© Jolien Naeyaert & Kim Snauwaert

Leestijd 19 — 22 minuten

Kun je iets in leven houden zonder het lief te hebben?

Pleidooi voor beleidsmakers: word meer landbouwer en minder afstandelijk observator

Theater is geen landschap, maar een landbouwgrond. En beleidsmakers zijn helaas geen landbouwers die hun grondstoffen zodanig bewerken dat ze, ook in crisistijd, optimaal tot bloei kunnen komen. Kim Snauwaert, programmator in een cultureel centrum en gedesillusioneerde maker, heeft een paar boodschappen voor hen.

In een bar in Antwerpen schalt ‘I Will Survive’ van Tina Turner door de boxen, gevolgd door ‘Don’t Stop Me Now’ van Queen. Ik zit aan de toog op mezelf te zijn en drink er mijn tweede Martini Pornstar. We zijn allemaal jong en we willen wat, want we moeten zoveel.

Ik check even mijn Instagram, waar ik zie dat een vriend die directeur is van een cultuur­centrum, een selfie post, ergens op een strand, met blazend gezicht en als opschrift: ‘De zon weet van geen ophouden hier.’ Waarop ik antwoord: ‘Zwaar leven.’ Waarop hij antwoordt: ‘Straks moet ik hier nog lijdzaam toezien hoe de zon ondergaat.’ Waarop ik terugschrijf: ‘Hebben ze daar pijnstillers? Of enkel generische rommel?’ Waarop hij van repliek dient: ‘Ik heb mijn stuff zelf meegenomen. Geen worries.’ Waarop ik vervolg: ‘Merde maat. Nog dat geluk. Hopelijk kan je snel terug naar het Vlaamse theaterlandschap.’ Waarop hij afsluit met de woorden: ‘Een van je betere grappen in tijden.’

“Ik vraag me, sinds ik de State hoorde, af in welke fase de kunstensector zit. Het beleid in ontkenning? De makers in protest. De organisaties in onderhandeling en ik ergens schommelend tussen verdriet en depressie.”

Een vriendin van me kreeg, vlak nadat ze een Ultima won, een burn­out. Op een hoogte­ punt in je carrière in de kunstensector eronderdoor gaan is niet de uitzondering op de regel, maar de regel die de regel bevestigt. Door het rustiger aan te doen en zichzelf dingen te gunnen gaat het nu minder slecht met haar. Zo volgt ze nu bijvoorbeeld een cursus permacultuur in Engeland. Autocorrect blijft maar aanhoudend ‘permacultuur’ veranderen naar ‘spermacultuur’. Ook goed.

Gisteravond stuurde ik die vriendin een bericht om te vragen wat ze al had geleerd over permacultuur en ze antwoordde: ‘Ik onthou: Each element performs many functions.’

Afstandelijk kijken

Toen ik mijn leven nog organiseerde rond mijn artistieke praktijk, dwaalde ik eens twee weken met beeldend kunstenaar en architect Jolien Naeyaert in een caravan door de Benelux. Zonder toilet, elektriciteit of wifi, wildkamperend tijdens vriestemperaturen. Joliens praktijk van dwalen ontsprong aan een architecturale crisis die ze had ervaren: vastgeklonken aan een bureau, starend naar een scherm, objecten ontwerpend om ze vervolgens in een landschap te plaatsen waar ze zich niet meer toe kon verhouden. Ze stelde zich existentiële vragen over haar beroep en dus plaatste Jolien zichzelf in een leeg landschap. Zonder te bouwen. Niet enkel om naar het landschap te kijken, maar om zich­ zelf erin te plaatsen. En telkens nam ze een andere maker daarin mee. Om te praten of om gewoon ‘te zijn’. Daar. In die nog onopgevulde leegte. In februari 2020 nam ze mij mee.

Tegen de deur van het caravantoilet – enkel te gebruiken in noodgevallen – las ik op een afge­drukte print deze quote van François Jullien die de basis vormt van haar artistieke praktijk:

(FR) ‘En définissant le paysage comme “la partie d’un pays que la nature présente à un observateur”, qu’avons-nous oublié ? Car l’espace ouvert par le paysage est-il bien cette portion d’étendue qu’y découpe l’horizon ? Car sommes-nous devant le paysage comme devant un “spectacle” ? Et d’abord est-ce seulement par la vue qu’on peut y accéder – ou que signifie “regarder”? En nommant le paysage “montagne(s)-eau(x)”, la Chine, qui est la première civilisation à avoir pensé le paysage, nous sort puissamment de tels partis pris. Elle dit la corrélation du Haut et du Bas, de l’immobile et du mouvant, de ce qui a forme et de ce qui est sans forme, ou encore de ce qu’on voit et de ce qu’on entend… Dans ce champ tensionnel instauré par le paysage, le perceptif devient en même temps affectif ; et de ces formes qui sont aussi des flux se dégage une dimension d’“esprit” qui fait entrer en connivence. Le paysage n’est plus affaire de “vue”, mais du vivre. Une invitation à remonter dans les choix impensés de la Raison ; ainsi qu’à reconsidérer notre implication plus originaire dans le monde.’ – François Jullien, Vivre de paysage Ou L’impensé de la Raison

“Veertigduizend euro voor een voorstelling waar ik artistiek gezien achter sta maar die door nauwelijks iemand gezien is. Nu weer iets nieuws maken lijkt me naïef.”

EN) ‘Is it only through vision that we can perceive a landscape? Is the space opened by the landscape truly an expanse cut off by the horizon? Do we observe a landscape in the way that we watch a “show”? What, ultimately, does it mean to “look”? In giving landscape the name “mountain(s)-water(s)”, the Chinese language provides a powerful alternative to Western biases. The Chinese conception speaks of a correlation between high and low, between the still and the motile, between what has form and what is formless, between what we see and what we hear. In this tensional field established by the landscape, the perceptual becomes at the same time affective; and from these forms which are also fluxes emerges a dimension of “spirit” which brings in complicity. No longer a matter of “vision”, landscape becomes a matter of living. An invitation to explore reason’s unthought choices, and to take a fresh look at our more basic involvement in the world.’ – François Jullien, Living Off Landscape

Dat gebrek aan betrokkenheid, die afstandelijke manier van kijken, die westerse wijze van aan architectuur doen deed me denken aan de houtsnede Een tekenaar tekent een vrouw, door Albrecht Dürer, 1525. De man op de prent tekent een vrouw ook van een afstand, als een landschap, afgemeten en berekend, zichzelf onderscheidend van het subject dat hij waarneemt. Daar hadden we nachtelijke gesprekken over. Over hoe moeilijk we het vonden in deze berekende wereld te functioneren. Over ontworteling, displacement, het concept van crisis in onze jobs.

En wanneer je die quote van Francois Jullien leest alsof het over het Vlaamse theaterland­schap zou gaan? Ja, dan is het enkel affectief dat we het landschap kunnen waarnemen. In de twee jaar nadat ik voor het eerst Joliens caravan binnenstapte, is er veel gebeurd. Ik ben nauwelijks nog maker en werk voornamelijk als programmator in een cc. Zo gebeurde het dat ik gisteren rond 18 uur ‘vergadering’ inklokte op mijn prikklok alvorens de theater­zaal van VIERNULVIER binnen te gaan.

© Jolien Naeyaert & Kim Snauwaert

Daar vond namelijk de State of the Union plaats, de opening van Het Theaterfestival. Moya Michael liet zich vergezellen door Junior Akwety en Johanne Saunier en sprak: ‘Lately a feeling of collective grief sort of overwhelms me. The sector as we know it seems to be crumbling, falling apart. Look around you. I am afraid your art world is dying. That world is already lying in its deathbed for some years now. You tried to reanimate that world, but alas. It’s still breathing now. The heart is still beating, but for how long? You know what to do when the last breath comes, no? I can show you how we do it back home if you want.’

Ze sprak een gevoel van me uit dat ik nooit eerder onder woorden bracht: dat wij niet meer weten hoe we moeten rouwen. Ik meende mij zelfs te herinneren dat ze zei dat wij daar geen rituelen meer voor hebben. Maar daar vind ik niets van terug in de gepubliceerde tekst. Verbeeldde ik me dat? Wij in de westerse wereld hebben daar psychologische antwoorden op: de vijf fases van het rouwproces volgens Kübler­-Ross: 1. Ontkenning 2. Boosheid en protest 3. Onderhandelen en vechten 4. Verdriet en depressie 5. Aanvaarding.

En vooral, praten praten praten doen wij in het Westen. Ik vraag me, sinds ik de State hoorde, af in welke fase de kunstensector zit. Het beleid in ontkenning? De makers in protest. De organisaties in onderhandeling en ik ergens schommelend tussen verdriet en depressie. Om mijn wereld die in duigen valt. En het gebrek van collectiviteit daarin, of verbinding.

