Pol Arias

Leestijd 5 — 8 minuten

Het Theaterfestival Amsterdam

KRONIEK – DE PAPIEREN MENSEN VAN ETCETERA

Het Theaterfestival vindt plaats in Amsterdam, van 28 augustus tot 10 september. Dit is een nieuw festival, met de opvallendste voorstellingen van het voorbije seizoen in Nederland en in Vlaanderen.

Een gemengde Nederlands-Vlaamse jury koos negen voorstellingen, vijf uit het Zuiden en vier uit het Noorden. In de chronologische volgorde volgens de datum waarop zij in première gingen, zijn dat:

Le diable au Corps van Paul Pourveur door De Witte Kraai, regie Lucas Vandervost.
De getemde Feeks van William Shakespeare door Malpertuis, regie Dirk Tanghe.
Hamlet van Willam Shakespeare door Publiekstheater, regie Gerardjan Rijnders.
Ritter Dene Voss van Thomas Bernhard door Maatschappij Discordia, regie Jan Joris Lamers.
Ali van Paul Pourveur en Eugène Bervoets door Tiedrie, regie Eugène Bervoets.
Wie is bang voor Virginia Woolf van Edward Albee door De Witte Kraai, regie Sam Bogaerts.
Moeder Courage en haar kinderen van Bertolt Brecht door Baal, regie Leonard Frank.
De kersentuin van Anton Tsjechov door Art & Pro, regie Frans Strijards.
Need to know door Need Company, regie Jan Lauwers.

Het Theaterfestival werd uitgedacht door Arthur Sonnen van het Holland Festival: “Binnen de organisatie van het Holland Festival hebben we altijd gestreefd naar een zo goed mogelijk gebruik maken van het produktieapparaat. Omdat dat gedurende een deel van het jaar maar op halve kracht draaide, wilden we dat beter aanwenden en heb ik een nieuw soort theaterfestival uit de grond gestampt. Een manifestatie waar ik al lang van droomde en die een beetje te vergelijken is met het Berlijnse Theatertreffen. Vandaar dat we aan negen theatercritici gevraagd hebben een jaar lang de theatervoorstellingen in Nederland en Vlaanderen te bekijken. De jury moet minimum twee en maximum twaalf voorstellingen kiezen, die zij als de opvallendste van het voorbije seizoen beschouwt. Die voorstellingen worden dan tijdens dat festival getoond. De financiering ervan is nu grotendeels afkomstig van de Stichting Amsterdam Culturele Hoofdstad van Europa 1987, maar zal in de toekomst gedragen worden door Nederland en België. Er is een optie om dit festival vanaf volgend jaar gedurende drie jaar in Rotterdam te laten plaatsvinden. In de statuten staat ook dat het om de zoveel tijd in België dient plaats te vinden. Bijvoorbeeld éénmaal in de vier jaar. Op de valreep is er voor dit eerste festival 300 000 BF toegezegd door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.”

Op 15 mei werden na de eindzitting van de jury de laureaten bekendgemaakt. In de jury zetelden drie Vlamingen (Marianne Van Kerkhoven, Jaak van Schoor en Carlos Tindemans) en zes Nederlanders (Tom Blokdijk, Hana Bobkova, Eddy Geerlings, Jac Heijer, Dirkje Houtman en Eric van der Velden.)

Voorzitter van de jury, die in totaal acht keer is samengekomen, was Tom Blokdijk: “Het was niet de bedoeling de ‘beste’ voorstellingen te kiezen. Onze opdracht bestond erin om de ‘belangwekkendste’ voorstellingen van het afgelopen seizoen van 1 mei 1986 tot 1 mei 1987 te selecteren. Onder ‘beste’ versta ik voorstellingen van een interessant stuk in een intelligente regie en in een goed decor met vakbekwame acteurs.

Over wat nu ‘belangwekkend’ betekent, bestaat geen definitie, laat staan overeenstemming. Vandaar dat ieder jurylid zijn eigen criteria hanteerde. Daarom hebben we ook niet geprobeerd daarin eensgezindheid te bereiken. Voor mij, en nu spreek ik voor mezelf, is altijd doorslaggevend geweest of een voorstelling iets te maken heeft met iets dat mij beweegt, dat mij in verwarring brengt, waar ik niet uit ben. Dan zeg ik, ja deze voorstelling is heel belangrijk voor mij.”

Hoeveel voorstellingen heeft de jury gezien?

