Visies voor het veld: Wouter Hillaert
We moeten meer wakker liggen van Lanaken en Izegem
Wouter Hillaert
© Koen Broos
De krokusvakantie, dat betekent ondertussen al 28 jaar dat in Hasselt het Krokusfestival doorgaat, een kunstenfestival waar een jong – en minder jong – publiek kan proeven van nieuw werk van internationale makers. Ik zag drie voorstellingen die er in première gingen, waarvan twee in Hasselt zelf: The Round (8+) van Claire Croizé/ECCE en Amadou (8+) van Laika. Een week later zag ik ook Franje (4+) van tout petit/Alfredo Zinola Productions in het Brusselse BRONKS. Drie voorstellingen die elk op hun eigen manier de verbeelding van hun jonge publiek proberen te prikkelen. Drie voorstellingen die erg uiteenlopen op vlak van vorm, inhoud en inzet.
In de speeltuin en op het grasveldje net naast het gebouw van CCHA krioelt het van de kinderen. Ze grijpen gretig de eerste zonnestralen aan om zich helemaal uit te leven. Ook binnen bruist het. Programmatoren en recensenten haasten zich van voorstelling naar voorstelling, voorzichtig zigzaggend om niet te struikelen over het jonge publiek. Kinderen klauteren over de interactieve installatie De Sharona van Den Draad of laten zich natspuiten door Nellie De Hippo, een levensgroot nijlpaard dat op mysterieuze wijze door iemand van Theatro Pavana wordt bestuurd. Haar verzorgster voedt haar wat popcorn terwijl ze zich verontschuldigt voor de winden die Nellie veelvuldig laat. De speelsheid van dit locatietheater kleurt mijn blik en voedt mijn verwachtingen voor wat komen gaat.
Wat mogen we wel of niet verwachten van jeugdtheater? Welke vervelende of ongemakkelijke vragen mogen we eraan stellen en hoe belangrijk is de mening van het jonge publiek voor wie het bedoeld is? Het zijn vragen die in mijn achterhoofd spelen nadat Evelyne Coussens ze onlangs nog eens op scherp zette in haar opiniestuk ‘Het jeugdtheater(publiek) verdient beter’. Daarnaast speelt iets persoonlijks mee wat onvermijdelijk ook invloed heeft op hoe ik tegenwoordig naar kindervoorstellingen kijk: in de late lente van dit jaar verwachten mijn vriendin en ik ons eerste kindje. Naast het kritisch bevragen van wat de makers ons tonen, ben ik – meer dan anders – bezig met de rest van het publiek. Hoe komt het binnen bij het jonge publiek en wat vindt het oude(re) publiek ervan om er samen met hun kinderen naar te kijken? Ik merk dat ik die publieksbeleving meeneem in mijn oordeel.
Coussens doet dat in zekere zin ook. Ze toetst haar kritiek op enkele recente jeugdvoorstellingen af aan hoe ze (niet) in de smaak vielen bij haar eigen kinderen. Ze moet hen er geregeld van overtuigen dat jeugdtheater méér kan zijn dan zomaar luide muziek en een leuk dansje. De lat wordt te laag gelegd, vindt ze, wat leidt tot ondermaatse voorstellingen met te weinig uitdieping. Daarom trekt ze aan de alarmbel. Mijn nakende vaderschap versterkt mijn gevoeligheid voor het appel van Coussens om kritisch te blijven over de kwaliteit van jeugdtheater. Tegelijkertijd maakt het me ook alerter voor de impact van het getoonde op de jonge toeschouwers. Bijgevolg ben ik misschien wat milder in mijn oordeel, in die zin dat als het jonge publiek zich vermaakt, een deel van het doel al bereikt is. Met deze dubbele blik, die van toekomstige ouder en criticus, trek ik het festival in. Beginnen deed ik bij The Round van Claire Croizé/Ecce.
Ik weet me nog net langs Nellie te wurmen om op tijd binnen te raken in de grote zaal van CCHA. Er hangt een tastbare spanning in de lucht voor de opvoering. Het Krokusfestival maakt gewag van een niet te missen voorstelling, en met dat label zijn ze naar eigen zeggen spaarzaam. Claire Croizé, die samen met Etienne Guilloteau ECCE vormt, heeft ondertussen al een aardige reputatie opgebouwd als choreografe. Dit is de eerste keer dat ze zich waagt aan een voorstelling voor 8+.
