Jean-Marc Adolphe

Leestijd 12 — 15 minuten

Kortcontractbreuk

Door deze zomer de afgelasting van festivals zoals dat van Avignon te veroorzaken, zijn de kunstenaars en technici die binnen de podiumkunsten onder korte contracten werken (en cachet, zie noot van de vertaler), binnengevallen op de Franse politieke scène. Hun conflict, dat nog steeds aan de gang is, trekt een maatschappelijk debat op gang waarin de plaats van kunst en cultuur niet het enige ingrediënt is.

Het podiumkunstenmilieu is het gewend dat er niet aan zijn privileges wordt geraakt, maar men raakt er aan zoals aan die van anderen, en dat is wat men de hervorming noemt‘. Aan het woord is baron Ernest-Antoine Seillière, voorzitter van het Medef (Mouvement des entreprises de France), de machtigste van alle Franse werkgeversorganisaties. Met ‘privileges’ bedoelt hij de sociale rechten van de arbeiders, en de ‘hervorming’, waarvan hij zegt dat hij ze wenst, is een project dat werd bedacht onder de naam ‘sociale herfundering’, waarmee de Franse werkgeversorganisaties hopen te wegen op de politiek. Het gaat erom dat de “Verzorgingsstaat’, zoals die geïnstalleerd werd na de Tweede Wereldoorlog, vervangen wordt door een ‘risicomaatschappij’, waarin de privé-sector de sociale organisatie onderwerpt aan haar objectieven van rentabiliteit. Met de medewerking van een liberaal geïnspireerde regering, verkozen in april-mei 2002, vindt dat project in Frankrijk, net zoals in andere Europese landen, zijn politieke vertaling in een reeks wetten en hervormingen die raken aan de pensioenen, de werkloosheidsuitkeringen, de financiering van de sociale zekerheid, het nut van de overheidsdiensten, enzovoort.

Sinds een tiental jaar verbergen de Franse werkgeversorganisaties hun irritatie niet ten opzichte van een specifiek systeem van werkloosheidsuitkeringen voor kunstenaars en technici uit de podiumkunsten- en de audiovisuele sector. Dat systeem, dat vrij uniek is in Europa, is meer bepaald uitgedacht om professionelen ter hulp te komen van wie de beroepsuitoefening gekenmerkt wordt door niet-aaneensluitende periodes van tijdelijke indiensttreding (werken en cachet, nvdv). Het systeem garandeert hen, tegen een minimum van 507 officiële werkuren gedurende één jaar, het recht op stempelen gedurende de periodes waarin ze niet in dienst zijn. In de overgrote meerderheid van de gevallen blijven de toegekende werkloosheidsuitkeringen eerder bescheiden, maar het systeem kent sinds twintig jaar een groeiend succes. Het heeft immers de artistieke en culturele ontwikkelingen vergezeld sinds ‘de Lang-jaren’ (genoemd naar de minister van Cultuur die François Mitterrand in 1981 aanstelde). Buiten de grote instellingen zijn vaste artistieke gezelschappen inderdaad schaars. Het systeem en cachet (of cachetregeling, nvdv), heeft ervoor gezorgd dat er talrijke onafhankelijke gezelschappen zijn kunnen ontstaan, wat aan sommigen de uitspraak ontlokte dat in Frankrijk het stempelgeld de eerste bron van subsidie is voor hedendaagse creatie! Met een misprijzen dat hij zelfs niet probeert te verbergen, klaagt de voorzitter van het Medef ‘de mensen’ aan ‘die van de werkloosheidskas leven in plaats van te leven van hun werk’. Vandaag zijn er bijna 100.000 mensen die en cachet werken en die daarnaast werkloosheidsuitkeringen ontvangen. Bij de evaluatie van dat cijfer vergeet men echter vaak te vermelden dat de Franse culturele sector (in de brede zin van het woord) 460.000 vaste arbeidsplaatsen telt. En dan hebben we het nog niet over de arbeidsplaatsen die daar indirect uit voortvloeien. Verre van louter een kostenpost te zijn, genereert de culturele activiteit dus een niet te verwaarlozen economie (de afgelasting, deze zomer, van de festivals van Avignon en Aix-en-Provence, heeft met name de aanzienlijke economische weerslag aangetoond van deze evenementen op stedelijk en regionaal niveau.)