Dat weet ik niet, maar ik heb er ongeveer negentig gezien. Niet iedere voorstelling werd daarom besproken. De juryleden brachten alleen die voorstellingen aan die ze besproken wilden zien. Tijdens de laatste juryzitting hebben we nog eens alles wat we vroeger al hadden afgewezen, in stemming gebracht om te kijken of de afstand onze mening daarover had veranderd. Geen enkele voorstelling is daarbij teruggekomen. In de statuten staat dat een voorstelling moet gekozen worden door ten minste vijf juryleden, die uiteraard ook die voorstelling gezien hebben. Na de eindstemming bleek een meerderheid te bestaan voor negen voorstellingen. Vandaar de einduitslag. Opmerkelijk was dan toch de eensgezindheid, die veel groter was dan ik aanvankelijk gedacht had. Dat wil niet zeggen dat er geen juryleden waren die fel gekant waren tegen een van de gekozen voorstellingen. Daarom zullen we in het eindrapport ook de minderheidsrapporten opnemen, waar die juryleden hun meningen en bezwaren naar buiten kunnen brengen. Globaal genomen, hebben we echter een serieuze overeenstemming bereikt.

Is een meerderheid van Vlaamse voorstellingen niet wat verrassend?

Al geruime tijd komt uit Vlaanderen een nieuwe beweging. Dat is begonnen met Jan Decorte en met Jan Fabre. Namen die in Nederland misschien nog beter doorgedrongen zijn dan in Vlaanderen. De respons op dat nieuwe Vlaamse theater is hier in Nederland groter geweest. Je merkte ook dat de begeerte van de Nederlandse critici binnen de jury om die Vlaamse voorstellingen voor te dragen misschien nog groter was dan bij de Vlaamse juryleden. Opvallend in de einduitslag is de afwezigheid, op één na, van produkties van grote gezelschappen. Dat bewijst dat er meer belangwekkends gebeurt in het kleinere circuit. Het is niet zo dat we niet over de voorstellingen van de grote theaters zouden gesproken hebben. Zowel uit Vlaanderen als uit Nederland zijn een redelijk aantal daarvan door de jury besproken. Van zodra een voorstelling uit Gent of Antwerpen werd voorgedragen, reed een wagen van het festival naar ginder met een aantal Nederlandse juryleden. De kleinere gezelschappen reizen veel en komen bijna allemaal in de Brakke Grond terecht. Die konden we dus in Nederland zelf zien.

De keuze van de Nederlandse voorstellingen, was die verrassend?

Niet echt, want het zijn de gezelschappen die al enige tijd het meest spraakmakend zijn. Het zijn de grote namen op dit ogenblik. Hoewel iemand als Frans Strijards dan toch nog altijd geen eigen gezelschap heeft, nog steeds geen vaste grond onder de voeten heeft. Waar ik heel nieuwsgierig naar ben, is of bij die keuze nu sprake is van een tijdsbeeld. In hoeverre hebben die voorstellingen iets te maken met wat er leeft in Nederland en Vlaanderen. Ik hoop dat het zo is, maar kan er zelf geen uitspraak over doen.

Zijn er nu opvallende verschillen tussen de Nederlandse en Vlaamse voorstellingen?

Ik denk dat de Vlamingen meer dan de Nederlanders bezig geweest zijn met de ontwikkeling in het bewegingstheater. Dat is vooral duidelijk bij Ali en Need to know. Ik merk dus een grotere dynamiek en vitalisme bij de Vlaamse voorstellingen. Frans Strijards komt daar dichtbij maar bij hem gaat het eerder om levensdrift. Bij de Vlaamse voorstellingen voel je meer het naar voor halen van het primaire in het menselijk gedrag. Toch wil ik daar aan toevoegen dat er tegenover de nieuwe Vlaamse golf niet altijd kritisch gereageerd wordt. Ik sta ook heel huiverig tegenover wat er nu gebeurt met al deze nieuwe Vlaamse theatermakers die, op één na, Ivo van Hove geloof ik, allemaal gevraagd zijn om in Nederland gezelschappen mee te gaan oprichten of te gaan versterken. Dirk Tanghe is gevraagd door Toneelgroep Theater, Lucas Vandervost door Theu Boermans en Arthur Sonnen, Luk Perceval en Guy Joosten door Shireen Stroker. Ze worden bijna opgegeten. Ik vind dat die mensen die net hun vorm, hun uitdrukkingskracht aan het vinden zijn, erg onverstandig zijn om daar met zoveel graagte op in te gaan. Ik begrijp wel dat ze de kans grijpen om met ruimere financiële middelen, die Nederland althans nog biedt, te werken.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#18

15.06.1987

14.09.1987

Pol Arias

Pol Arias studeerde af als dramaturg en was een jaar verbonden aan de KNS. Jarenlang was hij theaterrecensent voor de openbare omroep. In 2007 ging hij met pensioen.

artikel