Toen ik de volgende dag op kantoor kwam en het bureau van mijn directeur binnenliep, vroeg ze of ik als maker of als programmator was geweest. ‘Beide’, antwoordde ik. Als maker kon ik me volledig identificeren met Moya’s statement. Als programmator voel ik de hete adem van de gevolgen van het huidige politieke beleid in mijn nek, dat ons financieel een strop omhangt wanneer we verliesmakend zijn. Anders programmeren, programmeren met oog voor wat er relevant theater is in het landschap, zowel inhoudelijk als technisch dramaturgisch en esthetisch, vormelijk progressief, zorgt tijdelijk voor een verlies. Werk dat niet de norm is, met acteurs wier gezichten niet op tv komen, die voor­stellingen verkopen bij ons niet. Daar moet je draagvlak voor opbouwen bij het publiek en dat kost tijd. Tijd die er niet is. Dus ik voel me ontworteld, maar dat is niet wat ik mijn directeur antwoordde.

“Terwijl ik door de stad fietste, kwam ik een vriendin tegen die ook voor een kunstenorganisatie werkt. Ze was net als ik de enige die een zonnebril droeg en toen ik haar vroeg hoe het ging begon ze te huilen.”

Verschillende huizen verkopen momenteel geen of weinig tickets. De zalen blijven leeg. Dat zorgt ervoor dat veel van die huizen, gecombineerd met een beperkter budget, minder kunnen programmeren. Helemaal zeker ben ik daar niet van, maar het lijkt een logisch gevolg.

Nood aan braakliggen

Een paar dagen na de State of the Union zit ik in de trein, op weg naar mijn werk. Een programmator die me nauw aan het hart ligt, belt me om te vragen of ik wil meedoen aan een theaterfestival in februari, naar aanleiding van een onderzoek dat ik doe in samen­werking met Mira Bryssinck. Ik zeg haar dat ik nog wil wachten tot na onze eerste lezing daarover op KIEM festival. Voorts vraag ik haar of we niet beter de sector bijeenroepen omdat ik van elk huis hoor dat er bespaard wordt op artistieke budgetten, de werk-­privé­-balans volledig zoek is en de ticketverkoop – die na corona al moeizaam liep – nu helemaal lijkt te stokken. Ze antwoordt me dat dat haar ook zorgen baart en dat terwijl ze tijdens corona nog strijdlustig was om die nieuwe uitdaging aan te gaan, ze zich nu langs alle kanten belaagd voelt, zeker nu het economisch model zoals we dat meenden te kennen als een kaartenhuisje in elkaar valt.

Ik dacht aan mijn voorstelling A Number of Contradictions, Ignorances and Oddities die ik in november speel in het Leietheater in Deinze. Een voorstelling die amper vier keer heeft gespeeld vanwege het befaamde bottleneck-­fenomeen in de lange nasleep van de pandemie. Veertigduizend euro voor een voorstelling waar ik artistiek gezien achter sta maar die door nauwelijks iemand gezien is. Nu weer iets nieuws maken lijkt me naïef. En dan stelde ik mezelf onmiddellijk de vraag: moeten de huizen hun aanpak niet meer op elkaar afstemmen? En indien die aanpak betekent om minder te programmeren, moeten we dat niet zo snel mogelijk communiceren aan de artiesten, voor die weer allemaal een aanvraag voor projectsubsidie indienen? En moeten we het beleid niet op de hoogte brengen dat als men in de budgetten voor de organisaties kapt en het geld voor de project­subsidies behoudt, dat geld wordt gebruikt om voorstellingen te maken die nooit kunnen worden getoond. Moeten we hen niet vragen om de budgetten van de projectsubsidies over te hevelen naar onderzoeksbeurzen? Zou dat een alternatief kunnen zijn, om zich langer te verdiepen alvorens te produceren? En meer tijd te nemen voor onderzoek en dus bijgevolg minder te produceren tot de recessie over is?

© Jolien Naeyaert & Kim Snauwaert

En op François Julliens vraag of we het theaterlandschap observeren zoals we naar een ‘show’ kijken? Dan moeten we daar onmiddellijk bij bedenken wie dat doet in ons podium­landschap. Wie kijkt naar het theaterlandschap als een spektakel? Als een berekening? De beleidsmakers-­landbouwers? Het publiek? Programmators?