Sommige privé-organisaties, meer bepaald in het domein van de audiovisuele kunst, hebben handig gebruik gemaakt van de cachetregeling om hun loonlasten te verminderen, door bepaalde tewerkstellingsposten een valse naam te geven (een telefonist wordt bijvoorbeeld ingeschreven als ‘productieverantwoordelijke’), en door met opzet slechts een deel van het reëel gepresteerde werk aan te geven, waarbij de rest van het werk gedekt wordt door de werkloosheidsuitkeringen. Het is onder voorwendsel van die ‘misbruiken’ (gekend maar zelden bestraft), en door de cachetregeling voor te stellen als zijnde in grote mate verlieslatend (volgens een uiterst aanvechtbare berekeningswijze), dat de werkgeversorganisaties, maar ook sommige vakbonden en de huidige Franse minister van Cultuur, Jean-Jacques Aillagon, besloten hebben tot een onvermijdelijke hervorming van dat systeem. De ‘sociale partners’ hebben de voorstellen die enkele maanden eerder op tafel waren gelegd door bepaalde professionele organisaties (waaronder het CGT, de vakbond die in de podium-kusten- en de audiovisuele sector veruit de meeste leden heeft) genegeerd, en hebben in de nacht van 26 op 27 juni 2003 een akkoord getekend dat door zijn tegenstanders meteen ‘misdadig’ werd genoemd. In essentie bepaalt dat akkoord dat men evenveel uren moet werken als voorheen, maar in een kortere tijdsspanne; de duur en het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop men dan recht heeft, zullen eveneens worden ingeperkt. Voor velen, die het materieel al niet waanzinnig breed hebben, komen die nieuwe regels over als een flagrante onrechtvaardigheid, die een grote onzekerheid over hun toekomst werpt. Het doel van de hervorming is dan ook het inperken van het aantal mensen dat valt onder de cachetregeling. Volgens bepaalde realistische schattingen, zal een derde van de werknemers en cachet die momenteel uitkeringen ontvangen elk recht tot stempelen verliezen, en de instap van nieuwe generaties in het systeem zal veel moeilijker zijn.

Bij de woede over de ondertekening van het akkoord, komt ook het gevoel dat men in de steek is gelaten door de minister van Cultuur. Als ex-directeur van de culturele zaken van de stad Parijs in de periode dat Jacques Chirac er burgemeester was, en vervolgens voorzitter van het Centre Georges Pompidou, is Jean-Jacques Aillagon weinig vertrouwd met de podiumkunsten. In eerste instantie noemde men zijn politiek onduidelijk, te meer omdat zijn eerste budget, in 2003, een heel klein beetje was teruggesnoeid dooide eerste minister. In werkelijkheid zijn de middelen van het ministerie van Cultuur, sinds de verdubbeling ervan onder Jack Lang in het begin van de jaren ’80, niet toegenomen, terwijl het ‘culturele aanbod’ aanzienlijk is gediversifieerd. Ten opzichte van de steden en de regio’s, die de laatste jaren veel geïnvesteerd hebben inzake cultuur, heeft de staat geleidelijk aan haar invloedssfeer laten slinken. Maar in tegenstelling tot andere Europese landen, en wat de vooruitgang ook moge zijn op het vlak van ‘decentralisatie’, blijft in Frankrijk de staat toch voor velen de voornaamste protagonist in een voluntaristische cultuurpolitiek, en de waarborg voor de creatieve vrijheid.

De verkiezingen van 2002 hebben een regering aan de macht gebracht die verkozen is op basis van een veiligheidscampagne. In  een moeilijke economische context, waarin de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie prioritair zijn inzake budgettaire keuzes, is het duidelijk dat de middelen voor cultuur, onderwijs en onderzoek ten dele worden opgeofferd. Wat de verklaringen van Jean-Jacques Aillagon of de ‘beloftes’ van de president van de republiek (waaraan bijna niemand nog geloof hecht) ook mogen zijn, de meeste culturele actoren maken gewag van een terugtrekking van de staat, die haar inmenging in eerste instantie blijkbaar wil gaan richten op erfgoed en prestige-instellingen en dito festivals, ten nadele van een overvloedige en diverse groei, die men oncontroleerbaar en zelfs gevaarlijk vindt.

