Cristophe Aussems en Stijn Devillé. Foto door Marco Mertens

Leestijd 11 — 14 minuten

Het Nieuwstedelijk: drie goede redenen voor een verstandig liefdeshuwelijk

Eind juni ging op de mijnsite van Heusden-Zolder vuur in première, een theatraal-documentair verhaal rond de internaatsbrand die daar in 1974 het leven kostte aan 23 jongens tussen 13 en 16 jaar. vuur, een tekst en regie van Christophe Aussems, is de eersteling van het nieuwe gezelschap Het nieuwstedelijk, een fusie tussen het Leuvense muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding en het Hasseltse theatermakershuis de Queeste. Het kind lijkt in schriftuur en regie nog sterk op zijn biologische vader – VUUR was oorspronkelijk een ‘zuiver’ Queeste-project – maar de invloed van Braakland manifesteert zich al, onder meer in de intensere interactie met de twee jonge muzikanten op scène. Voormalig artistiek leiders Christophe Aussems en Stijn Devillé zijn tevreden, met de voorstelling én met de fusie, al ervaren ze dat sommige mensen de waarachtigheid van hun samengaan in twijfel trekken. ‘Er zijn twee manieren waarop mensen ons feliciteren’, zegt Devillé. ‘Zij die de beide gezelschappen kenden wensen ons geluk met deze inhoudelijke stap. De anderen knipogen en zeggen: Slim gedaan!’

De laatste reactie heeft alles te maken met de huidige zenuwachtigheid in het kunstenlandschap naar aanleiding van de aanstelling van de nieuwe minister, de toepassing van het herziene Kunstendecreet en de nakende beslissingsronde 2017-2021. Met zijn Visienota van 1 april gaf minister Sven Gatz (Open Vld) al enigszins inkijk in het strategische raamwerk waartegen hij de kunstenorganisaties wenst te houden. Het woord ‘samenwerking’ (en de varianten ‘fusie’, ‘synergie’,…) komt in het 66 pagina’s tellende document meer dan 150 keer voor, en ook in publieke optredens geeft Gatz duidelijk te verstaan dat hij gaat voor een ‘optimalisatie’ van de sector – goedschiks of kwaadschiks. Geen wonder dat de kunstenorganisaties als schichtige katten naar elkaars nest loeren: wie loopt bij wie binnen en buiten? Wie doet het met wie en versterkt zo zijn dossier? En hoe gegrond zijn die verbintenissen: zijn ze gebaseerd op duurzame inhoudelijke verwantschap of zijn het strategische reflexen van haastige windowdressing?

Een lang gesprek met Christophe Aussems en Stijn Devillé legt verschillende facetten van de fusie bloot. Het is een genuanceerd verhaal van inhoudelijke en organisatorische verwantschap, een scherp instinct voor een veranderend maatschappelijk bestel én een gezonde portie strategische overwegingen. Samengevat: een liefdeshuwelijk tussen twee partners die de voetjes stevig op de grond hebben. Eigenlijk wijst de naam al enigszins in die richting. Het poëtische ‘de Queeste’ en ‘Braakland’ – refererend aan de pioniersjaren van beide gezelschappen, die begin de jaren negentig twee voor het theater ‘braakliggende’ regio’s bedienden – werd vervangen door het meer programmatische ‘nieuwstedelijk’: een naam die zegt waar het op staat. Devillé: ‘We zijn de romantiek van de pioniersjaren voorbij. Onze naam moet niet reflecteren wat we waren, maar wat we willen zijn, in de toekomst.’

Eén: inhoudelijke en organisatorische verwantschap

Wat wil Het nieuwstedelijk zijn? ‘Met Het nieuwstedelijk willen we mee vorm geven aan de stad en de samenleving van morgen’, leest het op de website. ‘We vertellen verhalen over het leven vandaag. We geven er klank aan en gaan erover in gesprek. Theater, muziek en debat vormen de kern van het artistieke werk van ons nieuwe theaterhuis.’ Dat ‘vertellen van verhalen van vandaag’ is de grondtoon die de ‘oude’ huizen onmiskenbaar deelden en waarin het nieuwe theaterhuis stevig geworteld is. De Queeste profileerde zich in het verleden al met maatschappelijk geëngageerd repertoire (Een vijand van het volk, Animal Farm,…), de locatiegebonden Buurtpatrouilles (Kamp Waterschei, Forza Winterslag,…) en projecten gebaseerd op verhalen en thema’s uit de regio (Boven Water, Moresnet,…). Braakland/ZheBilding kwam de voorbije jaren voor het voetlicht met generatieportretten als Gevoelige Mensen (Adriaan Van Aken) maar vooral met de eerste twee delen van Devillés analyse van de bankencrisis van 2008, Hebzucht en Angst – die laatste in coproductie met de Queeste.