Theater is geen landschap, maar een landbouwgrond. En beleidsmakers zijn geen land­ bouwers. Het zijn geen vakmensen die het aan hun kleine teen voelen wanneer de vorst komt. Die donderbeestjes spotten zodat ze weten wanneer het gaat onweren. Het zijn mensen die niet naar de zwaluwen kijken of ze laag vliegen. Die niet eens weten wat het betekent wanneer zwaluwen laag vliegen. Die niet voorzien zijn of kunnen anticiperen op droogte. Die niet weten wanneer gezaaid en wanneer geoogst moet worden, niet weten wanneer iets braak moet liggen. Het is geen ambacht. Het is geen beroep waar intergene­rationeel kennis wordt overgedragen, en het resultaat daarvan uit zich in een succesvolle oogst die teloorgaat. Waste. Want laten we eerlijk zijn, qua kwaliteit is er geen verschraling en geen gebrek. Wat gemaakt is, is van hoge kwaliteit. Het wordt geoogst, of in een stal gelegd waar het ligt te rotten zonder dat het kan worden geconsumeerd. Ligt dat alleen aan beleidsmakers, aan energieprijzen, een nakende oorlog, of ligt het ook aan een gebrek aan afzetmarkt en interesse?

Bij een publieksbevraging van de doelgroep jeugd in het cc waar ik werk en waar zes jongeren voor zijn gevonden, kregen we de volgende antwoorden op de vraag ‘Wat zouden jongeren die het cultuurhuis niet kennen of bezoeken eigenlijk fijn vinden om te doen in het cultuurcentrum?’ Dit waren de antwoorden van de jongeren:

Ik weet het niet want ik ken da niet (1 persoon of 16,67%)
Voetballen (1 persoon of 16,67%)
Shoppen ijsjes eten naar de mcdonalds en naar gucci winkel gaan (1 persoon of 16,67%)
Dat er altijdt een nieuwe film is (1 persoon of 16,67%)
Ik weet het eigenlijk niet zo goed. Sorry (1 persoon of 16,67%)
rustig lezen (1 persoon of 16,67%)

“Produceer geen afval maar maak de verspilling van het ene deel van ons systeem tot voedsel voor het andere. Dit betekent ook dat we mensen niet veroordelen door ze zinloos werk te laten doen.”

Daarom stuurde ik de programmator die mij nauw aan het hart ligt later volgend bericht: ‘Weet je wat? We geven een lezing over een onderwerp waar wij nooit een voorstelling mee gaan maken. En dat zeggen we er dan zo bij. Daar hebben we het dan over.’ Dat vond ze goed. Hoewel Mira Bryssinck in haar State of the Youth op Het Theaterfestival nog hoopvol de boodschap gaf om zich niet te laten verleiden tot de zin ‘laat maar’, zie ik geen andere moge­lijkheid. Ik belde verscheidene vrienden die kunstencentra, cc’s of productiehuizen leiden en allen zeiden ze hetzelfde: er is minder budget bedeeld, moeten we het met minder mensen doen? Moeten we minder programmeren? Wat met de balans tussen werk en privé? Collega Benoît Vanraes van het Leietheater belde mij, nog steeds op diezelfde trein, om te zeggen dat ik moet doorzetten als maker. Maar ik ben allang gestopt. Ik voel geen noodzaak om dingen te maken waar geen afzetmarkt voor bestaat binnen een landschap waar geen visie is. Waar ik honger lijd om werk te maken waar niemand naar komt kijken. Dat soort romantisme ben ik ver voorbij. En als programmator vind ik het mijn job affectief in het landschap te staan voor de makers die wel nog doorgaan. Om verder te kijken dan de door het theaterlandschap ontsloten ruimte die onnodig een door de horizon afgesneden uitgestrektheid is. Om dat landschap te erkennen als een kwestie van leven en de ondoordachte keuzes van de rede te onderzoeken en een blik te werpen op onze meer basale betrokkenheid bij de wereld.

Waar ik nood aan heb, is braakliggen. En aan de collectieve erkenning van de ernst van de situatie en de consequenties voor ons als mensen. Voor het humane aspect. En dan bedoel ik niet simpelweg braakliggen. Bedek me in mijn braakliggen. Binnen de perma­cultuur heet dat mulchen. Dat wil zeggen dat je je bodem bedekt met verschillende mate­rialen om bodemerosie, evaporatie en dysforie tegen te gaan. Dat vind ik bijzonder mooi.

© Jolien Naeyaert & Kim Snauwaert

Dit schrijf ik onderweg naar een psycholoog nadat ik twee weken geleden bij vrienden in huilen uitbarstte te midden van 43 oesters die we onder ons vijven probeerden te verdelen. Ja, ik snap de ironie en net daarom deel ik het.