Een imposante, ronde tribune van de hand van Jozef Wouters’ Decoratelier vult het podium en omsluit het speelveld van The Round. Tien jaar geleden gebruikte Croizé deze opstelling al eens voor Primitive. Toen putte ze inspiratie uit de video-installatie I’m Still Breathing van de Thaise regisseur Apichatpong Weerasethakul. Dat werk toont een groep tienerjongens die zichzelf filmen terwijl ze zich steeds feller en wilder in een delirium dansen. Die jeugdige energie, die levenskracht probeerde ze toen te capteren met drie volwassen dansers. In The Round gaat ze een stapje verder door Wouters’ constructie nu te vullen met jonge Brusselaars tussen 8 en 13 jaar oud. Ze nemen ons een uurtje mee op avontuur.
Een eerste meisje komt zelfzeker in het midden van de scene staan. Alleen in de kring en in volle stilte start ze de dans. Ze wijst omhoog, valt op de grond en staat weer recht. Even later vergezellen haar mededansers haar in de arena. Zeven meisjes en één jongen die een zware trom meezeult komen in een treintje opgewandeld. Hun kostuums zijn een bonte verzameling van kleuren en texturen, samengesteld door Anne-Catherine Kunz. Ze scanderen een ritme geaccentueerd door slagen op de trom. Eén van hen slaat hard met een drumstok op de tribune en ze verspreiden zich over de scène.
The Round is een energieke dansvoorstelling voortgestuwd door percussie. De jonge performers dansen hun jonge lijf los, laten hun stem horen en klappen en stampen enthousiast. Gaandeweg gaat deze lichaamspercussie over in het werk van de Griekse componist Xenakis en de Brusselse jongerenpercussiegroep Fanfakids. Het slagwerk vormt de hele voorstelling een pulserende beat die vaag doet denken aan iets wat het midden houdt tussen de drumbreak uit Something in the Air van Phil Collins en de pauken uit Peter en de Wolf van Prokofiev. Als jonge snaak ambieerde ik zelf nog een carrière als drummer. De wilde soundtrack van The Round en de toewijding waarmee de jonge dansers zich smijten, doet het weer kriebelen.
De woordenschat van de voorstelling bestaat uit groepschoreografieën waar telkens een of meerdere dansers uit breken om hun eigen ding te doen. Sommige van die groepsfases hebben iets weg van een niet zo strak uitgevoerde Haka of stepdance, maar op hun sterkst werpen ze je terug naar het hypnotiserende op en neer gespring uit Jan Martens’ The Dog Days Are Over. Als planeten zwermen de kinderen om elkaar heen. Sommigen houden zich rustig in het centrum van de kring, anderen nemen hun tijd om langzaam voor het publiek rond te draaien als prima ballerina’s in spe, duidelijk genietend van de aandacht. Ze spelen met contrasten tussen hoog en laag, hard en zacht, tussen versnellen en vertragen, vallen en opstaan.
De dansjes zijn aangeleerd en vormgegeven door Croizé, maar ze baseerde zich hiervoor duidelijk op de fantasie van de kinderen zelf. Zo toveren de jonge performers op een gegeven moment de scène om tot een heuse jungle, gevuld met wilde dieren. Elke keer iemand op de tribune hamert, veranderen de spelregels. Dan maken ze van hun arm een slang, even later doen ze vakkundig kakelende kippen na. Ze transformeren in tijgers die luid grommend en dreigend het publiek in kijken. Af en toe bespringen ze elkaar. Maar telkens wanneer iemand op de grond valt, wordt die meteen weer recht geholpen om mee verder te doen. Ze klimmen op elkaar, dragen elkaar en vormen zo collectief nog grotere en imposantere beesten.
Naar het einde toe verstilt de voorstelling en valt de nacht over hun speels oerwoud. De kinderen bevinden zich nu buiten het speelveld. Een kakofonie van kindse klanken cirkelt om ons heen. We horen een krijsende gibbon, kwakende kikkers en zoemende insecten. Druppelsgewijs komen ze slaperig terug op. Enkelen van hen zetten zich in de tribune. Eentje nestelt zich zelfs comfortabel tegen de benen van een toeschouwer. Was er in het begin bij enkelen nog wat schroom zichtbaar, dan is die tegen het einde van de voorstelling door iedereen overwonnen. Het is dat trouwens wat The Round zo’n boeiende kijkervaring maakt: de jonge performers zelf. Tegelijk is het ook daar waar het wringt.