Wie de oude gezelschappen wat volgde ziet in de aanpak van dat materiaal overigens best ook verschillen. De Queeste kan bogen op vijftien jaar ervaring met locatietheater, expertise die Braakland/ZheBilding nauwelijks bezit. Braaklands specialisatie ligt bij muziektheater (het gezelschap diende zelfs in bij die commissie); voor de Queeste is dit grotendeels onbekend terrein. Zowel Devillé als Aussems werken met nieuw geschreven tekst, maar de methodiek van Devillé (journalistieke research) is anders dan die van Aussems (mondelinge overlevering aan de hand van interviews). En er is natuurlijk de geografische gerichtheid op Leuven versus Limburg; daarover straks meer. De eerste voorzichtige fusiegesprekken, eind 2013, moesten dus in eerste instantie een denkoefening worden rond de eigen essentie. Wat is dierbaar? Wat is identiteitsbepalend? Wat wilden de partners bewaren en dus meenemen in de structurele samenwerking? Tot op vandaag is dat een ongoing process maar ook een prettige uitdaging, aldus Aussems en Devillé. Het werkproces voor vuur vormde een soms confronterende lakmoesproef. Devillé: ‘Zo’n productievergadering zet de verschillen op scherp: Wacht even, bij jullie wordt de geluidstechniek gewoon door de lichtman gedaan? Dat gaan we niet doen hé, jongens.’ (lacht) ‘Maar het is interessant dat er voldoende verschillen zijn, zodat we van elkaar kunnen leren.’

Een niet te onderschatten factor, naast een gedeelde inhoudelijke interesse, is de gelijkaardige organisatiecultuur. Die verwantschap ontdekten Devillé en Aussems tijdens de coproductie van Angst in 2013. De samenwerking verliep uitstekend: dankzij de grotere slagkracht van de gemengde ploeg slaagden de gezelschappen er bijvoorbeeld in om elke voorstelling 99 lokale figuranten op scène te zetten. Devillé omschrijft die toegenomen potentie als ‘even adem happen’. Devillé: ‘Het was de eerste keer dat we zo’n groot project samen aanpakten, en je merkte dat de teams dezelfde attitude huldigden: handen aan de ploeg en duwen. Braakland en de Queeste zijn op hetzelfde moment gestart, als enige of quasi enige spelers in een kleine centrumstad. De herkenning aan beide kanten was groot.’

Die hands-on-attitude is op dat moment overigens niet alleen een keuze, maar ook een noodzaak. De subsidieronde 2013-2016 heeft nauwelijks voor ‘adem’ gezorgd. Braakland/ZheBilding kreeg een positief advies en een subsidieverhoging, maar niet voor het gevraagde bedrag. Bij de Queeste was het kantje boordje: na een negatief advies viste Minister Schauvliege de Limburgse groep alsnog op. De conclusies waren hard, vertelt Aussems: ‘We wisten één ding zeker: dit niet meer. We hadden besloten dat het niet houdbaar was om als klein team voortdurend over onze grenzen te gaan. We wilden naar een grotere structuur, of we zouden niet meer indienen.’ Concreet lopen er eind 2013 gesprekken over een structurele samenwerking tussen de Queeste en Toneelgroep Maastricht, maar er bougeert niet genoeg. En dan is daar plots die prettige samenwerking met Braakland, de nieuwe energie die dat oplevert, de plannen om het derde deel Hoop samen te maken. De oplossing ligt voor het grijpen. Aussems: ‘Eigenlijk was het logisch en organisch, maar we hadden er nog nooit aan gedacht. We stonden al jaren met onze rug naar Brussel-Antwerpen-Gent.’

Twee: strategische schaalvergroting in een moeilijk beleidskader?

Het is goed in herinnering te brengen dat de eerste gesprekken rond de fusie plaatsvinden in tempore non suspecto, lang voor het Vlaamse regeerakkoord, voor het aantreden van de nieuwe minister en voor er sprake is van een Visienota. Het nieuwe dossier van Het nieuwstedelijk lijkt de Vlaamse Overheid overigens ook geen besparing op te leveren. Devillé en Aussems maken ferm duidelijk dat het vergroten van slagkracht niet hetzelfde is als een efficiëntieslag. Het bedrag dat Het nieuwstedelijk zal vragen zal de opgetelde 725.000 euro van de Queeste en Braakland/ZheBilding ruim overstijgen. Devillé: ‘We zijn daar in een gesprek met de minister heel eerlijk over geweest. We zaten met twee te kleine teams die al jaren boven hun krachten werkten. Het was niet de bedoeling om die samen te voegen en dan “beloond” te worden met de helft van het bedrag. Onze fusie is geen besparingsoperatie, niet op personeel en niet op werkingsmiddelen.’ Aussems, die een zware burn-out achter de rug heeft, wijst op de noodzaak van een mentaliteitswijziging rond arbeid en productie in de theatersector. Aussems: ‘Het grootste kapitaal dat de culturele sector bezit zijn haar mensen, maar die worden systematisch over de grens gedreven van wat haalbaar is. Zowel Braakland als de Queeste hebben jarenlang roofbouw gepleegd op hun teams. Als we in de theatersector zo vaak beweren dat we “anders in de wereld” willen staan, moeten we daarnaar handelen ook.’