Maandag moest ik naar huis omdat ik wist dat ik het einde van de teamvergadering niet zou halen zonder te huilen. Diezelfde dag wandelde ik de praktijk van de huisarts uit met een afwezigheidsattest en een vragenlijst die zou uitwijzen of ik een depressie heb ten gevolge van een onbehandelde burn-­out. Terwijl ik door de stad fietste, kwam ik een vriendin tegen die ook voor een kunstenorganisatie werkt. Ze was net als ik de enige die een zonnebril droeg en toen ik haar vroeg hoe het ging begon ze te huilen. Ze kwam net van de dokter met een briefje tot eind deze week. Ik ook, zei ik. We gingen op een bankje zitten en rookten een sigaret. Ze deelde haar iced tea met me en we zeiden tegen elkaar dat mensen die ons zagen vast en zeker dachten: ‘Kijk die artiesten daar eens zitten met hun zonnebril op hun hoofd zonder dat de zon schijnt. Typisch.’

Op donderdag kreeg ik bezoek van een controlearts van mijn werk. Hij kwam onze woon­kamer binnengestrompeld met droeg een hoorapparaat en revers waar Josse De Pauw jaloers op zou zijn. Hij keek me verbaasd aan en met een flauwe glimlach, doch vrien­delijk vroeg hij: ‘Kan een jong iemand als jij ziek worden? Zeg mij eens wat er scheelt.’ ‘Ik moet aldoor huilen’, zei ik. ‘Sinds december. Dat is heel vervelend want het beperkt mijn functioneren. Soms moet ik van het werk naar huis om van thuis uit te werken. Wat gelukkig kan bij ons en waar niemand vragen over stelt. Maar maandag had ik teamver­gadering en daar moest ik wel bij zijn en ik haalde het niet. Dus moest ik naar een dokter om een afwezigheidsattest en die zette me voor een week thuis. En liever langer. Maar dat wilde ik niet.’ Hij hoorde of verstond mij niet. Daarom herhaalde ik korter wat ik eerder had gezegd, maar nog steeds had hij mij niet begrepen. En zo gebeurde het dat ik die middag te midden van mijn living een oude man in het gezicht schreeuwde dat ik de hele tijd heel hard moest huilen. Sinds december.

Hij keek me aan en er viel een stilte waarbij ik wat zenuwachtig afwachtte wat het verdict zou zijn. Hij antwoordde: ‘Ligt het aan je seksleven?’ Ik weet dat het niet echt lijkt wat ik schrijf, maar ik dik niets aan: dat was werkelijk zijn vraag. Dus riep ik heel luid, tegen die oude en blijkbaar potdove man aan mijn keukentafel, dat mijn seksleven echt heel goed is. Dat het daar dus niet aan lag. ‘Zijn er misschien andere dingen gebeurd?’, vroeg hij. Ik knikte van wel maar zei niets meer, want ik betwij­felde of ik genoeg adem had om over alles te schreeuwen, en ook dacht ik: god, de buren. Hij zei dat hij het blad zou invullen en dat hij er niet bij zou vermelden wat ik had, want dat dat niet goed voor me zou zijn als ik wou blijven werken waar ik werk. Zeker omdat ik geen vast contract had. En dat ik beter, in plaats van een psycholoog, naar een psychiater ging. En veel langer thuis moest blijven. Maar daar bedankte ik vriendelijk voor.

“Beste beleidsmakers, ik zeg dit als programmator en als maker: mijn hart is gebroken.”

Dat was de stavaza de afgelopen weken. Dat is een woord dat ik heb geleerd als ambte­naar: de stand van zaken. Mensen die afkortingen gebruiken winnen tijd. En tijd is kost­baar. Dit is geen persoonlijk verhaal dat ik per se wil delen. Wat ik hiermee wil zeggen: ik ben ook onderdeel van het landschap en mijn toestand is niet een opzichzelfstaand event. Ik ben samen met zovelen het kanariepietje in de mijn. Ondertussen – dit schrijf ik een paar weken later – gaat het ook beter. Ik ben niet langer thuisgebleven, ik huil bijna niet meer en mijn seksleven is nog steeds om over naar huis te schrijven.