“Is The Round een viering van jeugdige expressie, of wordt die expressie net onderworpen aan een volwassen esthetiek?”
Net als bij Primitive wil Croizé de ongetemde energie van jeugdige lichamen in beweging opvoeren, maar hoe doe je dat in een gestileerde choreografie zonder die energie enigszins in te perken en bijgevolg te temmen? Is de voorstelling een viering van jeugdige expressie, of wordt die expressie net onderworpen aan een volwassen esthetiek? Het is intrigerend te zien hoe ondanks het strakke kader van de choreografie de persoonlijkheid van elk kind toch doorschemert in de manier waarop die zich op scène voortbeweegt. Er is nog geen sprake van acteerspel of maskers om zich achter te verstoppen. De kinderen zijn gewoon. Maar dat dan wel binnen de afgesproken richtlijnen.
Het lijkt vooral in de blik van de volwassenen een interessant gebeuren te zijn. Het zijn dan misschien leeftijdgenootjes die het beste van zichzelf geven op de scène, het jonge publiek in de tribune lijkt er niet echt meteen door bevangen. Na het scanderen van een gedicht van Rilke dansen de kinderen opnieuw in groep en vol energie richting een climax. Terwijl ik en de andere volwassenen onder de indruk zijn van hoe professioneel en gedisciplineerd de jonge lichamen bewegen, blijkt het voor de jongeren in de zaal moeilijker om erbij te geraken. Het doet op zich geen afbreuk aan de voorstelling, maar maakt wel dat ik me afvraag of de voorstelling niet vooral door kinderen is, meer dan dat ze voor kinderen is. Dat het vooral wij grown ups zijn die zo gefascineerd zijn door al dat jeugdige geweld.
Na afloop van The Round haasten we ons van de grote naar de kleine zaal. We hebben maar een paar minuutjes voor Amadou van start gaat. Gelukkig wacht Aminata Demba ons geduldig op. ‘Niemand is hier gevangene van de tijd’, stelt ze ons gerust. Gekleed in een smaragdgroen pak van Leentje Kerremans heet ze ons welkom. We worden uitgenodigd onze schoenen uit te doen terwijl Demba jong en oud begeleidt naar een plaatsje in de knusse, halfronde tribune die net als bij The Round op scène staat. We zitten dicht op de huid van Demba en haar twee begeleidende muzikanten. De achterwand van het speelveld is een warm-oranje halve cirkel, als een ondergaande zon. Met dank aan deze gezellige scenografie van Peter De Bie zuigt Demba ons met haar begeesterende vertelstijl in luttele seconden moeiteloos mee in het kleurrijke universum van Amadou.
Demba vertelt over hoe ze vroeger een nukkig en grofgebekt meisje was, gefrustreerd omdat geen enkele volwassene de tijd nam om haar vele vragen te beantwoorden. ‘Nou, dan ga ik ook niet meer luisteren!’ besluit ze. Wanneer ze alleen op haar kamer een magisch amulet vindt, belandt ze Alice in Wonderland-gewijs in de toverachtige wereld van het Peulvolk, het nomadenvolk uit West-Afrika waar Demba van afstamt. De jonge Demba moet op zoek naar een mysterieuze Amadou de verhalenverteller. Op haar pad komt ze een resem figuren tegen die haar vol steken met eten en goeie raad. Hier geen rode koninginnen of gekke hoedenmakers, wel kreupele woestijnbokken, gemene kraaien en gastvrije tantes. Ze manen haar aan iedereen te helpen die ze tegenkomt en waarschuwen haar om altijd het groene pad te kiezen.
“Meer dan oubollige levenslesjes nodigt Amadou vooral uit om je eigen fouten te maken en zo je eigen verhaal te schrijven.”
Onstuimig als ze is en gefocust op haar doel slaat ze dat advies al snel in de wind. Ze maakt geen tijd voor de dieren die haar nodig hebben en kiest uiteindelijk voor het rode pad omdat dat sneller lijkt. Zo trapt ze in de valstrik van een boze python. Pas nadat ze toch de tijd neemt om anderen te helpen – ze schrobt letterlijk zeven dagen lang een blinde olifant proper met enkel haar tandenborstel – leert ze haar lesje. ‘Volg het pad dat voor je uitgestippeld is en wees altijd behulpzaam’, is de lichtjes achterhaalde moraal die je in Amadou zou kunnen lezen. Na afloop van de voorstelling verzucht een jonge toeschouwer daarover tegen haar ouders dat ze toch gewoon van de eerste keer de dieren had moeten helpen? ‘Dan was het niet zo spannend geweest,’ antwoordt haar moeder schalks, ‘en dan had ze ook niet kunnen leren uit haar fouten.’ Meer dan oubollige levenslesjes nodigt Amadou vooral uit om je eigen fouten te maken en zo je eigen verhaal te schrijven.
