Kurt Lannoye

Leestijd 7 — 10 minuten

Naar een globaal cultuurbeleid?

Interview met Minister Weckx

Het laatste anderhalf jaar werd binnen de Vlaamse Raad de beleidsbrief sociaal-cultureel werk besproken. Uit deze discussie kwam een ander, overstijgend hoofdstuk naar voor: de advisering en de beleidsvoorbereiding van het cultuurbeleid. De minister voor Cultuur en Brusselse Aangelegenheden Hugo Weckx wil hiertoe een Raad voor Cultuur en een Centrum voor Cultuurbeleid oprichten. Begin februari 1995 zou het voorontwerp van dit nieuwe decreet klaar moeten liggen om naar de regering en vervolgens via de Raad van State naar de Vlaamse Raad gestuurd te worden. De minister hoopt nog voor het zomerreces alles rond te krijgen. Kurt Lannoye en Marleen Baeten hadden een gesprek met hem over het doel van het voorstel, de dromen en de verwachtingen errond.

Etcetera: Wat is het opzet van dit nieuwe decreet?

Weckx: Mijn ervaring na drie jaar op het departement van cultuur heeft mij geleerd dat het cultuurbeleid in Vlaanderen altijd een deelsectorenbeleid is geweest. De voorbereidende cellen weten vaak niet van elkaar waar ze mee bezig zijn. Het beleid is zeker niet gekaderd in een globaal maatschappelijk beeld, waarin cultuur nochtans een belangrijke plaats moet innemen. Mijn Voeding’ vanuit de sector krijg ik bijvoorbeeld vanuit 40 commissies en raden, waaronder 20 voor de kunsten. Zo’n situatie is niet te houden. De Vlaamse Raad dringt aan op een beleidsbrief, geschreven vanuit een globaal cultuurbeleid. Ik slaag er niet in, omdat ik daartoe niet ondersteund ben. Een eerste poging heb ik ondernomen door het schrijven van het hoofdstuk Een creatief Vlaanderen in de brochure Vlaanderen in Europa 2002. Dit was slechts een eerste stap omdat ik ten eerste niet kon steunen op wetenschappelijk onderzoek, want dat bestaat nauwelijks inzake cultuur, en omdat ik ten tweede niet kon steunen op vroegere pogingen. Het Vlaamse cultuurbeleid bestaat nu 25 jaar autonoom. In de beginjaren werd steeds naar deelprojecten toe gewerkt die uitmondden in een hele reeks decreten: decreten voor sport, voor het sociaal-cultureel werk, voor jeugd en het theaterdecreet. Bij geen enkele voorganger heb ik een globale visie gevonden. We zijn nu op het moment gekomen dat we de plaats van de cultuur, anno 1995, in de hele maatschappelijke context zouden moeten kunnen poneren.

Etcetera: Hoe zal het oprichten van een Raad voor Cultuur en een Centrum voor Cultuurbeleid precies bijdragen tot deze globale aanpak? Hoe ziet u de taak van deze twee nieuwe organen?

Weckx: Het ontwikkelen van een globale beleidsvisie kan pas lukken als ik me laat omringen door mensen die mij én beleidsvoorbereidend én wetenschappelijk onderbouwd én adviserend de nodige stof aanreiken. Hiertoe wil ik vooreerst de constructie van de Raad voor Cultuur met een adviserende rol opzetten. Ik vind het belangrijk dat mensen die representatief zijn voor een bepaalde (deel)sector, over de sectoren heen, reflecteren over de materies waar zij geen specialist in zijn. Het is belangrijk te weten hoe men in de ene sector denkt over zaken van de andere sector. Met deze globale raad wil ik de kans geven tot onderlinge herwaardering en uitwisseling. Binnen deze koepel zullen een aantal van de huidige raden en commissies de sectoriële deelcommis-sies vormen. Hun taak zal gericht zijn naar specifieke dossiers toe, naar kwaliteitsoordelen toe. Nu functioneren deze raden vaak te veel als subsidiebepalers, wat in feite de taak van de minister en zijn administratie is (en blijft). Ik betreur het gemis aan gemotiveerde kwaliteitsoordelen. In de kunstensector gaan de commissies zeer eigenzinnig te werk. Dat is goed, maar ze moeten niet zelf het geld willen verdelen. Ze kunnen wel interpeleren over eventuele verschillen tussen advies en betoelaging.

