Nu is het nog rustig – hetpaleis, Theater Artemis & Het Zuidelijk Toneel/Jetse Batelaan
Speedwatchen in de theaterzaal
Natalie Gielen
Jean Anouilh – Foto Robert Cohen
Van 1947 tot 1984 zullen er in Vlaamse theaters van de 40 titels van Jean Anouilh zo’n 27 gespeeld zijn, met een saldo van tussen 500 en 600 voorstellingen. Dat is voor onze landelijke normen niet mis.
Ik baseer me op lijsten van SABAM die echter maar teruggaan tot 1953. Indien vóór en tijdens de oorlog geen Anouilh ten onzent vertoond werd, dan zou volgens mijn summiere gegevens de eerste gespeeld zijn door KNS-Antwerpen onder Firmin Mortier, met name Anouilhs paradepaard en verplichte schoollectuur: Antigone, in de loop van de seizoenen nog opnieuw gebracht door het Nederlands KamerToneel, Toneelstudio ’50, Jeugd en Theater. Zijn laatste is De Navel geweest in 1984 door dezelfde KNS, tenminste wanneer we de twee korte stukken Cecile en Het Damesorkest door de studenten van Studio Herman Teirlinck in datzelfde jaar niet meetellen.
Anouilh is niet verwaarloosd door het Vlaamse beroepstoneel. Was in het begin KNS de voortrekker met De Rebel, Euridice, Medea, Gasten op het Kasteel, De Wals van de Toreadors, Colombe en De Navel, dan bracht NTG na een bijzonder succesrijke Becket in 1966, in de grote periode (zijn zwanezang) achtereenvolgens De Repetitie, Cher Antoine, Maak Madame niet wakker, De Arrestatie. In Brussel speelde KVS De Leeuwerik, Arme Bitos, De Goudvissen, Chers Zoiseaux. Het grootste aantal voorstellingen van een stuk scoorde het RVT in 1973 met 50 keer Dievenbal. In de jaren ’60 en ’70 ging er haast geen seizoen voorbij of er was op zijn minst één theater in Vlaanderen (vaak drie tegelijk) dat een Anouilh geprogrammeerd had.
In Nederland was het Joris Diels die hem introduceerde, vertaalde en regisseerde, en met de Haagsche Comedie zijn werk op de voet volgde. Dat is dan wel lichtelijk anders dan in het naoorlogse Frankrijk waar van de groten alleen Jean-Louis Barrault zich eenmaal aan hem gewaagd heeft (La Répétition). De anderen hebben hem links (of rechts) laten liggen: Vilar, Dasté, Chéreau… Pas vu ni connu… Had dat iets te maken met de betwiste houding die Anouilh na de bevrijding aangenomen had tegen het verzet, tegen de repressie, tegen redder des vaderlands De Gaulle? Zijn Arme Bitos is daar het pover credo van.
Plots was de boom voorbij, ook bij ons. Het hek werd zoals gezegd door KNS gesloten met De Navel uit 1981. Symbolische titel, dat wel, maar in hoeverre ook ongewild ironisch? Het stuk geldt alleszins als zijn geestelijk testament: hij haalt alles en iedereen uit het theaterwereldje over de hekel, niet alleen de collega-auteurs, ook zichzelf, zijn eigen werk. Als een martelaar laat hij zich versmaden door high-brow-critici, die hem zijn commercialiteit verwijten maar zelf ook op niets dan geld uit zijn. Kritisch benaderd is Anouilh door de critici zeker. Een zeldzame keer ook bij ons. Het is de vraag of zij er net als Anouilh enkele villa’s en landhuizen aan over gehouden hebben. Het was vooral de onvolprezen Frans Verreyt die het hoerageroep bij elke Anouilh-première trachtte te relativeren in bewoordingen als “superieure handigheid”, “pseudogefilosofeer”, “de boosaardigheid van een verbitterd conservatief”.
Elk stuk van Anouilh is gevonden vreten voor aforismengrazers. Elk stuk staat blijkbaar bol van puntige formuleringen, rake gedachten, parels van levenskunst. Klopt dat wel echt? Roland van Opbroecke heeft ooit Anouilhs succes daaraan toegeschreven, doordat de toeschouwers “hun eigen banaliteiten en doordebandse ideeën een ‘literaire’ vorm horen geven om ze als onwrikbare waarheden, als bonmot vanaf de scène weer toegespeeld te krijgen”. Anouilh was geen filosoof voor alle tijden. Théâtre d’idées? Nee, Jean Anouilh was een boulevard-auteur, maar dan één van het beste soort, met een ongekend métier voor taal, compositie, observatie, psychologie, humor, ontroering… Naar aanleiding van Colombe schreef Frans Verreyt indertijd in De Nieuwe: “Anouilh is van een zeldzame trefzekerheid in de dialoog, met een aan genialiteit grenzende behendigheid serveert hij haast om het jaar een nieuw stuk, dat eigenlijk ongeveer hetzelfde zegt als het vorige”.