Practise what you preach dus, en Het nieuwstedelijk wil dat doen door op zoek te gaan naar nieuwe, minder eenvormige productiemodellen. Dat voornemen is toe te juichen, al zal het, met een blik op het organogram van de nieuwe organisatie, ook enigszins van moetens zijn. De nieuwe artistieke staf bestaat uit drie makers uit de Braakland-stal (Devillé, Adriaan Van Aken, Sara Vertongen), één dramaturg uit de Braakland-stal (Els Theunis) en één maker van de Queeste (Christophe Aussems). Vier scheppende makers voor één organisatie, dat is veel. Twee tot drie producties per seizoen lijkt het maximum, wat betekent dat er elk jaar sowieso één nieuwstedelijk-maker op zijn honger blijft zitten. Naast het risico op interne frustratie loert het gevaar van interne concurrentie. Tenzij, zoals Aussems en Devillé aangeven, niet elk werkproces hoeft te eindigen in een grote, reizende voorstelling. Devillé: ‘Niet al onze makers hebben de ambitie om ieder jaar een eigen productie af te leveren. De producties die wij maken nemen een lange aanloop van research en schrijven, daarvoor is tijd nodig. Maar bovenal denken we voor het nieuwe dossier na over “tussenstations” voor voorstellingen: andere formats van output. Om een voorbeeld te geven: bij de voorstelling Sabine Sabine Sabine (Adriaan van Aken) is een boek verschenen, dat we er toen snel snel hebben bijgenomen. In een ander productiemodel zouden we de tijd kunnen nemen om daar werk van te maken.’

Het gesprek maakt duidelijk dat de vastberaden sprong naar financiële en organisatorische schaalvergroting een menselijke keuze is – het scheppen van betere arbeidsomstandigheden voor twee te hardwerkende teams – maar zit er ook niet, bewust of onbewust, een strategische component aan? Strookt de fusie niet met een bredere tendens richting centralisering en validering van de ‘grotere’ instituten, vanuit de in sommige gevallen niet zo onbewuste gedachte – en naar wrange analogie met de bankensector – dat instituten die too big to fail zijn buiten schot van de politiek blijven? In Nederland, waar de tendens bijna groteske vormen aanneemt (zie de moloch Theater Rotterdam), verwoordde Johan Simons het ooit letterlijk: ‘Ik bouw voor jullie een theater waar de politiek niet omheen kan.’ Devillé en Aussems protesteren bij de vergelijking: ze relativeren de schaalvergroting van Het nieuwstedelijk, en het is inderdaad goed om de verhoudingen in acht te nemen: als alles goed gaat landt Het nieuwstedelijk op twaalf voltijdse jobs. Dat is bezwaarlijk een ‘grote’ theaterstructuur te noemen. Toch blijft het, in zijn eigen bescheiden context, een feit dat de nieuwe organisatie meer werkingsmiddelen zal opslorpen dan de twee kleinere voorheen. Het laat kleine structuren achter met de angst dat zij uit de boot zullen vallen. Aussems: ‘Ik begrijp die angst en ik hoop dat het niet het plan is van de overheid om te raken aan de fijnmazigheid van het theaterlandschap. Wel hoop ik dat er dit keer écht een minimumbedrag komt voor kleine gezelschappen. Financieren onder de 300.000 is spelen met mensenlevens.’ Devillé, beslist: ‘We hebben ons de afgelopen jaren te pletter gewerkt, met een output die dubbel zo groot was als die van sommige andere spelers, die het dubbele van het budget kregen. Zoiets leidt tot burn-outs zoals die van Christophe. En ik wil ervoor zorgen dat dat niet gebeurt bij dit team. Ik zou alle kleinere structuren aanraden om hun argwaan te laten varen en waar mogelijk te gaan samenwerken. Het is inhoudelijk verrijkend en het bezorgt je een sterkere positie, en die heb je nodig in dit landschap.’

