(A)

Evelyne Coussens

Leestijd 9 — 12 minuten

Kopzorgen van een commissielid

Hoe beoordeel je sociaal-artistiek werk binnen het herziene Kunstendecreet?

Het nieuwe beoordelingssysteem van de recente subsidieronde schakelt de sociaal-artistieke sector gelijk met de rest van het kunstenveld. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Evelyne Coussens, zelf lid van de commissie podiumkunsten-theater, getuigt over de problemen van die inclusie, zowel praktisch als filosofisch.

Sociaal-artistiek is dood, leve sociaal-artistiek! Voor iemand zich in rouw dompelt: niet de praktijk is dood, die is springlevend en staat ook na de meest recente structurele subsidieronde zelfs behoorlijk stevig op zijn poten. Wat dood is, beleidsmatig, is de categorie sociaal-artistiek, als ‘omkaderend initiatief, zoals het in de eerste versie van het Kunstendecreet nog heette, als apart hokje binnen het verder ‘schottenloze’ decreet. Met de herziening van dit Kunstendecreet en de toepassing van de nieuwe manier van beoordelen voor de ronde 2017-2021 kregen de ‘sociaal-artistieke’ organisaties (zoals we ze gemakshalve nog even zullen noemen), voorheen ondergebracht bij een aparte commissie, een plekje tussen de dossiers van reguliere kunstenorganisaties. Unie der Zorgelozen kwam zo via podiumkunsten-theater op de plank naast Abattoir Fermé en Theater Antigone; Platform K diende in bij podiumkunsten-dans & performance en zag zich in zijn pool verenigd met Rosas en Damaged Goods.

De bedoeling was de procedurele maar ook symbolische gelijkschakeling van de sector formerly known as sociaal-artistiek met de rest van het kunstenveld, maar in de praktijk bezorgde de inclusie de nieuw samengestelde commissies nogal wat kopzorgen. Ik wil twee problemen toelichten waarmee de commissie podiumkunsten-theater, waartoe ik zelf behoorde, worstelde. Eén ervan is praktisch, het tweede is ingrijpender en meer filosofisch van aard. Over deze knelpunten ging ik in gesprek met Dominique Willaert van Victoria Deluxe, An Van den Bergh van Demos en Bart Caron van Groen. Ik schrijf deze bijdrage uit eigen naam.

Over de overkoepelende mankementen van het nieuwe beoordelingssysteem werd in Etcetera en rekto:verso al uitgebreid geschreven (1) Samenvattend blijken de belangrijkste moeilijkheden de onduidelijke afbakening van de functies (met in het bijzonder de problemen rond ‘participatie’), het feit dat de commissies alsnog eerst op basis van discipline worden ingedeeld, een gebrek aan overzicht over het landschap (zelfs intradisciplinair) en last but not least een gebrek aan geheugen en dus expertise bij de snel wisselende commissies. Wat in dat kader nog niet gezegd is: het feit dat het probleem van expertise in het geval van de sociaal-artistieke organisaties (overigens ook in het geval van de kunsteducatieve organisaties) een extra dimensie kent. Het zijn twee ex-categorieën die niet of niet exclusief gericht zijn op artistieke producten, maar ook op educatieve, sociale en artistieke processen.

Dat vergt bij een commissie een andere kennisop-bouw dan het louter ‘consumeren’ van het eindproduct. Dominique Willaert van Victoria Deluxe: ‘Je kunt onze sector niet alleen beoordelen op basis van de producten, dan mis je de helft van het verhaal. Commissieleden moeten geen dossier beoordelen, maar een werking. Bovendien moet een commissie een gedeelde visie kunnen ontwikkelen over de manier waarop onze samenleving verandert, en over de nieuwe expressievormen die dat met zich meebrengt.’

In het nieuwe beoordelingssysteem is het sowieso een feit dat het gewicht van het geheugen afneemt ten voordele van het belang van het dossier, of anders gezegd: reële kennis van het verleden boet in tegenover papieren verwachtingen voor de toekomst. Vaste commissieleden met jarenlange kijkervaring worden vervangen door nieuwkomers die weliswaar een frisse blik meebrengen, maar vooral oordelen op basis van het dossier. Onder de aanvragers hebben getrainde dossier-schrijvers zo een voordeel. Voor de sociaal-artistieke organisaties komt daar dus nog eens bij dat niet alleen het product, maar ook een veel ongrijpbaarder proces succesvol ‘gepitchf moet worden.

In een ideale wereld heeft elke nieuw samengestelde commissie er meerdere werkbezoeken achter de schermen opzitten, naast het beoordelen van de creaties zelf. De tijdsdruk maakt dat simpelweg onmogelijk. Verder redenerend bevestigt dit de paradox die het ‘schottenloze’ Kunstendecreet al van bij het begin doordringt: het voluntaristische verlangen naar gelijke behandeling (via strakke formattering en uniformisering) versus de vaststelling dat de praktijk weerbarstig is, want dat de kunsten verschillend zijn, niet alleen in discipline maar ook in werkvorm — en dat ze dus van de commissies een andere aanpak vragen.

