Leestijd 6 — 9 minuten

Jawel, de Vlaamse Golf heeft haar greep gelost

Redactioneel Etcetera 163: tekst, repertoire en ensemble

Is er sprake van een hernieuwde interesse voor teksttheater en repertoire? Of is deze thematiek vooral terug van nooit weggeweest? Voor dit lentenummer dook Etcetera nog eens diep in het debat rond tekst, repertoire en ensemble. Waar ligt de continuïteit en waar tekenen zich breuklijnen af? Een reflectie.

Het is niet moeilijk om een nieuwe aandacht voor tekst te detecteren. Zo mag het opvallend heten dat jonge leeuwen als Lisaboa Houbrechts of een gezelschap als Camping Sunset teruggrijpen naar teksttheater, klassiek repertoire en ensemblespel, net zoals niemand ontgaan is dat we in het vorige seizoen maar liefst vier versies te zien kregen van Albee’s Who’s Afraid of Virginia Woolf. In een podiumlandschap dat – veel meer dan sommige buurlanden – wordt getekend door postdrama en performance, sprak een aantal onder ons over ‘de terugkeer van het verdrongene’: plots zijn klassiekers terug hip en staat het ensemble weer op de agenda. Maar misschien is die interesse vooral terug van nooit écht weggeweest. We mogen ons alleszins niet laten vangen door de mythevorming en het korte geheugen waaraan de vluchtige podiumkunsten zo makkelijk onderhevig zijn.

Het staat buiten kijf dat we in Vlaanderen nooit de teksttraditie hebben gehad die landen als Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië nog steeds kenmerkt. Een dominante logica van een repertoiresysteem met een vast repertoire en dito ensembles is ons alleszins vreemd. Het weinige cijfermateriaal dat we hebben, toont bovendien een zekere daling aan in teksttheater tijdens de jaren negentig en tweeduizend. Minder Hamletten, Woyzecks en Kersentuinen dus. Daarnaast is het gebrek aan ‘nieuw repertoire’ van Nederlandstalige bodem al sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw een druk besproken pijnpunt: er wordt wel veel geschreven, maar weinig van die teksten gaan een eigen leven leiden en worden vaker opgevoerd.

Discursieve continuïteit

Het lijkt haast contradictorisch, maar alleen al dat soort vaststellingen draagt ertoe bij dat de repertoire-thematiek minstens op discursief vlak erg aanwezig is. Weinig debatten keren zo vaak terug in de recente podiumgeschiedenis als die over tekst en repertoire. Al in de jaren tachtig werden er in dit blad lange analytische teksten gewijd aan de (al dan niet gebrekkige) kwaliteit van de Vlaamse theatertekst. Ook hedendaagse initiatieven als De Nieuwe Toneelbibliotheek zijn deels ontstaan vanuit echo’s van dit debat.

Daarnaast komt de roep om repertoire haast letterlijk op gezette tijden terug in het naoorlogse debat over de podiumkunsten. Idem dito wat betreft zijn tegenvoeter: het verwijt dat repertoiretheater vaak samenvalt met een visieloze en conservatieve reflex. Aktie Tomaat uit 1969 blijft daarvan wellicht het typevoorbeeld, en ook de Vlaamse Golf wordt gemakkelijk gekaderd als een reactie op een conservatieve tekst- en ensembletraditie. Een notoire pleitbezorger van repertoire in de recente podiumgeschiedenis is dan weer Pierre Audi die er in 2009 zijn State of the Union aan ophing tijdens het TheaterFestival. Het meest frappant blijft wellicht de motie die in 2008 gestemd werd in het Vlaams Parlement om meer repertoire op de Vlaamse planken te stimuleren. De politici van weleer – met toenmalig minister van Cultuur Bert Anciaux voorop – beargumenteerden onder meer dat er bij een ‘breed publiek’ een grote ‘honger bestaat naar een well made play’, dat repertoire ons ‘collectief geheugen aanboort’ en, bij monde van Anciaux zelf, dat het jammer is dat ‘er bij gezelschappen een schroom bestaat om Shakespeare te brengen zoals de auteur het zelf voor ogen had.’ De standpunten van Joachim Pohlmann, door Evelyne Coussens geïnterviewd voor dit nummer, zijn dus allerminst ongezien.