De crisis van de voorbije zomer werd rechtstreeks veroorzaakt door die hervorming, die tienduizenden werknemers en cachet rechtstreeks treft. Maar ze was ook geënt op een meer algemeen gevoel van ontreddering: de maatschappelijke plaats van kunst en cultuur, die in Frankrijk het voorwerp was van een min of meer algemeen aanvaarde modus vivendi (op het extreem-rechtse gedachtegoed na), is plots aan het wankelen gebracht. Bovendien voelen sommige mensen die en cachet werken zich nu al zo kwetsbaar dat ze zich de facto solidair voelen met de kwetsbare sociale klassen. Deze zomer bij de afgelasting van het Festival van Avignon hebben we weliswaar kunstenaars met faam aan het woord gehoord, maar toch mag men niet vergeten dat de beweging van werknemers en cachet geboren is uit, en georganiseerd werd rond min of meer informele comités’. En in de Parijse regio heeft die groepering zichzelf niet toevallig ‘Maatschappelijk Kwetsbaren en Werknemers en cachet‘ genoemd. Los van het verhaal van de media, drukt de beweging een nieuwe vorm uit van sociale democratisering van het artistieke en culturele leven. Men kan zich inderdaad de vraag stellen of de hervorming van de cachetregeling niet tot doel heeft om een tendens af te remmen die zich heeft ontwikkeld sinds 1968. ‘Het signaal dat de nieuwe bepalingen uitzenden is duidelijk: gedaan met het lange proces van ‘democratisering’ van de kunst, van de intellectuele en culturele beroepen. Men moet ze hiërarchiseren, controleren, alvorens ze te verarmen. Wat de podiumkunsten betreft, gaat het er om een relatief beperkte club van kunstenaars te definiëren volgens de criteria van de staat, van de ondernemingen en van de lokale gemeenschappen’, vindt een groepering van werknemers en cachet.

Is ‘het uitzonderingsstatuut van cultuur’ dat Frankrijk verdedigt, in crisis geraakt? Die notie wordt met klem verdedigd bij internationale instanties om de legitimiteit te verzekeren van overheidssteun aan de culturele productie, tegen de Amerikaanse wil in om cultuur aan marktwetten te onderwerpen. Maar dat heeft niet verhinderd dat er zich binnen de Europese en nationale grenzen zelf gigantische industriële concentraties vormen, die de productie- en distributiemiddelen inpalmen. Dat fenomeen treft vooral de film, de uitgeverswereld en de platenindustrie, en maakt de onafhankelijke creatie veel kwetsbaarder. Binnen de audiovisuele sector, hebben de gevolgen van de privatisering van televisiezenders ook een impact gehad op de volledige economie van de ‘overheidsdiensten’. En de politiek van de quota’s2 die werd opgelegd aan privézenders, dreigt zelf aan diggelen te vliegen sinds de Raad van State deze zomer het statuut van ‘audiovisueel werk’ heeft toegekend aan een variétéprogramma als Popstars. Het concept van ‘realityTV’, tenslotte, neemt vandaag de dag een buitensporig grote plaats in op het kleine scherm. Dat is ook wat de werknemers en cachet wilden aanklagen toen ze in oktober het plateau van Star Academy gingen bezetten. Op één van hun spandoeken stond: ‘Zet uw televisie af’.

Terwijl de regeringen – zowel links als rechts geïnspireerd – hun discours niet langer baseren op het belang van artistieke creatie, maar op ‘de algemene toegankelijkheid van de cultuur’, is het op zijn minst paradoxaal te moeten constateren dat de meest verspreide cultuur voortaan die cultuur is die wordt voortgebracht door televisie van lage kwaliteit, die de notie amusement oplegt, en die zowel een beeld van makkelijk succes verspreidt als het idee van competitie overwaardeert. Vanuit economisch oogpunt lijkt het enige doel: maximale rentabiliteit door minimale kost. Dat is natuurlijk mijlenver verwijderd van de ‘ambachtelijkheid’ van het theater, van de dans of van de muziek. Indien creatie a priori niet kan gedacht worden in functie van rentabiliteitscriteria, dan is dat omdat zij een totaal niet kwantificeerbare component in zich draagt, en dat is de tijd van latentie, van genese en van onzichtbaarheid. Maar zoals de filosoof Marie-José Mondzain (auteur van Images de l’origine, origines de l’image) in herinnering brengt: ‘De totale zichtbaarheid is het fantasma van onze maatschappij: zien wat men doet, op elk moment zien doen. Echter, in de wetenschap dat zichtbaarheid een leugen is, een lichteffect, is de kelder of het souterrain (of de cinemazaal) die donkere plaats waar het geheim van de zichtbaarheid kan plaatsvinden. In tegenstelling tot de ‘dode tijd’ van het werk en de productie, zonder bloei, zonder gedachte aan, noch belofte van vrijheid, opent de terugtrekking in het onzichtbare een tijd die de tijd mogelijk maakt, alsook het persoonlijke gebruik van tijd, de ervaring van de subjectief beleefde tijd.’ De strijd van de werknemers en cachet zou zich in die optiek inschrijven in de verdediging van het recht op onzichtbaarheid, ‘symbolische inzet voor burgers die weigeren koopwaren te worden, uitgestald in een obscene zichtbaarheid’.