De muziek van Issa Ndour en Sam Gysel begeleidt Demba op haar queeste. Gysel neemt van achter zijn keyboard de soundcapes voor zijn rekening of speelt een streepje gitaar terwijl multi-instrumentalist Ndour magistrale solo’s brengt op peulfluiten (een soort dwarsfluit) in verschillende formaten, de kora (Afrikaanse harp) of de balafoon (een soort marimba met kalebassen). Ook toont hij zich een begenadigd zanger. Zijn stem wordt subtiel ingezet, wat het des te krachtiger maakt. Meesterlijk weven de twee muzikanten zo een klankdeken dat Demba’s expressieve vertelstijl alleen maar aanvult en versterkt. We wanen ons een uurtje mee met haar op tocht door een magisch realistische woestijn.
Amadou is een ode aan de West-Afrikaanse verteltraditie van de zogenaamde griotten. Via hun verhalen houden ‘deze dragers van het woord’ het cultureel erfgoed van hun volk in leven. Bij valavond verzamelen jong en oud zich om te luisteren naar hun vermakende maar ook leerrijke verhalen. Demba baseerde zich hierbij op het werk van de Malinese auteur en etnograaf Amadou Hampâté Bâ die in zijn autobiografie Amkoullel – in het voetspoor van de vertellers veel van de traditionele griot-verhalen neerschreef. Demba groeide op met die verhalen en reisde ook naar Mali om onderzoek te doen voor de voorstelling. Nu treedt ze op haar beurt in het voetspoor van Hampâté Bâ. Ze slaagt erin om de klassieke traditie te ontsluiten voor het witte, westerse publiek van het Krokusfestival. Omdat Demba en ook Ndour opgegroeid zijn in deze cultuur voelt het nergens aan als een vorm van ongepaste toe-eigening. Integendeel, de inleving is oprecht en bezield.
Wanneer Demba zich aan het eind in een groen gospelkleed hijst, is het duidelijk: zij is nu Amadou de verhalenverteller. Dat vertellen doet Demba met verve. Aan hoog tempo – de voorstelling duurt nauwelijks een uurtje – raast ze door haar verhaal, zonder dat het té gehaast aanvoelt. Je mist af en toe wel eens een detail van haar liederlijke beschrijvingen, maar dat is niet erg: je kan altijd weer aanhaken omdat de dramaturgie (Mieke Versyp) zo helder gespannen staat. Zoals het een griot betaamt, verliest Demba haar publiek geen seconde uit het oog. Geregeld spreekt ze ons rechtstreeks aan of transformeert ze ons even in een kudde nijlpaarden.
Al is het nog maar mijn eerste kennismaking met het werk van Laika, Amadou voelt meteen vertrouwd. Ik ervaar eenzelfde verwondering die ik als kind, nu al twintig jaar geleden, ervoer bij het zien van kindertheater of de tekenfilm Kirikou en de Heks die eveneens putte uit de West-Afrikaanse folklore. Amadou is groots in zijn kleinheid. De voorstelling slaagt erin om de liefde voor verhalen vertellen effectief tastbaar te maken. Amadou sluit af met de oproep om nooit op te houden met vertellen. Voor mij is het dan misschien mijn eerste Laika-voorstelling, voor regisseur van dienst Jo Roets is het waarschijnlijk zijn laatste. Hij zwaait binnenkort af als artistiek directeur. Dat hij al meer dan 30 jaar ervaring heeft, is duidelijk te merken aan de zorg en het vakmanschap die in Amadou gestoken zijn. Roets laat een traditie van meeslepend, zintuiglijk theater voor kinderen achter.
Bij het naar buiten gaan van de kleine theaterzaal in het cc botsen we weer op Nellie De Hippo. Een gelukkig toeval dat ons nog even in de sfeer van Amadou houdt. Wat kan geslaagd kindertheater een feest zijn.
