange onderzoekstraject en een miskenning van de kunsttak die hij beoefent.

III

Wat betekent dat tegenwoordig: iets op zijn waarde schatten? De criteria zijn aan het schuiven. Steeds vaker liggen kwantitatieve gegevens aan de basis van kwalitatieve uitspraken. De macht van het getal schuilt in zijn grootte, in zijn brede verspreiding en is door dat enorme draagvlak onontkoombaar. Omdat het er zo massaal is, is zijn aanwezigheid niet te loochenen en moeilijk te negeren. In een recente discussietekst werkt Kunst en Democratie’ interessante verbanden uit tussen kwaliteit en succes op de markt. ‘Cultuur wordt – onder het mom van democratisering – steeds meer gemeten met commerciële maten. (…) De vrije markt wordt de metafoor voor de democratie, en een perfecte en legitieme democratie is er één die verkoopt zoals een topproduct uit de commerciële sfeer. Enkel wat vlot circuleert en dus “populair” is, wordt gezien als democratisch, legitiem, als instrument van directe inspraak en beslissingsmacht. (…) “Goed” zijn die dingen die massaal (kunnen) verspreid worden. (…) Datgene wat niet goed verkoopt is elitair, sektarisch en zeker niet democratisch. (…) Blijkbaar is dit niet “goed”.’

De schrijvers van de discussietekst raken hier de kern van het participatiedebat aan dat nu bijna twee jaar woedt. Het na te streven doel (bijgevolg: ‘goed’) was een zo groot en divers mogelijk publiek aan te spreken. De groep regelmatige deelnemers, klein in aantal, werd verketterd als ‘ascetische elite’.

Het spreekt vanzelf dat niet alle segmenten van het cultuuraanbod even vlot aan de man kunnen gebracht worden. Met name het compartiment kunst is soms behoorlijk complex. Dat ligt in de lijn van de verwachtingen bij een communicatievorm die zich voorneemt om een visie op de werkelijkheid te geven. Zeker nu de kunstenaar er dankzij de nieuwe media dragers bijgekregen heeft om zich uit te drukken en nu moet uittesten hoe dat best functioneert. Het vergt dus enige oefening en vertrouwdheid om naar kunst te kunnen kijken. En niet iedereen beschikt over die eigenschappen. Ook is niet iedereen bereid om zich die inspanning te getroosten. Dat is de schaduwzijde aan de autonomie van de kunst die Bart Verschaffel onder ogen durft te zien.7 Zijn redenering komt hierop neer, dat de autonomie van de kunst haar waarde fundeert, maar de kunst tegelijk in een isolement plaatst. Naarmate de kunst zich verder institutionaliseert en haar eigen geschiedenis maakt, wordt ze moeilijker en dus ontoegankelijker. Daardoor worden de vrijheid en de ongebondenheid van kunst en kunstenaar problematisch: als kunst niet dienstbaar gemaakt mag worden, is het niet duidelijk waarom of voor wie ze belangrijk zou zijn.

Twee bijgedachten. Eén. Als de autonomie van de kunst een schaduwzijde heeft, is dat uitgangspunt dan nog houdbaar? Het is opmerkelijk, maar welke capriolen het participatiedebat ook maakte, dit beginsel is nooit ernstig onder druk komen te staan. Vrij vroeg in het debat wees de toenmalige minister van Cultuur Bert Anciaux erop dat hij in geen geval wou raken aan de autonomie van de kunstenaar. Twee. Als kunst vaak complex is, waarom zijn er dan in het participatiedebat niet meer stemmen opgegaan dat de media een belangrijke rol kunnen spelen in het ontsluiten, kaderen en becommentariëren van kunst? Op het moment dat dit misschien meer dan ooit nodig is, blijkt zich eerder het omgekeerde te voltrekken. In de breder geworden mix van onderwerpen, waaronder agendabepalende als de Potters en de Lords, dreigt het aandeel kunst ondergesneeuwd te geraken.