Begint er zich inderdaad geen maatschappij af te tekenen waarin al wat niet onmiddellijk opbrengt, als nutteloos en teveel wordt beschouwd? Dat gevoel, dat verre van karikaturaal is, doorkruist in ieder geval alle debatten en forums die zich sinds vorige zomer vermenigvuldigd hebben. Ver voorbij de specifieke eisen die hen in het begin van hun beweging bezighielden, hebben de werknemers en cachet de voorwaarden weten te scheppen voor een ruim maatschappelijk debat. Maar hoewel de regionale en Europese verkiezingen in het vooruitzicht liggen, blijft de politieke vertaling van de opgeworpen vragen weinig waarschijnlijk. En naarmate het thema van de ‘sociale onzekerheid’ aanzwelt, waarvan de culturele actoren zich tot nu toe misschien afgeschermd dachten, blijft extreem-rechts, dat voor een verrassing heeft gezorgd tijdens de laatste presidentsverkiezingen in Frankrijk, wel degelijk een schadelijke kracht. Door de herfundering van de Franse cultuurpolitiek aan te kondigen, die hij liever onderworpen zou zien aan ‘objectieve criteria’ en territoriale ‘normen’, staat de minister van Cultuur in de grond een elitemaatschappij voor, die al wie daar buiten staat in een toenemende kwetsbare positie duwt. Het conflict van de werknemers en cachet bevindt zich in het hart van die sociale, culturele en politieke breuk, waarvan de gevolgen nog niet te overzien zijn.

Jean-Marc Adolphe vert: Clara Van den Broek

 