Naast de Raad voor Cultuur opteer ik voor een orgaan met een beleidsondersteunende rol: het Centrum voor Cultuurbeleid. In mijn administratie heb ik in feite twee grote afdelingen: kunsten en sociaal-cultureel werk, waaronder ook het bibliotheekwezen en het jeugdbeleid vallen. Ik stel vast dat het zeer moeilijk is deze afdelingen te doen samenwerken. Door de achterdocht tussen beide verloopt de coördinatie en de samenwerking binnen de eigen administratie moeizaam. Dat wil ik doorbreken. Oorspronkelijk bestond een plan om hiertoe een volledig autonoom centrum op te richten. Dit centrum zou echter evenveel te kampen hébben met de tegenstellingen tussen de administraties. Daarom probeer ik nu van het Centrum voor Cultuurbeleid een verlengstuk van mijn eigen administratie te maken. Het moet toegang hebben tot alle dossiers van de twee verschillende administraties en daarbij autonoom genoeg werken om voldoende voeling te hebben met het werkveld en diens representatieve organisaties.

Etcetera: Is het verschil tussen het sociaal-culturele en de kunsten niet te groot om een globale aanpak mogelijk te maken?

Weckx: Dit onderscheid is juist kunstmatig opgedreven in het verleden. Nu willen we de brug slaan via een contractuele werving, door een jury met mensen uit het veld, die een selectie doorvoert aan de hand van een aantal profielbeschrijvingen, opgesteld door de minister. Zodoende kan met mensen gewerkt worden die sociaal vaardig zijn, die inhoudelijk een bijdrage kunnen leveren aan de meerwaarde van het globale centrum en die aan specifieke functieomschrijvingen voldoen. Het contractuele aspect zorgt ervoor dat er geen problemen zijn als de persoon er wil uitstappen of als iemand niet meer aan het door de overheid vooropgestelde profiel voldoet. In cultuur mag men zich niet vastzetten.

Etcetera: Bent u niet bang om op die manier (nog) een filter te bouwen?

Weckx: Dat is duidelijk niet de bedoeling! Als dat het resultaat is, dan stoppen we er beter mee. Het centrum moet een soort ronde tafel zijn voor zowel de mensen uit het veld als de administratie. Het moet dienen als beleidsvoorbereidend instrument voor een vernieuwend cultuurbeleid binnen het kader van een ruimere maatschappelijke context. Daar zat in het verleden juist een grote tekortkoming. Het zou de gevoeligheden uit het werkveld juist nog meer moeten doen doorstromen, zonder te vervallen in een belangenverdediging van de diverse deelsectoren. Het is een ideaal. Maar ik denk dat dit ideaal haalbaar is, omdat het aan een bestaande nood tegemoet komt.

Etcetera: Het Centrum voor Cultuurbeleid is dus op de eerste plaats bedoeld als ondersteuning van het cultuurbeleid. Zal het ook ondersteunend zijn voor de sector? Is het de bedoeling om er bijvoorbeeld een soort onderzoekscentrum van te maken?

Weckx: Eigenlijk niet. Het Centrum voor Cultuurbeleid moet voor de beleidsvoering natuurlijk zijn voelhorens uitsteken naar de sector. Wetenschappelijk onderzoek door het Centrum kan, maar ik vind dat we dit best uit handen geven aan privé-initiatieven, hetzij universiteiten, hetzij andere organisaties, zoals het Vlaams Theater Instituut. We mogen de wagen niet overladen, anders loopt hij vast van in het begin. Middelen voor wetenschappelijk onderzoek vallen onder het budget Wetenschapsbeleid. We moeten ervoor pleiten dat de cultuur meer aan haar trekken komt in de horizontale sectoren (b.v. Externe Betrekkingen, Wetenschapsbeleid).

Etcetera: Is het de bedoeling om mettertijd decreten aan te passen? Om schotten tussen de decreten weg te halen?

Weckx: Zover ben ik nog niet. Neem nu het voorbeeld van de culturele centra en de kunstencentra. Er zijn culturele centra die bij wijze van spreken meer de decretaal vastgelegde rol van een kunstencentrum vervullen dan sommige kunstencentra. Wij moeten daar uit geraken. Nu wordt als hulpmiddel, het decreet voor de culturele centra lichtjes aangepast, om die centra meer kansen te geven. Het is een ideaal om die culturele centra bijvoorbeeld op te nemen in het decreet van de kunstencentra. Nu zet men zich door de scheidingen vast. Men zou tot een systeem moeten komen dat die schotten wegvallen en dat zou bijvoorbeeld door een Raad voor Cultuur en een Centrum voor Cultuurbeleid kunnen voorbereid worden.

