Leestijd 4 — 7 minuten

Jenůfa – Nationale Opera Brussel

KRONIEK – IETS IN BEWEGING ZETTEN

In 1903 werd de Tsjechische opera Jenůfa gecreëerd, waarvoor Janácek een toneelstuk van Gabriela Preissova had bewerkt. Het verhaal is erg vreemd: Jenůfa verwacht een kind van de rijke Stefan, die van geen huwelijk wil weten. Laca echter, de oude molenaarsknecht, is op Jenůfa vreselijk verliefd, en uit wanhoop en jaloezie kerft hij met een mes in haar gelaat. Als Jenůfa’s kind geboren is, verdrinkt haar stiefmoeder het, opdat zo de huwelijkskansen van Jenůfa gaaf zouden kunnen blijven. Jenůfa, radeloos, aanvaardt de raad van haar stiefmoeder en trouwt met Laca. Het kinderlijkje wordt echter op de dag van het huwelijk gevonden. Drama in het Moravische dorp. Maar, merkwaardig genoeg, komt alles in orde: na een scène van geweld, valt alles in zijn plooi, vergeving alom, en de opera wordt afgerond door een hevig liefdesduet tussen de onwaarschijnlijke partners Jenůfa en Laca.

Het verhaal heeft diepe conservatieve trekken, want het is pas als iedereen zijn maatschappelijke positie accepteert dat er geen vuiltje aan de lucht is: dan bloeit de echte liefde open (1). Deze moeilijk te aanvaarden thesis wordt door Janácek met zoveel muzikale overtuigingskracht verteld, dat men zich, voor de tijd van een prachtig duet, gewonnen geeft. Want, dit staat buiten kijf, muzikaal is dit een opera van zeer grote kwaliteit. Janácek is erin geslaagd om zich los van het model van Wagner op te stellen, en een heel persoonlijke taal te smeden. Zoveel rijkdom in de orkestratie, zoveel schoonheid in de gebalde melodische lijn zijn te veel om alles slechts bij één beluistering volledig te vatten. Het is een opera, die men onmiddellijk opnieuw wil beluisteren, als de laatste maten ervan uitgestorven zijn. Zo ziet men dat goede muziek ideologische en menselijke bezwaren aan de kant kan doen schuiven. Of dat een goede zaak is (schoonheid tegen waarheid), is een te groot debat om in dit bestek lapidair te behandelen.

De opvoering in de Munt overtuigt zo sterk omdat dirigent Sylvain Cambreling deze muziek zo genereus aanvoelt. Hier wordt de emotionele kracht mooi in evenwicht gehouden door een klare, rationele opbouw. Hier moet de dirigent vooral het geheel zorgvuldig organiseren, zodat een lijn in de klarinet of een motief in de altviolen voldoende aanwezigheid krijgen, zonder als solistische beurt naar voor te komen, maar toch sterk voelbaar aanwezig te zijn. Bij dit soort muzikale analyse voelt Cambreling zich goed. Hij kan dit gave resultaat alleen bereiken als het orkest kwaliteit op alle banken heeft, en dat hoge peil heeft dit ensemble bereikt dank zij zijn jarenlange noeste arbeid en enthousiaste inzet. Ik merk altijd met veel plezier hoezeer de gaafheid van de hoornsectie is toegenomen – in een Belgisch orkest een zeldzaamheid. De vertoning was heel goed bezet, met een speciale pluim voor Anja Silja, die in de rol van de stiefmoeder uitblonk als actrice en als zangeres. Haar aanwezigheid op de scène (vooral in een schitterende tweede acte) gaf aan het geheel een onmiskenbare elektrische spanning. De regie zelf was in de handen van Adolf Dresen, die degelijk werk aflevert, waarbij hij nogmaals bewijst hoe knap hij met grote koorscènes overweg kan. In zijn personenregie heeft hij vooral de rol van Laca een merkwaardige kleur gegeven. Zoals William Cochran hem gestalte geeft, is hij ongeremd, dreigend en sadistisch. Hij geeft het personage de intensiteit van de debielen uit een Faulkner-roman. Hiermee echter wordt de laatste scène psychologisch nog onduidelijker. Alleen een citaat van Tolstoi in het programmaboek biedt een bittere sleutel: “Het huwelijk… brengt altijd lijden, waardoor de mens voor de bevrediging van zijn geslachtsdrift boet (sic) …” (p.61)

Trouwens over dat programmaboek wil ik nog iets kwijt. Het is dit keer pedant en irriterend: het bevat teksten die uit de goed gestoffeerde boekenkast van de Bon Chic Bon Genre-lezer gevallen zijn: Foucault, Ariés, Illich en de onvermijdelijke Baudrillard. Rouw, Hitler en de consumptiemaatschappij worden allemaal tussen de voeten van de geplaagde Jenůfa geworpen. Noch de tekst, noch de muziek, noch de regie hebben er iets mee te maken. Klap op de vuurpijl: de bijdrage die dieper op de stijl van Janácek ingaat is van de hand van Carl Dahlhaus. Wegens de Duitse logheid en complexiteit is zijn bijdrage nauwelijks leesbaar – wie bv. de eerste zin van de eerste paragraaf van de tweede kolom op p. 6 verstaat, verdient sowieso een prijs, maar verstaat hij dan wel de eerste zin van de volgende paragraaf? Laat ze maar woorden spuien, gelukkig is Janáceks muziek van een stralende overtuigingskracht.

 

JENŮFA

tekst: Gabriela Preissova; muziek: Leo Janacek; dirigent: Sylvain Cambreling; regie: Adolf Dresen; decor en kostuums: Margit Bardy; belichting: Erich Falk; met Kurt Schreibmayer (Steva), William Cochran (Laca), Anja Silja (Kostelniéka), Linda Plech (Jenůfa), Sona Cervena, Georg Paucker, Jules Bastin, Ira d’Arès, Elzbieta Szmytka, Koen Meynckens, e.a.

Gezien: première 27 oktober 1987

(1) Als Jenůfa uiteindelijk Laca aanvaardt, beroept ze zich zelfs op God, als legitimerende instantie. Dan zijn al onze bezwaren natuurlijk meteen van de baan!

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#20

15.12.1987

—

14.03.1988

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!