Een lange geschiedenis

ln Frankrijk behelst het systeem van werkloosheidsuitkeringen twee specifieke extra bepalingen uit 1964 en uit 1969, één voor arbeiders en technici in de film- en audiovisuele sector, en één voor kunstenaars en technici uit de podiumkunsten. Die bepalingen hadden tot doel aan de specificiteit van die beroepen tegemoet te komen: de werknemers in kwestie zijn in dienst gedurende filmopnamen of een voorstelling, en worden geconfronteerd met niet-aansluitende periodes van indiensttreding, gebonden aan de aard van hun activiteit. Het systeem dat speciaal voor die ‘werknemers met korte, niet-aansluitende contracten’ is ontworpen, bepaalt dat elk individu dat over de periode van het voorbije jaar een minimum aantal cachets (korte contracten, nvdv) of 507 officiele werkuren kan voorleggen, recht heeft op werkloosheiduitkeringen. De na-oorlogse Franse regeringen hebben de basis gelegd voor een paritair beheer van de sociale zekerheid, doordat de werkgeversorganisaties en de vakbonden van werknemers haar samen controleren. De interprofessionele solidariteit inzake de werkloosheid wordt geregeld door de nationale conventie van de Nationale Unie voor Werk in de Industrie en de Handel (UNIDEC), ondertekend in 1958. Sinds de jaren ’90, echter, proberen de Franse werkgeversorganisaties het specifieke statuut van werknemers en cachet ter discussie te stellen. Ze vinden het een overdreven groot privilege in vergelijking met de algemene werkloosheidsregeling, die veel minder gunstig is. Maar heel wat professionelen in de podiumkunsten, het circus, de film en de video leven van die aanvulling bij hun inkomen. Van 1991 tot  2002 is het aantal werkloosheidsgerechtigde werknemers en cachet verdubbeld, met een stijging van 55.000 naar 98.000. Om een systeem te vrijwaren dat zijn gelijke in Europa nauwelijks kent, zijn de betrokken kunstenaars en technici in actie gekomen sinds 1992 (bezetting van het Odéon Theater, verstoring van het Festival van Avignon). Sindsdien heeft het dossier van de werknemers en cachet al talrijke bokkensprongen gemaakt. Telkens werd het systeem voor enkele maanden verlengd, alvorens weer ter discussie te worden gesteld. Gebruik makend van een herbespreking van de algemene werkloosheidsvoorwaarden, maar ook van de gunstige politieke context door een machtswissel die leidde tot een conservatieve regering, heeft het Medef (de voornaamste werkgeversorganisatie in Frankrijk) in december 2002 eerst gedreigd heel het systeem van de werknemers en cachet gelijk te schakelen met het systeem van het interimwerk. Vervolgens heeft het van drie vakbonden met weinig leden in de podiumkunsten- en de audiovisuele sector (de CFDT, de CFTC en de CGC), een akkoord verkregen dat de toetredings- en lidmaatschapsvoorwaarden van de werknemers en cachet verstrengt en tegelijkertijd de duur en het bedrag van hun uitkeringen beperkt. Het is dat akkoord, ondertekend in de nacht van 26 op 27 juni 2003, dat het vuur aan de lont heeft gestoken en heeft geleid tot de afgelasting van enkele van de voornaamste Franse festivals: Montpellier, Marseille, Avignon, Chalon dans la rue, enzovoort. Ondanks dat spectaculaire protest, en de quasi unanieme verwerping van dat akkoord door de organisaties die alle podiumkunsten- en audiovisuele sectoren vertegenwoordigen, heeft de Franse regering ingestemd met die hervorming. Onder voorbehoud van de gerechtelijke stappen die door de vakbonden en de groeperingen van werknemers en cachet zijn ondernomen, zouden de nieuwe bepalingen in voege moeten treden vanaf 1 januari 2004.

De cachetregeling

Ook in België krijgen mensen die werken met korte, vaak niet-aaneensluitende contracten, volgens art. 37 van het KB van 25/11/1991 een aparte behandeling inzake werkloosheidsuitkeringen. De instapvoorwaarde in het werkloosheidssysteem is voor iedereen dezelfde: personen onder de 36 jaar moeten 312 officieel gewerkte dagen op 18 maanden kunnen voorleggen, te bewijzen met C4’s. Personen tussen de 36 en 49 jaar: 468 dagen op 27 maanden. En personen boven de 50 jaar: 624 dagen op 36 maanden. Elke ‘beginnend werkloze’ krijgt, als hij aan die voorwaarde heeft voldaan, ongeveer 60% van zijn loon, met bovenplafond, als aanvangsuitkering toegekend. Voor de meeste werklozen daalt dat percentage vrij snel indien zij werkloos blijven. Maar voor mensen die ‘werken in sectoren waarin meestal met korte contracten wordt gewerkt’, maakt de wetgeving een uitzondering. Op de website van de RVA staat te lezen:’Bent u in hoofdberoep werkzaam in een bijzondere arbeidsmarkt waarin doorgaans gewerkt wordt met overeenkomsten van zeer korte duur (minder dan 3 maanden) dan kan u voor de vaststelling van het dagbedrag van de uitkering, genieten van een voordeelregeling. Het bedrag van de uitkering zal dan niet verder dalen. De regeling geldt voor één jaar, doch is verlengbaar indien u aantoont dat u in het voorbije jaar verder actief was in de bijzondere arbeidsmarkt.’