“De narratieve structuur met dialogen en een lineair verloop blijft levend en wel op de Vlaamse podia.”

Wel valt het op dat de repertoirediscussie om de zoveel jaar wordt gebruikt om specifieke agenda’s en poëtica’s door te duwen. Wie in de archieven van de podiumkritiek op zoek gaat naar bronnen over teksttheater komt terecht bij een resem soortgelijke argumentaties en spanningsvelden. Afhankelijk van de auteur wordt de dramatekst ingezet in een pleidooi voor of tegen tekst-externe elementen. Denk maar aan aanklachten tegen logge en dus weinig vernieuwende structuren, of aan auteurs die teksttheater willen met het oog op werkgelegenheid, op emancipatie van de toeschouwer en nationale identiteit, op de autonomie van de speler, of voor politiek engagement, inclusie en het bedienen van bepaalde publieken. En ja, dergelijke argumentaties zien we ook al opduiken in de jaren zestig en zeventig.

Heel wat discursieve continuïteit dus. En ook wat de kunsten zelf betreft, zou het onheus zijn om op repertoire-vlak enkel gewag te maken van breuken. Wie repertoire gelijk schakelt met naturalistisch spel en dito decors zal binnen het gesubsidieerde veld inderdaad niet aan zijn trekken komen. Performance en postdrama hebben een belangrijke plek verworven en drukken een blijvende stempel op de kunsten. Tegelijkertijd is de narratieve structuur met dialogen en een lineair verloop nog lang niet dood op de Vlaamse podia, dus kan er bezwaarlijk gesproken worden van een eenzijdig réveil. Tekst en verhaal worden nog steeds gretig als basis gebruikt door zowel gezelschappen uit het middenveld als door grote instituten. Of het nu tg stan is, de Roovers, SKaGen, de KOE of LAZARUS, allemaal gaan ze al jaren prat op tekst als vertrekpunt voor hun producties. En Vlaamse Golfers als Ivo Van Hove of Guy Cassiers mogen hun meug dan wel vooral bij film- of literatuurklassiekers vinden, hun werk kan je bezwaarlijk afdoen als niet narratief of tekstueel. Ook publiekslievelingen als pakweg Studio Orka bedienen zich het in eerste instantie van eerder traditioneel dramatische elementen. Onderhoudend en meeslepende verhalen die vooral goed worden gespeeld en ons misschien tussen de lijnen door een spiegel voorhouden, blijven dus een belangrijke rol spelen in het podiumkunstenveld.

Ruptuur

Wil dat dan zeggen dat Etcetera zich met dit nummer louter inschakelt in een eindeloze herhaling van hetzelfde narratief? Is er alleen maar continuïteit en bevinden we ons in een schier eindeloze loop van alsmaar dezelfde argumenten? Zeker niet. Het hedendaagse landschap wordt immers ook gekenmerkt door een aantal belangrijke verschuivingen.

Allereerst is er het politieke klimaat. Het langetermijneffect van de corona-pandemie op het maatschappelijk denken moet zich nog laten voelen, maar wel is al lang duidelijk dat een steeds driester rechts en anti-sociaal model aan kracht wint. Dat heeft hoe dan ook een impact op de kunsten en hun plaats in de samenleving. Met Jambon als minister valt bovendien te verwachten dat die impact concreter zal worden dan ooit. Wat dat betreft is het een teken aan de wand dat het interview met Joachim Pohlmann het enige artikel in dit nummer is waarin de intellectueel weinig uitdagende dichotomie tussen conservatief repertoire en nieuwerwetse performancekunst hoogtij viert. De visie van de beleidsmakers op de kunsten wijkt sterk af van wat er leeft binnen het veld zelf.