Artistieke finaliteit

Eigenlijk ligt die vaststelling ook aan de basis van het tweede, complexer probleem waarmee onze commissie worstelde: de artistieke kwaliteitsweging van de sociaal-artistieken te midden van de reguliere kunstendossiers. De discussie over de plaatsing van het sociaal-artistieke veld onder het Kunstendecreet is zo oud als het Kunstendecreet zelf, en intussen ruimschoots beslecht. Binnen de sociaal-artistieke sector is de consensus groot rond de positieve effecten van de inclusie. Toch is het goed om de belangrijkste argumenten pro kort samen te vatten:

1. Sociaal-artistieke organisaties beogen net als reguliere kunstenorganisaties een artistieke finaliteit: het artistieke is geen middel maar doel.

2. De aanwezigheid van sociaal-artistieke organisaties binnen het Kunstendecreet brengt andere perspectieven binnen in de kunstensector en verbreedt

zo het democratisch draagvlak van de kunsten.

3. Een retrospectief argument: de symbolische erkenning onder het Kunstendecreet heeft de sociaal-artistieke sector de sterke stem en hoge kwaliteitsnormen gegeven die er vandaag zijn, ze heeft zich naar dat decreet ‘gezet’. Een plaatsing onder het Decreet Sociaal-Cultureel Werk (zoals het kabinet-Schauvliege in 2009 overwoog) wordt gezien als een stap achteruit.

De eerste twee argumenten zijn van belang voor ons verhaal. Wie een aantal sleuteldocumenten (2) rond ontstaan en groei van het sociaal-artistieke veld leest, zal het niet ontgaan dat de artistieke finaliteit zwaar in de verf wordt gezet, bijna als een mantra dat elke mogelijke gedachte aan ‘tweederangskunst’ moet bezweren. Marijke Leye van het voormalige Kunst en Democratie (nu Demos) citeert in haar inzichtelijke nota (3) over de wortels van de sociaal-artistieke praktijk socioloog Eric Corijn, die aangeeft dat sociaal-artistiek werk met artistieke criteria moet worden beoordeeld. (4) Jan Knops van de vroegere beoordelingscommissie sociaal-artistiek benadrukte in een gesprek met onze commissie dat voor hen het artistieke primeerde. Goed, all animals seemed to be equal, dus probeerde onze commissie met deze duiding in het achterhoofd van wal te steken.

De bedoeling was dat de criteria waarmee Theater Zuidpool werd beoordeeld ook zouden gelden voor Tutti Fratelli (uiteraard indien van toepassing op dezelfde functies); dat we het dossier van Abattoir Fermé met dezelfde bril zouden lezen als dat van Unie der Zorgelozen. Emancipatie voltooid, iedereen blij —of niet natuurlijk, want de praktijk wees uit dat die aanpak, stricto sensu toegepast, alle sociaal-artistieke dossiers uit onze groep in de gevarenzone dreigde te storten. Omdat de globale artistieke kwaliteit van zelfs het ‘beste’ sociaal-artistieke theatergezelschap het niet haalde bij dat van de reguliere organisaties.

Het was te verwachten en voorzien, en beleidsmatig ook gevreesd, zegt Bart Caron, die mee aan de basis lag van de hertekening van Kunstendecreet: ‘We wisten dat het risico bestond dat de sociaal-artistieke dossiers vermalen zouden raken in de kwaliteitsstandaarden van de andere.’ Bij de discussies voorafgaand aan de hervorming van het decreet ontstond daarom druk om de eigenheid van de organisaties te expliciteren en zo te beschermen. Het werd uiteindelijk een vermelding in artikel 70: ‘Het Kunstensteunpunt besteedt binnen zijn werking aandacht aan de bevordering van culturele diversiteit Het ondersteunt tevens kunstenaars en kunstenorganisaties op het vlak van kunsteducatie, sociaal-artistiek werk en de participatie van kinderen en jongeren. Het Kunstensteunpunt kan daarvoor samenwerken met andere organisaties die op die terreinen over de nodige expertise beschikken.‘ Bart Caron: ‘Het gaat hier slechts over het Kunstensteunpunt, maar het was de enige weg om het begrip sociaal-artistiek werk in het decreet te smokkelen. Het symbolische belang van de opname mag je niet onderschatten.’