Met blote voeten in de akker

Maar aan de landbouwer annex beleidsmaker: waar ben je? Ben je Dürers man? Zie je de krachten die je visie ontsluiten? Voel je het klimaat? Regent het jouw huis binnen? Zie je je akkers? Zie je ons? Kun je iets in leven houden zonder het lief te hebben? Heb je gezorgd voor een noodvoorraad aan energie? Heb je de afgelopen jaren de zelfredzaamheid van het landschap bevorderd? Gebruik je de richtlijnen om een oogst te oogsten? Zie je dat makers werken op een lege maag? Kun je een moment stilstaan om zelfregulering toe te passen en feedback te accepteren? Om die echt binnen te laten sijpelen? Die vragen put ik uit de twaalf regels voor permacultuur van de Australische milieuontwerper David Holmgren. Je akkers liggen voor je. Wij makers, technici, dramaturgen, directeurs, programmatoren, communicatiemedewerkers, publiekswerkers, recensenten, richten onze polsen kwetsbaar naar je toe en vragen we om een duurzaam beleid, waarin reke­ning wordt gehouden met het effect van één beslissing op de andere, en waarin erkend wordt dat dit een omsloten systeem is waar alles met elkaar geconnecteerd is.

Produceer geen afval maar maak de verspilling van het ene deel van ons systeem tot voedsel voor het andere. Dit betekent ook dat we mensen niet veroordelen door ze zinloos werk te laten doen. Dit betekent dat je zorgt voor balans tussen werk en vrije tijd. Bestudeer je het klimaat? Kun je uit je kantoor komen en met je blote voeten in je akker gaan staan en de aarde voelen tussen je tenen? Hoe zul je op een regeneratieve manier met de gemeenschap en het land omgaan, en vervolgens beslissingen daarop baseren? Kun je integreren in plaats van scheiden, en erkennen dat hoe meer relaties tussen delen van je systeem gecreëerd worden, hoe sterker je systeem wordt? Ook dit heeft te maken met gemeenschap.

© Jolien Naeyaert & Kim Snauwaert

Gebruik je alsjeblieft kleine en langzame oplossingen? Waardeer je de diversiteit, want dat is het kernaspect van permacultuur. En onthou je dan ook dat diversiteit ook veerkracht betekent? Kun je creatief omgaan met en reageren op verandering? We zitten in recessie. Kun je daarnaar handelen vanuit een langetermijnvisie? En kan dat handelen iets crea­tiever zijn dan inzetten op besparingen? Hoe kunnen we energie winnen zodat we overleven en er later sterker uit komen? Dan denk ik aan bezinning bijvoorbeeld. Verschuif deels de budgetten van projectsubsidies naar beurzen voor ontwikkeling en onderzoek en wanneer we in een klimaat leven waar er minder geproduceerd kan worden, geef makers dan de tijd om met dat geld zich te verdiepen. Hun oeuvre te bekijken. En zich te ontwikkelen voor wanneer de tijd aanbreekt dat we weer kunnen tonen. In plaats van voorstellingen te laten maken die mogelijk niet getoond zullen worden. Weer een verloren perfecte oogst.

Beste beleidsmakers, ik zeg dit als programmator en als maker: mijn hart is gebroken. En ik wou van jullie graag de volgende woorden horen, die Pieter Van Dessel van Marble Sounds zo mooi zingt in ‘The Ever After’:

I’m going up to face our ever after
And come to terms with what’s been on your mind
I’m going through a pile of missing answers
That neither of us ever meant to find
And this is how you break a heart

You start by breaking in
And leaving everything in place
Just leaving everything
But this is how you fix the heart
You go where hope is thin
You prove that something left to lose
Means something left to win

I’m going up to face our ever after
To show you how we both might make it through
I’m owning an unqualified disaster
To prove that I’m not blaming it on you
Cause this is how you break a heart
You start by breaking in
And leaving everything in place
Just leaving everything
It’s also how you fix the heart
You slip under the skin
So show me where things fell apart
And that’s where I’ll begin

Cause this is how you break a heart
You start by breaking in
And leaving everything in place
Just leaving everything
But this is how you tend to it
You mend it from within
So take me to our bitter end
And that’s where we’ll begin

I’m going up to face what you’ve been after
To own up to what’s been wrong all this time
I’m going up to face our ever after

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 19 — 22 minuten

#170

15.12.2022

14.03.2023

Kim Snauwaert

Kim Snauwaert is theaterwetenschapper, performer en beeldend kunstenaar. Samen met Anyuta Wiazemsky werkt ze aan het meerjarige project Between Us. Daarnaast werkt ze als programmator bij cc De Herbakker, Eeklo.

essay

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!