Visies voor het veld: Shari Aku Djifa Legbedje
Een veld dat traag durft zijn
Shari Aku Djifa Legbedje
© Kurt Van der Elst
Het zal wel toeval zijn, want ik geloof niet zo in trends. De voorbije weken zag ik drie theatervoorstellingen waarin een witte toneelspeler een andere toneelspeler met een niet-Europese achtergrond ontmoet. Dat hoeft niet zo uitzonderlijk te zijn, bijzonder is wel dat deze Bagger, Gelukzoekers en Josse Jnr. minstens de helft van hun tijd steken in het delen van expliciete vragen over die ontmoeting en over de artistieke uitdagingen die daaruit ontstaan. In die discussie, die fysiek, verbaal en muzikaal verloopt, worden die uitdagingen ook voelbaar gemaakt. Maar twee van de drie voorstellingen missen enigszins hun punt, voor zover ze er al in slagen dat punt duidelijk te maken. Josse Jnr. maakt wél een punt.
In Bagger proberen Tom Vermeir en Patricia Kargbo even de clichés van het woke-debat (is er wel een ‘debat’?) uit te spelen: de witte cisman die “niets meer mag zeggen” tegenover de jonge zwarte vrouw die boos en afwijzend reageert op elke onwelgevallige toenadering. Ondertussen barst er, op elk dood moment, zeer stevige rock&roll los, en ontstaat er een battle van superlatief acteren, grandioos gewonnen door Kargbo die haar Risjaar Modderfokker-monoloog uit Lanoyes Ten Oorlog (versie van Camping Sunset) overdoet, en daarna nooit haar energie zal verliezen. Vermeir doet niet echt onder, qua energie, maar is behaagzieker (en ook irritanter). Het eindigt allemaal met een bodyswitch: Kargbo wordt Vermeir, en omgekeerd, en dat is echt hilarisch. Je betrapt jezelf op je eigen clichés, hoe ‘verlicht’ je ook bent: een jonge vrouw, kind van vluchtelingen uit in Sierra Leone, opgegroeid in Roeselare, speelt een man die zichzelf omschrijft als een archetypische West-Vlaamse eikel, gewelddadigheid inbegrepen. En omgekeerd dus. Dat is awkward, je bent ongemakkelijk getuige van een zoektocht naar oncomfortabele identiteit, zelfs al is de metamorfose maar van korte duur. Tot ze samen ontploffen in een disco-act die het hele theater in lichterlaaie zet. Maar wat is de mededeling dan? Dat de verschillen té groot zijn, maar dat het toch een fijne ontmoeting was? Of dat rock&roll (en disco) al die verschillen juist uitvlakt? Bagger is meer een lawaaierige demonstratie van theatersport, dan een ondervraging van schurende en schrijnende identiteiten. Maar misschien is dat genoeg, soms.
“Met enige ironie tast Ratnamohan de grenzen van het etiket ‘muziektheater’ af.”
Heel anders verloopt de ontmoeting tussen Charlotte Vandermeersch en Mokhallad Rasem in Gelukzoekers. De Irakese vluchteling, die willens nillens altijd pijn en kwetsbaarheid toont, wil vragen stellen aan ‘Evelyne’, een fictieve goeroe van het bereikbare geluk. Zij wordt gespeeld door de ravissante actrice Charlotte Vandermeersch, stralend als een (goedaardige) diva. Ze zingt een lied, Rasem (of het personage, dat ‘Nergens’ heet) wil het haar steeds laten herhalen. Hij vraagt, zij vertelt, het blijft allemaal erg aan de oppervlakte, wellness-filosofie, aanrakingsangst, wederzijdse beate bewondering of minstens groot respect, maar een punt kunnen ze dus niet maken. En de helft van de voorstelling gaat, zowel in tekst als subtekst, over die onmogelijkheid. Dan maak je gewoon geen voorstelling, of je kiest voor iets radicaal anders dan deze zogenaamde authenticiteit. Ze relativeren zichzelf, af en toe, maar het ligt allemaal iets te dicht bij de meest oninteressante plekken van hun persoonlijkheid. Terwijl je zo goed weet dat ze allebei zoveel meer te vertellen hebben. Natuurlijk gaat elk verhaal, elke performance, die per se over een zinvolle ontmoeting wil gaan – over innige vriendschap, oprecht respect, liefde misschien – ook over de mislukking van die ontmoeting. Als twee treinsporen die elkaar enkel in het oneindige raken (nooit dus). Maar als het motief voor een close encounter ontbreekt (of toch niet zichtbaar wordt), dan is elke theatrale reddingspoging futiel en gênant om naar te kijken. De Irakees en de Oost-Vlaamse, het gaat eruit zien als kwalijk exotisme, zelfs al weet je uiteraard beter.