Het centrale thema dat Anouilh van stuk tot stuk gekoesterd, uitgespit en uitgeperst heeft, is dat van de jeugd (m/vr) wier gedrag naar zuiverheid botst en vernietigend wordt met en door de wereld die allesbehalve proper is en aaneenhangt van treurige compromissen. Vrijblijvende trouvaille of lucratief cliché? Of is de jonge Anouilh inderdaad ooit zo geschonden geweest dat hij er een levenslang trauma aan over gehouden heeft? Het zal moeilijk uit te maken zijn, tenzij iets duidelijker kan worden door de jeugdherinneringen die hij dit jaar publiceerde onder de titel La vicomtesse d’Eristal n’a pas reçu son balai mécanique. De mythe van het ongerepte kind, van de vermoorde onschuld, van de goede mens in die slechte wereld is natuurlijk een achterhaalde gemeenplaats, die het weliswaar goed zal blijven doen. Maak Madame niet wakker is natuurlijk veel leuker dan De Goede Mens van Sezuan. De mens wordt niet genomen zoals hij is, complex. Nee, alles moet persé ruiken naar het verloren paradijs, de appel, de slang en de erfzonde. Het geïdealiseerde cliché van onze joods-christelijke cultuur, voedingsbodem voor romantische mijmeraars als Anouilh.
Anouilh is altijd zuinig geweest met het vrijgeven van persoonlijke gegevens. “Ik heb geen biografie en daar ben ik blij om” schreef hij in 1945 aan Hubert Gignoux die een studie over hem ging publiceren. Zo duurde het drie jaar voor Parijs wist dat hij in 1953 gescheiden was en hertrouwd. De pers wist meestal niet in welke woning hij zich ophield. Wanneer hij regisseerde, werd het hele gezelschap geacht naar de buitenwereld toe over de meester de grootste discretie aan de dag te leggen. Wat we over hem met zekerheid weten: hij werd geboren op 23 juni 1910 in Bordeaux, hij stierf aan een hartaanval in een hospitaal te Lausanne op 3 oktober 1987. Vader was kleermaker, moeder violiste. Op achtjarige leeftijd verhuisde hij met zijn ouders naar Parijs; hun slechte financiën deden hem zijn rechtstudies stopzetten. Na een baantje op een reclamebureau werd hij kortstondig secretaris van de verfoeide acteur-regisseurdirecteur Louis Jouvet in La Comédie des Champs-Elysées. Hij leest met vrucht Shaw, Claudel, Pirandello en krijgt door Giraudoux zelf lust tot schrijven. Van hem leert hij dat “op het toneel een poëtische en kunstige taal kan bestaan die waarachtiger is dan gestenografeerde conversatie”.
Zijn eerste stuk, Humulus le muet, werd opgevoerd toen hij negentien was. Zijn tweede, L’Hermine, zou door Pierre Fresnay worden gecreëerd in het Théâtre de l’OEuvre. Anouilh was éénentwintig. Hoewel hij in die periode ook Le Bal des Voleurs en La Sauvage schreef, kwam de bredere erkenning pas in 1935 toen Hollywood de filmrechten kocht van Y avait un prisonnier. Daarna maakten vooral de regisseurs Georges Pitoëff en André Barsacq zijn reputatie als belangrijkste jong talent van het Franse toneel. Vanaf de jaren ’50 tot op het eind, was het een traditie geworden dat Anouilh de creatie van zijn stukken zelf regisseerde, samen met Roland Piétri, die de meester enige tijd geleden in de eeuwigheid voorging; vast decorontwerper was Jean-Denis Malclès. De officiële consecratie werd in 1971 ingeluid met de opvoering van Becket door de Comédie-Française. Om het de vrienden critici niet al te moeilijk te maken, bundelde hij als een Picasso zijn werk in Pièces grinçantes, Pièces brillantes, Pièces noires, Pièces roses, Pièces costumées, Pièces baroques en Pièces secrètes.
Na zijn overlijden waarbij de verenigde Franse pers, zowel links als rechts, bol stond van ronkende dithyramben, noemde André Roussin* hem onder het hoofdinkje un misanthrope généreux, “de belangrijkste toneelauteur van onze generatie en ongetwijfeld van de jongste veertig jaar”. We kunnen zeggen dat Jean Anouilh uitgebold is in de jaren ’70, maar in feite 1968 niet overleefd heeft. Maar geen nood, ik voorzie al dat wanneer een huidige trend verder gaat, en indien er niet een nog handigere bliksem opstaat, Anouilh opnieuw triomfantelijk op de schouders zal gehesen worden en langs de statietrap de theaters zal ingehaald worden als de eeuwig-menselijke. Welke trend? Het lukraak mikken op publiek succes; de behoefte dit schaamteloze streven af te dekken met wat voor humanisme moet doorgaan, een nog onbekende massa deze volkse filosofie terug te geven die de hare is, en vooral niet moeilijk te doen lieve mensen, wat ondermeer inhoudt: wel moraliserend, cassant en satirisch uithalen naar de ondeugden die dus des mensen zijn, zonder te raken aan de onderliggende maatschappelijke structuren. Dus: grijnzen om de symptomen, en niet uithalen naar de oorzaken.
* De zes maand jongere en eveneens in Bordeaux geboren auteur van “Het leven is te kort” overleed op de kop één maand na Anouilh.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.