Etcetera: Vallen dan ook bijvoorbeeld de schotten tussen de afdelingen in het podiumkunstendecreet weg?

Weckx: Ik loop daar niet op vooruit. Men wil al te gemakkelijk decreten aanpassen, nog voor ze de kans hebben gekregen zich te bewijzen. Wij hebben allemaal de mond vol over deregulering, maar we passen een regel toe, gaan hem direct opnieuw aanpassen en gaan in feite op die manier in de richting van verdere regulering. Aan de verschillende raden uit het podiumkunstendecreet zullen dit jaar adviezen worden gevraagd naar wat er gewijzigd zou kunnen worden. We moeten wel oppassen met te snel veranderingen aan te brengen. Het evaluatie-element verdwijnt en men gaat nog enkel pragmatisch te werk. Dat leidt tot niet-coördineerbare situaties.

Etcetera: Wie binnen een of ander decreet past is tevreden. Wie ertussen valt mist de boot?

Weckx: Men moet op het veld ook weten wat men wil. Het podiumkunstendecreet is er gekomen vanuit de idee van bedrijfszekerheid. Nu verwijt men het dat er geen instapregeling is. Dat is ook waar. Maar die keuzes staan tegenover elkaar en houden verband met de discussie van de budgetten. Een combinatie van een projectenpot met het podiumkunstendecreet zou kunnen werken. Ik realiseer me ook wel dat die projectenpot veel te klein is om alle jonge, waardevolle initiatieven te honoreren. Anderzijds moeten de raden de moed hebben om te adviseren dat dit zou weg moeten en dat dat erbij moet komen. Ze hebben daartoe misschien wel de moed gehad, maar in elk geval niet om de beslissing te motiveren. Met twee lijnen zeggen dat iets niet goed is omdat het niet goed is, kan niet. Gemotiveerde kwaliteitsoordelen ontbreken. Men moet het hele landschap omschrijven. Die Raad voor Cultuur waar ik van droom, die zou de grote lijnen hiervan moeten uitzetten en dan zou de sectoriële deelcommissie moeten zeggen hoe het kan worden ingepast.

Laat mij een ander voorbeeld geven. Onlangs las ik in de pers dat de Beursschouwburg van plan was enkel nog halfjaarlijks te programmeren om budgettaire redenen. Dan zeg ik: dat kan niet. Hun gecumuleerd deficiet van zes miljoen hebben ze met dit budget de voorbije jaren weggewerkt. Net nu de situatie terug gezond geworden is, kan een volledige programmatic niet meer. Bij de grond van de zaak, een totaal nieuw profiel, kan ik me volledig aansluiten. Wat het werken binnen de Brusselse, multiculturele context betreft, valt er ondanks hun onderlinge verschillen een mooie lijn te trekken tussen de KVS (nieuwe formule met Franz Marijnen), de Ancienne Belgique (muziektheater bij uitstek) en de Beursschouwburg (multi-culturele stadscultuur). Ik ben dus akkoord met het nieuwe concept van de Beursschouwburg. Alleen moet ik met hen eens uitpraten wat ze echt nodig hebben om dit concept te realiseren. De enige obstructie waar je eigenlijk van kan spreken is een tekort aan middelen, maar daar worden we voortdurend mee geconfronteerd. We kunnen niet alles tegelijk realiseren. En het beleid moet ook in de toekomst voortgezet kunnen worden.

Etcetera: Kunt u om te besluiten de plaats beschrijven die kunst volgens u inneemt in de maatschappelijke context?

Weckx: Ik maak niet zozeer een onderscheid tussen kunst en cultuur. Het cultureel vormingswerk heeft volgens mij een belangrijke rol om een nieuw publiek naar de kunsten te brengen. Ik geef voorrang aan hedendaagse kunst, omdat die voortdurend de mens op de werkelijkheid duwt en hem doet reflecteren. Maar de barrière daar is de toegankelijkheid. Die moet verbeterd worden. Je kan maar kritisch overleven in deze maatschappij als je die reflectie van de kunstenaar over het maatschappelijk gebeuren van vandaag, leert inzien, begrijpen, tot de jouwe maakt.

interview
Leestijd 7 — 10 minuten

#48

15.02.1995

14.05.1995

Kurt Lannoye

interview