Maar waar Bagger en Gelukzoekers door respectievelijk teveel en te weinig energie hun doel nogal missen, komt Josse Jnr. dus wel ter zake. Nochtans begint de voorstelling, zoals die twee andere, met relatief banaal gekeuvel over de toenadering tussen drie spelers, die ook zichzelf presenteren. Etuwe Bright Junior maakt al een hele tijd deel uit van Star Boy Collective, dat in 2013 met Michael Essien I Want to Play as You… het genre ‘voetbaldanstheater’ uitvond. Ex-voetballer Ahilan Ratnamohan had gestrande Afrikaanse voetballers ontmoet, die door malafide makelaars naar Europa gelokt waren, maar die allemaal begaafd zijn met een soort fysieke discipline – trainingsarbeid – die hen tot performers kan maken. Etuwe Bright Junior, kortweg Junior, was een lokale voetbalheld in Lagos, Nigeria. Nu speelt hij, na alle valse beloften, semiprofessioneel in een lagere afdeling, werkt hij bij CoolBlue en wil hij vooral schitteren op het podium – of in film en TV, met een rol in Spitsbroers (VTM). Met z’n tweeën maken Ahilan en Junior, in 2019, Look on the Bright Side, waarin Junior fantaseert over het sterrendom, met Ahilan als tolk voor het beperkte Nederlands dat hij op dat moment spreekt. Daarin duikt ook Josse De Pauw op. Junior speelt een tekst van hem, over vissers die de schade opmeten na de storm.
Josse Jnr. zou je kunnen zien als een vervolg op Look on the Bright Side, dit keer met Josse mee op de scène. Josse en Junior vertellen dit verhaal, met fijne anekdotes, Ahilan voegt daaraan toe dat hij het plan voor dit duet met heel veel schroom bij Josse ging pitchen. Maar zijn angst voor de afwijzing – ‘een ster krijgt zoveel aanbiedingen’ – bleek ongegrond. Terwijl we vernemen dat Josse, weliswaar niet zo actief, tot verbazing van de anderen ook gefascineerd is door voetbal, ontstaat een choreografie die Ahilan heeft opgezet. Hij tapete ‘ladders’ op de toneelvloer, waar hijzelf en Junior klassieke trainingsoefeningen mee doen, en na een tijdje doet ook Josse mee. De fysieke inspanning gaat steeds meer het ritme van de dialogen bepalen, en ook de toon, letterlijk. Met de zendmicrofoontjes die ze dragen is hun ademhaling goed hoorbaar, het wordt een soort muziek onder de woorden, samen met het ritmisch geluid van hun voetstappen, tijdens de oefeningen. Naar het einde toe mondt dit zelfs uit in een very old skool rapnummer, The Last Poets waardig. Met enige ironie tasten ze de grenzen van het etiket ‘muziektheater’ af.
Een dunne verhaallijn tekent zich af, waarbij Junior Josse uitdaagt om nu eens écht zijn best te doen om een ster te worden, niet enkel in Vlaanderen. Wanneer Josse repliceert dat hij, wereldberoemd in Vlaanderen, behoorlijk tevreden is, dat hij wel degelijk de interessante producties kan uitkiezen, én een loyaal en geïnteresseerd publiek heeft, uit Junior zijn bewondering. Hij noemt hem de ‘Luka Modric van het Vlaamse theater’, verwijzend naar de 38-jarige ster van Real Madrid, die zich niet door Saoedische miljoenen liet verleiden: ook Josse blijft trouw aan zijn publiek.