Daar heeft er zich de voorbije jaren immers een opvallende kentering voorgedaan die ook zijn weerslag heeft op de repertoire-visie. We hebben het dan met name over de haast plotse interesse in het dekoloniseringsproces. Of de kunsten wat dat betreft in de feiten goed bezig zijn, laten we hier nu in het midden. Punt is wel dat minstens op een discursief niveau vrijwel iedereen doordrongen lijkt van het belang om in te zetten op meer kleur en inclusiviteit. Dat is markant als je weet dat pleitbezorgers van een inclusiever veld pakweg vijftien jaar geleden vooral roependen waren in de woestijn. Het l’art pour l’art principe was gedurende verschillende decennia onverwoestbaar terwijl er sinds kort geen haan meer naar lijkt te kraaien.

“De nood om je koste wat het kost te distantiëren van ouderwets kostuumrepertoire is vervlogen,
net als de wens om in de voetsporen te treden van namen die furore maakten sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw.”

Daarnaast is ook de ongedwongen manier opmerkelijk waarop een jonge generatie vandaag aan de slag gaat met klassieke teksten. Het is niet langer vies om te zeggen dat je ‘gewoon een goed stuk’ wil spelen ‘voor een breed publiek’, in dat laatste schuilt voor veel jonge makers zelfs een bewust statement. Zo gaan gezelschappen als Camping Sunset dankbaar aan de slag met die onderdelen van de podium-erfenis die hen wel bevallen. Denk maar aan de emancipatie van de speler of aan een collectieve methodiek. Dergelijke kruisbestuivingen tussen verschillende tradities maken duidelijk dat er een tijdperk is aangebroken waarin het stempel van de Vlaamse Golf is vervaagd. De nood om je koste wat het kost te distantiëren van ouderwets kostuumrepertoire is vervlogen, net als de wens om in de voetsporen te treden van namen die furore maakten sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw. Jawel, de Vlaamse Golf heeft haar greep gelost.

Dat verklaart de vrije manier waarop de auteurs in dit nummer met noties als repertoire en tekst zijn omgesprongen. Zo vertelt theatermaker Enkidu Khaled over hoe klassieke werken niet in staat zijn om de politieke realiteit van zijn thuisland Irak te vatten. Docent en dramaturg Kristof Van Baarle neemt dan weer de omgang met tekst in het podium-onderwijs onder de loep. Zijn pleidooi voor een nieuwe manier van analyseren en lezen van teksten opent de deur naar het overstijgen van de tweedeling tussen performance en teksttheater.

Daarnaast zijn er teksten van jonge makers Jesse Vandamme, Timeau De Keyser en Lisaboa Houbrechts over respectievelijk het Etcetera-archief, de opmars van het Globish, en de zoektocht naar het ontsluiten van een verzwegen verleden in de voorstelling I Silenti. Criticus Evelyne Coussens verkent mogelijkheden om tot een vernieuwende theaterschriftuur te komen en onderzoeker Joachim Ben Yakoub pleit ervoor de canon in zijn geheel op te heffen. De Tsjechoviaanse dialoog van het collectief achter De Leesclub is dan weer een speelse ode aan het plezier dat teksten kunnen bieden.

Elk op hun manier tonen deze auteurs aan hoe vanuit breuklijnen de beste bruggen worden gebouwd. Etcetera grijpt bovenstaande kenteringen alleszins graag aan om bij te dragen aan een rijkere reflectie over onze podiumpraktijken.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#163

15.03.2021

31.05.2021

De kleine redactie (ed. 163)

De kleine redactie van Etcetera (ed. 163) bestaat uit Simon Baetens, Evelyne Coussens, Charlotte De Somviele, Sébastien Hendrickx, Ciska Hoet en Joachim Robbrecht.

artikel

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!