IV

Wat populair is, bevindt zich in het centrum van de aandacht. Wie bepaalt dat? De werkgroep van Kunst en Democratie spreekt in dat verband van ‘een anti-elitaire elite’.8 Dat is een groep die het voor het zeggen heeft en de sleutels voor de publieke opinie in handen heeft. Rudi Laermans omschrijft hen als volgt: ‘Het is een nieuwe klasse van hoger opgeleiden, progressief en politiek-correct, en die stelt zich overwegend anti-intellectualistisch op. Daarmee vormen ze een spiegelbeeld van het rechtse denken, dat eveneens het populaire en het volkse verdedigt.” Kunst en Democratie spreekt van een ‘nieuw-links’ dat door zijn opstelling zelf naar rechts verschuift.

Zijn de parallellen tussen populistisch denken en de opkomst van nieuw-rechts in Europa gerechtvaardigd? Wat gebeurt er eigenlijk als nieuw-rechts het voor het zeggen heeft? Een eerste test-case deed zich enkele jaren geleden voor bij de opkomst van het Front National in het zuiden van Frankrijk. Allicht dachten we toen nog te veel in beelden die ons overgeleverd waren uit de periode van het Derde Rijk. Achteraf bezien blijkt het niet te kloppen dat bibliotheken massaal leeggehaald zijn en dat er indexen circuleerden. De mandatarissen van de partij zullen er allicht voor gezorgd hebben dat er meer titels in de rekken kwamen die hen aanstonden, maar van het verwijderen van Entartete Kunst zijn ons geen voorbeelden bekend.

Nu nieuw-rechts recent ingebed raakte in centrumsteden met een groot cultureel potentieel, blijkt dat het allemaal subtieler in elkaar zit. Volgens de regels van de politiek voltrekt zich in volle openbaarheid een proces van herschikking van budgetten. Een pijnlijk voorbeeld is Palermo, waar wijlen Thierry Salmon in 1996 Peiithesilea ensceneerde in de immense industriële ruimtes van de meubelateliers Ducrot, omgedoopt tot Cantieri Culturali alla Zisa. Het was maar één van de realisaties van de culturele lente die burgemeester en maffiabestrijder Leoluca Orlando tot bloei bracht. Hij organiseerde het Novecento festival. Het prachtige operahuis Teatro Massimo stond in de steigers om gerestaureerd te worden. Wat is er van Palermo geworden nu Diego Camraa-rata van Forza Italia het voor het zeggen heeft? De Cantieri Culturali brandt op een zeer laag pitje, het Novecento festival is afgeschaft en het Teatro Garibaldiis herbestemd tot een marionettentheater voor toeristische doeleinden10.

In Nederland was het uitkijken naar grote steden als Rotterdam en Utrecht waar de partij van Pim Fortuyn meeregeert. Beide steden hebben af te rekenen met de herverdeling van de budgetten, steeds omdat de nieuwe be-windsploeg haar agendapunten wil realiseren ten koste van ‘oud geld’. Rotterdam is van plan meer te investeren in veiligheid, Utrecht plant grote infrastructuurwerken in de stations-buurt. In beide steden ligt de begrotingspost ‘cultuur’ volop in het vizier.

De dreigende onzekerheid omtrent de werkingsmiddelen creëert veel druk in de cultuurhuizen. In ons eigen landschap was het opmerkelijk hoe snel subsidiedossiers of projecten geurden naar de newspeak van het participatie-debat. Hier en daar zal allicht de overweging gemaakt worden of het niet beter is om de koers een beetje te temperen. Nu de canon openstaat voor realisaties uit de populaire sfeer is het zaak om er intelligent gebruik van te maken en het potentieel kritisch te bevragen. Op het beleidsvlak is het misschien eens nuttig uit te vlooien wie hier met kunst bezig is en wie met amusement. En hoeveel we van elk nodig hebben.