Onder deze oppervlakte, die in het verlengde ligt van Junior’s eerder Look on the Bright Side, komt geleidelijk een andere thematiek ter sprake. Letterlijk ter sprake, want het gaat over taal, over schrijftaal en spreektaal, over moedertaal en aangeleerde taal. Ahilan verricht al enige tijd onderzoek naar de performatieve betekenis van meertaligheid. Zelf is hij een Engelstalige Australiër, leerde hij Nederlands en Duits en momenteel zelfs Frans en opnieuw Tamil, vanuit zijn Sri Lankaanse achtergrond. Enkel de moedertaalspreker kent de fundamentele gevoeligheid van woorden, in hun betekenis en in hun klank, en met die ‘superioriteit’ spelen Josse en Junior, met Ahilan als bijkomende commentator en stoorzender. Zo ontspint er zich een discussie, die haast muzikaal klinkt, over Josse’s liefde voor woorden die ‘schrijnen’, die ‘schuren’: deze woorden zijn zelf schrijnend en schurend, en ze stellen vragen rond de mogelijkheid om in vreemde talen tot een dieper begrip van elkaar te komen. Josse, Ahilan en Junior schreven tekst, alle drie. Wanneer ze elkaars tekst gebruiken, vallen meteen de objectieve taalfouten op, die vooral Josse, toch een taalvirtuoos, graag uitspeelt. Maar dit gebeurt speels, laconiek, zonder enige schijn van superioriteit of vernedering. Zoals dissonanten in een melodie, die de toeschouwer hier zacht dwingen beter te luisteren. Bij Ahilans tekst zijn dat details – ‘verheffen’ in plaats van ‘verheven’, niet meer dan dat – terwijl Juniors woorden een meer hybride vorm van Nederlands bevatten. Het is verbazend hoe je drie verschillende niveaus van taalbeheersing – virtuoos, correct en struikelend – in elkaar ziet overvloeien, zodat je op de duur niet goed meer weet wie wat geschreven heeft voor wie. Des te merkwaardiger, omdat het heel vaak precies gaat over de beperkingen die het werk (schrijven, spelen) met vreemde talen met zich meebrengt. Misschien wordt het ook gecompenseerd door de niveauverschillen qua fysieke paraatheid: de choreografie – zoals steeds bij Ahilan, gebaseerd op bewegingen van voetballers, een danstaal die hij klapping noemt – toont vrij genadeloos het verschil tussen twee getrainde atleten en een 71-jarige man, hoe beweeglijk en volhardend die ook nog blijkt te zijn. Ze helpen de hele tijd om hun star quality – niet spectaculair, wel fijnzinnig – tot zijn recht te doen komen: een zeldzame generositeit.
In Josse Jnr. tasten drie schrijvers/spelers behoedzaam de mogelijkheden van het toneelspelen af, in een veranderde wereld, waarin de veelzijdigheid van spreektalen en bewegingstalen enorm veel toegenomen is. Die pluriformiteit maakt het niet gemakkelijker om samen te spelen, ze moeten zwoegen om elkaars toonhoogte te vinden en om er zich vervolgens toe te verhouden, zonder de suggestie te wekken dat er iemand gecorrigeerd dient te worden. Er zijn standaarden, grammaticale correctheid bijvoorbeeld is niet nutteloos, maar die kunnen ook dienen om al dan niet bewuste afwijkingen tot iets grappigs of iets subliems te doen uitgroeien.
Josse Jnr. is een voorstelling die zeer expliciet over toneelspelen gaat, metatheater heet dat dan. Zonder shiny floor – enkel afgeplakte lijnen – zie je toch drie showbeesten en sterren. Het zou iets te naïef zijn om dit spel als een metafoor voor een meer conviviale omgang met cultuurverschillen te zien, in de grotere samenleving zijn de contrasten en conflicten gigantisch veel complexer. We krijgen eerder een inkijk in een laboratorium van de subtiliteit: met z’n drieën morrelen ze aan talige zekerheden, maar ze maken niets stuk, ze onderzoeken simpele gebaren, in repetitieve sequenties (zoals bij een voetbaltraining), ze experimenteren met de muzikaliteit van de ademhaling. En nog veel meer, elke toeschouwer ontdekt andere vondsten. Of deze toren van Babel ooit de hemel bereikt, is zeer de vraag, maar Josse Jnr. laat zien dat het bouwen ervan zinvol genoeg kan zijn. Zonder spektakel, kitsch of sentimentaliteit, eerder zacht brutalisme – als zoiets bestaat.
Josse Jnr. is in oktober te zien in onder meer Kortrijk en Brussel. De speellijst vind je hier.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.