Een weekje marineren mijn indrukken van The Round en Amadou voor ik in BRONKS mijn trilogie kan afronden bij Franje. ‘POV wij over 4 jaar’, stuur ik naar m’n zwangere vriendin met een filmpje bij van een levendige bende kinderen die tussen de benen van hun ouders kruipen en spelen in afwachting voor ze de zaal in mogen. Een meisje met elfenvleugels leest een strip terwijl ze bedenkelijke blikken werpt naar het ruigere spel van haar leeftijdsgenootjes. Franje is de eerste samenwerking tussen Ciska Vanhoyland en Lies Cuyvers (tout petit) en Alfredo Zinola (Alfredo Zinola Productions). Na elk al meer dan tien jaar voorstellingen te maken voor een jong publiek bundelen ze nu de krachten. En dat levert vuurwerk op.
Cuyvers, Vanhoyland en Zinola beginnen de voorstelling in hun ondergoed. Net als Demba in Amadou wijzen ze vriendelijk iedereen een plaatsje toe. Alle kindjes die willen, mogen een plekje nemen vooraan op de vloer. Zonder dat je het goed of wel door hebt, beginnen ze aan de voorstelling. Zinola zet zich ongedwongen tussen de kindjes terwijl Cuyvers en Vanhoyland over de scène wandelen. Ze staan voortdurend met elkaar in verbinding, kijken nieuwsgierig naar elkaar en tasten de ruimte af. Door de nabijheid van Zinola voel je je meteen deel van de actie. Achteraan de speelvloer hangen een dertigtal onbestemde kledingstukken aan haakjes, bungelend aan lange koordjes uit het plafond. De creaties zijn van beeldend kunstenaar en kostuumontwerper Darius Dolatyari. Het zijn geen klassieke verkleedstukken, maar abstracte objecten opgebouwd uit verschillende texturen en kleuren en vooral: zij zijn de eigenlijke ster van de show.
Dan start de geluidsband. Eerst enkel een ritmisch getik aan ongeveer 140bpm. Zinola krijgt een balvormig iets op zijn hoofd gezet. Terwijl hij schudt op de maat van het getik, schudt hij het van z’n hoofd. Cuyvers en Vanhoyland kijken aandachtig en wachten geduldig tot zij ook eens mogen. De een plaatst de bal op de knie, de ander op de buik, elk schuddend op het getik. Het spel is duidelijk: op hoeveel verschillende manieren kun je deze voorwerpen rond je lijf dragen? Wanneer iemand iets nieuws uitprobeert, kijken de anderen aandachtig toe terwijl ze op de beat blijven bewegen. Het lijkt wel alsof ze voortdurend aan het knikken zijn, dat ze voortdurend instemmen met elkaars vondsten. ‘Doe maar’, moedigen ze elkaar aan. Ondertussen zwelt de muziek aan (Koen Brouwers) en neemt de intensiteit van het spel toe. Ze springen, ze dansen, ze lachen.
Dit is ‘Loose Parts Play’ in de praktijk, besef ik. Loose Parts Play is een concept uit de speltheorie dat stelt dat kinderen helemaal geen voorbestemd speelgoed nodig hebben om tot spel te komen. Gewoon een hoop los en niet voorgevormd materiaal waarmee ze naar eigen goeddunken kunnen experimenteren. Denk aan takken, stenen, kurken, knopen, lapjes stof, en zeker ook franjes. Omdat ze geen vaste functie hebben, prikkelen ze de verbeelding. Er zijn geen vaste regels bij Loose Parts Play, noch in Franje.
Het is deze onbestemdheid die van Franje zo’n spannende ervaring maakt. Als ik iets probeer op te schrijven, en terugkijk naar de vloer is er alweer iets totaal anders aan de hand. De drie performers zijn voortdurend in beweging en raken om de beurt bedolven onder de stof. Zinola krijgt een Bumba-achtige hoed op z’n hoofd en een dikke blauwe worst rond zich heen gewikkeld. Vahoyland draait rond als een Derwisj in een rok die enkel uit leren franjes bestaat. Daarvoor was die rok nog een staart, even later weer een baard. Het is fascinerend te zien hoe de fysieke expressie van de dansers transformeert naargelang wat ze aan hebben. ‘Zie ze rommel maken’, mompelt een kindje geamuseerd.
Halverwege vertraagt het tempo. De muziek is nu sferisch met ondertonen van contrabas. De drie dansers nemen meer tijd en zorg om elkaar te kleden en creëren statige standbeelden. Of versieren ze elkaar als kerstbomen? Beide associaties zijn legitiem in dit knotsgekke wereldje. Alle voorwerpen worden nu van de haakjes gehaald tot er twee vormeloze wezens op scène achterblijven. Als goedaardige kwallen deinen ze zachtjes over het speelveld. Hoe ze die stapels stof in evenwicht houden, is me een raadsel. Al helemaal wanneer ze erin slagen om zonder ook maar één stuk op de grond te laten vallen tot één grote hoop transformeren.