Die uitzonderingsmaatregel moet specifiek aangevraagd worden via de uitbetalingsinstelling en wordt dus niet automatisch toegepast. Heel wat kunstenaars binnen de podiumkunsten maken gebruik van deze uitzonderingsmogelijkheid, genaamd cachetregeling, en hebben het zogenaamde ‘statut en cachet‘, of in de volksmond ‘kunstenaars- of houthakkersstatuut’. Volgens de cachetregeling moet een kunstenaar, indien hij aan de initiële instapvoorwaarde voor werkloosheidsuitkeringen heeft voldaan, per jaar slechts één C4 van een kort contract (in dienst als kunstenaar) voorleggen om het bedrag van zijn uitkeringen niet te zien dalen. Een kort contract, of cachet, is een contract van een dag tot drie maanden min een dag. In principe moet hij dus slechts een dag per jaar officieel als kunstenaar werken (mét C4), om zijn werkloosheidspremie te behouden. Die regel stelt kunstenaars in staat te leven van hun artistieke bezigheid. Zoals elke beschermingsmaatregel, heeft ook deze echter zijn nadelen in de praktijk. Om te beginnen ligt de instapvoorwaarde redelijk hoog voor beginnende kunstenaars. Het betreft vaak mensen die werken binnen slechtbetaalde initiatieven, die zich bijgevolg ook geen inschrijvingen (met o.m. bedrijfsvoorheffing) kunnen veroorloven. In de praktijk duurt het voor velen lang voordat hun carrière een voldoende hoge vlucht heeft genomen om die 312 ingeschreven dagen te verzamelen in een tijdspanne van 18 maanden. Ten tweede is de regeling exclusief in die zin dat alleen korte contracten meetellen. Contracten die langer duren dan drie maanden min een dag, komen niet in aanmerking voor de verlenging van de periode waarin men uitkeringsgerechtigd is. Dat wil in de praktijk zeggen dat een kunstenaar die gedurende langer dan een jaar, en bij uitbreiding langer dan 15 maanden, met niet aaneensluitende lange contracten werkt binnen de culturele sector (en toch niet aan 312 officieel gewerkte dagen komt op 18 maanden), uit het systeem valt, en weer van voren af aan moet beginnen. Dus weer 312 dagen over 18 maanden, met een minimumuitkering voor de dagen in die periode waarop hij niet werkt. In de theaterpraktijk, bijvoorbeeld, is het echter vaak zo dat er twee maanden wordt gerepeteerd, en twee maanden gespeeld. Dat zijn vier maanden, een lang contract dus. Van een lang contract twee korte contracten maken, is in principe niet mogelijk. Wettelijk gezien komt de opeenstapeling van korte contracten bij dezelfde werkgever immers neer op een contract van onbepaalde duur, met als gevolg een verplichte vooropzegtermijn, wat onbetaalbaar is voor de meeste gezelschappen. De regel die bepaalt dat opeenvolgende korte contracten bij dezelfde werkgever neerkomen op een contract van onbepaalde duur, laat wel enkele uitzonderingen toe, o.m. binnen de gesubsidieerde sector, maar die zijn niet altijd van toepassing. En in ieder geval is hier ruimte voor interpretatie. Ten slotte laat het systeem ook misbruiken toe: één dagcontract per jaar is bij deze of gene bevriende organisatie meestal wel te krijgen, ook al heeft men niet effectief gewerkt voor die organisatie. Critici beweren dan ook dat het systeem kunstenaars die regelmatig werken in zekere zin benadeelt ten opzichte van kunstenaars die niet (officieel) werken.

Noot van de vertaler

De Franse term ‘intermittent’ verwijst naar een persoon die tewerkgesteld is gedurende niet-aansluiten-de periodes, en dus meestal onder korte contracten. De term is hier meestal vertaald door ‘werknemer en cachet‘. De term ‘cachet’ is synoniem voor ‘kort contract’ en wordt in het Belgische werkloosheidssysteem als dusdanig ook apart behandeld. De ‘cachetregeling’ is de term die in het Belgische werkloosheidssysteem wordt gehanteerd voor personen in een vergelijkbare situatie. Het systeem is vergelijkbaar met het Franse, maar verschilt op bepaalde punten. Toch worden in de vertaling de termen ‘en cachet‘ en ‘cachetregeling’ gebruikt, omdat ze aan een vergelijkbaar en door ons gekend systeem refereren.

1 Het gaat hier om de zogenaamde’coordinations‘. De laatste jaren zijn er in Frankrijk verschillende sociale bewegingen ontstaan buiten de traditionele vakbonden. Zo hebben de werknemers en cachet, van wie er velen niet aangesloten zijn bij een vakbond, zich per regio gegroepeerd in ‘coordinations‘.

2 Er wordt aan privézenders een minimum aantal nationale en Europese programma’s opgelegd, en een minimum hoeveelheid ‘audiovisueel werk’.

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 12 — 15 minuten

#89

15.12.2003

14.03.2004

Jean-Marc Adolphe

Jean-Marc Adolphe werkt in het Théâtre de la Bastille (Parijs) en is hoofdredacteur van het Franse danstijdschrift Mouvement.