Verouderde tweedeling

Het blijft een vreemde demarche: er wordt een Kunstendecreet ontwikkeld met als voornaamste doel de gelijke behandeling van alle kunstvormen, waarna er in dat Kunstendecreet alsnog sectoren met een ‘eigenheid’ worden onderscheiden. De beoordelingscommissies worden aangemoedigd om alle dossiers met dezelfde blik te lezen, tot er dossiers blijken te zijn die alsnog een andere blik behoeven. De redenen voor dat beleidsmatige bochtenwerk zijn politiek. Ze hebben te maken met de instrumentele ‘excuusfunctie’ (Dominique Willaert) die het sociaal-artistieke werk aanvankelijk kreeg toebedeeld in de strijd tegen de verzuring na Zwarte Zondag. De sociaal-artistieke initiatieven moesten bijdragen tot de ‘heropvoeding’ van burgers die zich van de politiek hadden afgekeerd, tot het slechten van de kloof tussen burger en politiek — over die instrumentalisering schreef Erwin Mortier in 2006 al een snoeihard essay in rekto:verso. (5)

Het is die achtergrond die doorschemert in het tweede argument rond de opname van het sociaal-artistiek werk onder het Kunstendecreet: het binnenbrengen van ‘andere’ perspectieven in de kunstensector, omdat het, in de woorden van An Van den Bergh, ‘niet het exclusieve voorrecht is van een bepaalde klasse om het kunstenveld vorm te geven’. Nogmaals Van den Bergh: ‘De opname in het decreet is een symbolisch signaal dat andere stemmen gehoord mogen worden.’ Maar wie zijn concreet die andere stemmen, wat is die ‘andere’ waarde van het sociaal-artistieke werk, hoe definieer je die ‘anderstaligheid’ (Caron) die het verschil maakt?

Het is evident dat de artistieke finaliteit maar de helft is van het verhaal: sociaal-artistieke organisaties beogen niet exclusief een artistieke finaliteit, er is ook een finaliteit die voortvloeit uit de specifieke context waarin het kunstwerk wordt gecreëerd. Dominique Willaert: ‘Een kunstenaar die kiest voor een sociaal-artistiek project zit in een onderhandelende positie: hij kan niet zijn eigen verhaal vertellen, maar moet werken met het materiaal dat voorhanden is, met de mensen en de inhouden.’ Die mensen zijn niet-professionelen; die inhouden zijn voorWillaert superdiverse en stedelijke leefstijlen of leefwerelden. Volgens An Van den Bergh is de tweedeling tussen sociaal en artistiek verouderd: in het sociaal-artistieke valt het sociale niet exclusief samen met het proces, het artistieke niet met het product; beide zijn sociaal én artistiek. Of: het proces is altijd ook artistiek, het product is altijd ook sociaal.

De laatste aanname (dat kunst op de een of andere manier altijd een sociale dimensie heeft) lijkt meer vanzelfsprekend dan de eerste: dat een sociale dimensie ook als artistiek moet worden beschouwd. In die uitspraak schuilt de échte crux van alle definiërend gewroet. Het tweede argument gaat immers niet over participatie, niet over het verbreden van een publiek voor de kunsten, maar over het verbreden van het kunstbegrip zelf. Het gaat over het antwoord op de vraag ‘Wat is kunst?’ Het vraagt om een oprekking, een ‘besmetting’ van het aloude, door de blanke canon geformuleerde antwoord op de vraag naar het wezen van de kunst.

De criteria moeten verruimd, zodat de ‘anderstaligheid’ van het sociaal-artistieke werk niet wordt gezien als een sociale, maar als een artistieke waarde an sich. Omdat ‘kunst’ altijd ook ‘kunst-werk’ is. Terecht merkt Van den Bergh op dat daarin de verklaring schuilt voor de weerstand die de sociaal-artistieke dossiers binnen de commissies oproepen, versus het klaarblijkelijke gebrek aan reuring rond de kunsteducatieve organisaties. Kunsteducatie mikt niet op creatie, en dus blijven de kunsten onaangeraakt, wordt het wezen van de kunsten niet in vraag gesteld — terwijl de producerende sociaal-artistieke sector dat wél doet.

Symbolische stap terug

Moet een commissie dan anders gaan kijken, zichzelf herprogrammeren in functie van dat bredere kunstbegrip? Haar artistieke criteria resetten en opnieuw installeren? Voorwaar geen kleine opdracht. Ik geef toe dat het ons niet gelukt is. Mijn eigen commissie ging uiteindelijk pragmatisch om met de kwaliteitsweging: de sociaal-artistieke organisaties werden in een officieuze subgroep ondergebracht, waarbinnen een relatieve weging gebeurde. Eigenlijk deden we met andere woorden exact hetzelfde als wat vroeger in de commissie sociaal-artistiek gebeurde. Strategisch gezien werkte het blijkbaar, en misschien pakten ook andere commissies het zo aan, want de sociaal-artistieke sector als geheel bleek bij de beslissingen in juni financieel niet merkelijk meer achteruit te zijn gegaan dan de rest van de kunstensector. Symbolisch is het natuurlijk wel een stap terug, omdat het isoleren tegenover de reguliere dossiers opnieuw de artistieke ‘onvolkomenheid’ van de sociaal-artistieken bevestigt.