Aan het slot van de voorstelling zijn de pompende beats van Brouwers terug, voor sommige kindjes in de zaal geen seconde te vroeg. Het rustigere deel van de voorstelling begon wat te lang te duren voor hen. Als de drie dansers tevoorschijn komen uit hun toren kleren hebben ze elk een nylon bivakmuts aan vol franjes in felle kleuren. Nog een laatste keer schudden ze alles los.
“Zonder te moraliseren toont Franje hoe je samen kan delen, hoe je samen kan spelen en vooral hoe veelzijdig dat spel kan zijn.”
Franje is een speels meesterwerkje van een zeldzame generositeit. De verrassende vindingrijkheid waarmee Vanhoyland, Cuyvers en Zinola de kostuums blijven manipuleren, verveelt geen moment en de openheid waarmee ze op scène staan, laat niemand onberoerd. Getuige daarvan het moment na het applaus. De drie performers zetten zich achteraan de scène en kijken verwachtingsvol naar de hoop kleren in het midden van de vloer. Na een halve seconde aarzeling stormen de dapperste kinderen erop af om zelf met de stofjes aan de slag te gaan. Ik (en vooral de kinderen) hebben geluk, want op de première op het Krokusfestival deden ze het nog zonder dit naspelmoment. Zonder te moraliseren toont Franje hoe je samen kan delen, hoe je samen kan spelen en vooral hoe veelzijdig dat spel kan zijn.
Niet alleen voor vers jeugdtheater, ook voor mijn job in het jeugdwerk is de krokusvakantie een hoogtijd. Op de meeste speelpleinwerkingen waar ik kom, heeft toneel een centrale rol. De begeleiders brengen korte animaties om de kinderen warm te maken mee te gaan in hun spel. Het is natuurlijk een wereld van verschil met het toneel dat in het professionele (jeugd)circuit te zien is, maar wat wel opvalt, is dat de animatoren die de kinderen het meeste weten te begeesteren altijd de meeste kindjes bereid vinden om mee te doen met hun activiteit.
‘Moeten we meedansen?’ vroeg een meisje aan haar mama voor aanvang van The Round. ‘Nee, maar misschien vind je het wel zo leuk dat je zin krijgt om mee te doen?’ Het is een rode draad die ik een hele week meeneem. In hoeverre weten de voorstellingen daadwerkelijk iets los te maken bij hun jonge publiek? Slagen ze erin, zoals de betere speelpleinanimator, om de verbeelding van de kinderen zo te prikkelen dat ze willen meedoen, dat ze er zelf mee aan de slag kunnen?
Misschien had ik effectief geluk en Evelyne Coussens pech, maar alle drie de voorstellingen die ik zag, konden me smaken. Waar Coussens botste op voorstellingen die te snel tevreden waren met halve ideeën, zag ik drie voorstellingen die elk op hun eigen manier weten te raken zonder te vervallen in plat entertainment. Zeker Amadou en vooral Franje slagen erin hun hele publiek in vervoering te brengen. Amadou sleurt je mee in een vertelling waar je mond van openvalt, terwijl Franje je uitnodigt haar wereld te betreden en spelenderwijs te ontdekken – zodat je daarna met een frisse blik naar de gewone wereld kijkt, of alleszins toch naar de kleerkast van je ouders. Al bleef The Round voor mij misschien wat meer op een afstand, het is nog steeds een krachtige reminder dat ons lichaam dient om te bewegen. Haal die voorstelling weg uit een festivalsetting en wie weet maakt ze dezelfde groei door als Franje.
Zelf kan ik alleszins niet wachten om met mijn dochter de magie van theater te ontdekken, om me te laten verwonderen door haar verwondering. Al besef ik ook wel dat mijn onbezorgde dagen als kinderloze toeschouwer dan voorbij zullen zijn. Misschien zal ik haar net als Coussens ook wel eens moeten troosten na een tegenvallende voorstelling, haar verzekeren dat er écht nog goed theater bestaat.
The Round tourt nog van april tot oktober, klik hier voor de speeldata. Amadou is nog een aantal keer te zien in maart en april. Franje speelt nog tot in juni, de data vind je hier.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.