William Forsythe: Amerikaans choreograaf die sinds 1984 het toonaangevende Ballett Frankfurt leidt. Tevens artistiek leider van Theater am Turm. De stad wil 80 procent van de 4,9 miljoen euro per jaar aan het ballet intrekken en het theater tegen 2004 uitdoven. Forsythe zou niet productief genoeg zijn en in herhaling vervallen. Contract na 2004 niet verlengd.

Christoph Marthaler: Zwitsers opera- en theaterregisseur. Leidt sinds 2000 Schauspielhaus Zürich. In juni 2002 sprak een meerderheid zich in een referendum uit voor subsidieverhoging. Werd echter eind augustus ontslagen. Wordt verantwoordelijk geacht voor de publieksterugval. Mag onder druk van de publieke opinie zijn contract tot eind 2004 uitdoen.

Simone Young: Muziekdirectrice Opera Australia. Werkte een ambitieus programma uit voor 2004, maar dat was financieel niet haalbaar. Contract niet vernieuwd na 2003.

Nicolas Payne: Algemeen directeur English National Opera. De instelling lijdt een gecumuleerd verlies van 700.000 euro en haalde afgelopen seizoen maar 66 procent van de ticketinkomsten. Payne wordt niet in staat geacht de renovatie van het Colisseum (2.300 plaatsen) in goede banen te leiden.

Matteo Bavero: Directeur Teatro Garibaldi in Palermo. Overheid van Forza Italia schrapt 500.000 euro van het budget en herbestemt het theater tot marionettentheater voor toeristische doeleinden.

Jorge Silva Melo: Directeur Theater Lissabon. Mag sinds eind augustus uit ‘veiligheidsoverwegingen’ niet meer binnen in zijn theater. Een week na de sluiting heropende de rechtse burgemeester het Luna Park, waar straattheater en populaire revue opgevoerd worden.

Chris Dercon: Sinds 1996 directeur van het museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam. Kreeg in 1999 een zakelijk leider naast zich. Liet dit voorjaar geregeld van zich horen toen de discussie met Leefbaar Rotterdam de cultuurwereld beroerde (‘het Berlusconi-effect’). Diende in september zijn ontslag in en verkast naar München.

Franz Xaver Ohnesorg: Sinds 2001 intendant Berliner Philharmoniker. In oktober gedegradeerd tot consulent. Mag in die functie tot 2006 blijven. Accepteert voorlopig.

Albert Kost: Intendant Komische Oper Berlijn. Contract na 2004 niet verlengd.

Udo Zimmermann: Sinds eind 2001 intendant Deutsche Oper Berlijn. Kampt met verlies van 1,7 miljoen euro. Legde in september saneringsplan voor om 800.000 euro te besparen. Stapt in juni 2003 op.

1 FAZ.NET, website Frankfurter Allgemeine Zeitung, 14/10/2002. Der Spiegel, nr.42

2 Financial Times, 23/9/2002

3 De zaak-Marthaler kwam uitvoerig aan bod in The New York Times, 12/9/2002

4 Heil jaarlijkse onderscheiding door critici van Ballet International

5 Een jaarlijkse onderscheiding door critici van Theater Heute

6 De ‘kwaliteit’ van de cultuur. Omtrent consumentisme en verrechtsing. Een sneuvelnota door Jan Blommaert, Eric Corijn, Marc Holthof en Dieter Lesage. Gepubliceerd in De Standaard, 2 en 3/1/2003

7 De zaak van de kunst, Bart Verschaffel, bijdrage voor een reader in voorbereiding

8 Naar een idee van Rudi Laermans

9 De Standaard, 17/10/2002

10 Neue Zürcher Zeitung, 9/12/2002

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

#85

15.02.2003

14.05.2003

Geert Sels

Geert Sels (1965) is cultuurredacteur bij De Standaard. Voordien werkte hij onder meer bij de vrt en De Morgen. Hij is de auteur van Accidenten van een zaalwachter, over Luk Perceval.