Maar wat met de andere optie: morrelen aan onze blik? Nog los van de behoudende reflex die zeker meespeelt (en die Alessandro Baricco zo goed heeft beschreven in De barbaren — onze angst voor het verlies van de ‘anima’ van de kunsten), is het mijn aanvoelen dat dat op dit moment te snel, te veel is gevraagd.

Zo’n mentaliteitswijziging is een lang en gestaag proces, dat organisch moet groeien en nauwelijks kan worden afgedwongen. Het kan wellicht enkel bespoedigd worden door meer beoordelaars in de commissies op te nemen die al zijn doordrongen van de intrinsiek artistieke waarde van die anderstaligheid. Want het blijft een feit dat, ondanks alle inspanningen rond culturele meerstemmigheid, het gros van de commissieleden nog steeds behoorlijk ‘gelijkstemmig’ is: blank, hoogopgeleid, middenklasse.

Overigens zijn, nog los van de onmiddellijke haalbaarheid, ook over de wenselijkheid van zo’n verbreding de meningen verdeeld. Voor Bart Caron, toch een felle verdediger van de sociaal-artistieke sector, is het een stap te ver. Caron: ‘Ik vind het sociaal-artistieke een verrijking van het kunstenveld op basis van de eigen taligheid en de aparte werkvormen. Daar ligt de relevantie voor het kunstenveld, maar het lijkt me overdreven om het kunstbegrip zelf op te rekken. Hoe ver moet dat dan gebeuren en wat zijn de nieuwe criteria? Waarom zou bijvoorbeeld de amateursector in zo’n geval ook niet onder het Kunstendecreet passen?’

Voor Caron hoeven we niet krampachtig die egalitaire bril op te zetten, noch te morrelen aan ons kunstbegrip: het volstaat te benoemen dat sociaal-artistiek werk een onmisbare aanvulling is op het reguliere kunstenveld, ook op basis van criteria die niet-artistiek zijn, die slaan op de context, de doelgroep en het werkproces. De sociaal-artistieke organisaties zijn same same but different gelijk in hun artistieke ambities, anders in hun aanpak. En als we dat erkennen, waarom dan geen verlossende terugkeer naar een categorie? Caron: ‘Het sociale is een dimensie die ik niet wil weggooien, maar als je die gedachte aanhoudt, dan moet je van de sociaal-artistieken een aparte groep maken. Je kunt toch geen ‘speciaal’ criterium toepassen voor bepaalde organisaties en voor andere niet?’

Anderzijds heeft precies de inclusie van de dossiers ontegensprekelijk de discussie over wat kunst is op scherp gezet. De dossiers hebben onze commissie gedwongen om ons over ons eigen kunstbegrip te buigen. Zoals An Van den Bergh zegt: ‘Door de dossiers in een aparte categorie te parkeren, zouden we het onszelf makkelijker maken, ja. We zouden er de kunstensector “zuiver” mee houden, we zouden helderheid creëren, zoals we alles wat moeilijk is, alles wat krabt aan onze kaders proberen buiten de deur te houden. Dat moeten we juist niet doen. Het is ook niet mogelijk: de realiteit is onhelder, en dus moeten we met die onhelderheid omgaan. Die dossiers liggen op je bord, ze stellen je kunstbegrip in vraag — just deal with it.’

Misschien is dat voorlopig inderdaad wel de grootste winst die de inclusieve beoordelingsprocedure heeft opgeleverd: een geanimeerd gesprek. Eentje dat sowieso voorbestemd is tot voortzetting.

1 Douibi, Dries en De Somviele, Charlotte, ‘Als objectiviteit het wint van waarde’, op Etcetera online, 23/2/2016. Hoet, Ciska, Het grote participatiedebat (4 delen), op: rekto:verso, juni-juli 2016

2 Visietekst Sociaal-artistiek werk van Demos (oktober 2010), Verduidelijkende nota van de commissie sociaal-artistiek werk (de dato 15/11/2013), Leye, Marijke, De sociaal-artistieke praktijk (2008), Hillaert, Wouter en Trienekens, Sandra, Kunst in transitie. Manifest voor participatieve kunstpraktijken, in opdracht van Demos & CAL-XL (2015)…

3 Leye, Marijke, De sociaal-artistieke praktijk (2008)

4 Corijn, Eric, (2002), Cultuur als stem, in: Kunst(s)maken, een sociaal-artistiek parcours, p. 15

5 Mortier, Erwin, ‘De kunst om nee te zeggen’, rekto:verso, oktober 2006

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 9 — 12 minuten

#147

15.12.2016

14.03.2017

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.