Practise what you preach… Verloochent Devillé hier niet wat hij in Hebzucht en Angst zelf zo scherp veroordeelde: de niet-aflatende hang naar groei, als middel om het eigen overleven veilig te stellen? Wie per se de venijnige denkoefening wil maken kan in de fusie van de Queeste en Braakland de eerste aanzet zien tot een typisch neoliberaal groeiscenario. Het verlangen naar ‘een sterker huis met veel impact’ (uit de mission statement) kan geïnterpreteerd worden als een strategische vergroting van het marktaandeel. Met de toe-eigening van de regio’s Leuven en Limburg wordt ook geografisch een sprong gemaakt naar terreinwinst – Aussems en Devillé beroepen er zich tijdens het gesprek meermaals op ‘het enige theatergezelschap tussen Leuven en Maastricht’ te zijn. Aan het hoofd van het ‘bedrijf’ staat een directeur (Devillé), die beslissingsmacht heeft boven de artistieke staf. En het gesprek over centralisering mondt uit in een nogal protectionistische, welja concurrentiële reflex: het is ieder voor zich. Aussems: ‘Het zal altijd ten koste gaan van anderen. Er zullen altijd anderen sneuvelen.’ Is deze toch vrij onzachte opstelling tegenover de conculega’s de culturele vertaling van het door de minister zo gewenste ‘ondernemerschap’?

Devillé steigert, en pareert: ‘De vraag of het altijd groter moet is een vraag die wij ons altijd gesteld hebben en nog steeds stellen. Maar voor het woord “ondernemerschap” wil ik staan: met dat woord is op zich niets mis, die term wil ik graag terugclaimen. Er zijn ondernemers in alle mogelijke maten en gewichten. In bedrijven worden ze op een voetstuk geplaatst en in de culturele sector wordt er raar naar gekeken, terwijl iedereen daar evengoed een ondernemer is – de dichter die zijn pen opneemt om iets te schrijven is een ondernemer. Dat is ondernemerschap: iets in beweging zetten, iets maken. Ik denk dat we ons met Het nieuwstedelijk scherp bewust zijn van die essentiële definitie, en dat we die moeten waarmaken. En bewaken, ja, dat is een proces van voortdurende zelfreflectie. Maar ik denk dat niets van wat we nu met Het nieuwstedelijk doen in tegenspraak is met wat ik schrijf in Hebzucht of Angst.’

Drie: het theater in de stad, de stad in de wereld

Er is nog één aspect waarover gesproken moet worden: de nieuwe geografische inbedding van Het nieuwstedelijk, dat zichzelf een ‘stedentheater’ voor Leuven, Hasselt en Genk noemt. Zoals Aussems eerder al aangaf is dat vooral een forse omwenteling voor de Queeste, dat van zijn positie als enige professionele speler in de provincie Limburg jarenlang zijn unique selling point maakte. Maar ook Leuven is de exclusiviteit van zijn eigen stadsgezelschap kwijt. Vanuit politiek oogpunt is die demarche niet zonder risico. Veel burgemeesters hebben de laatste twintig jaar sterk ingezet op cultuur als instrument van citymarketing – Leuven is daar trouwens een uitstekend voorbeeld van, met in nauwelijks een paar jaar de opening van Museum M, de samenwerking rond opek (een oud opslaggebouw aan de Vaartkom waar verschillende Leuvense artistieke en cultuureducatieve organisaties samenhuizen, red.) en de erkenning van Braakland/ZheBilding als stadsgezelschap. Van het voor de Queeste eens zo belangrijke provinciale niveau valt niet veel meer te verwachten, maar op een moment dat culturele beslissingsmacht duidelijk verschuift van het Vlaamse naar het lokale cultuurniveau (zie ook de overheveling van Vlaamse gelden naar het Gemeentefonds) lijkt de bonding met de lokale actoren belangrijker dan ooit.

Aussems en Devillé beseffen dat, dus trokken ze in een vroeg stadium met hun plannen richting schepenen, burgemeesters, cultuurbeleidscoördinatoren en culturele partners. Tot hun verbazing bleken de steden lengtes voor te liggen in regio-overschrijdend denken. Aussems: ‘Er bleek tussen Genk en Leuven al intens interstedelijk overleg op het gebied van economie, onderwijs en wetenschap. Denk ook aan de ontwikkeling van de campussen in Leuven en Limburg rond innovatie en technologie (de Universitaire Campus Limburg-Leuven, red.), gericht op Genk, de derde industriestad van Vlaanderen. Er was tussen Leuven, Hasselt en Genk veel meer contact dan wij ooit hadden gedacht.’ Het plan voor Het nieuwstedelijk bleek als culturele component naadloos te passen in de verbindingen die politiek en bedrijfsleven naarstig aan het smeden waren. Devillé: ‘Wij kwamen bij de drie burgemeesters onze plannen toelichten, en dachten later terug te komen – maar ze zegden alle drie al toe in de verkennende gesprekken.’ Aussems: ‘De burgemeester van Genk zei: “Ik realiseer me dat ik niet ieder jaar een locatieproject krijg dat in Genk in première gaat.” Hij had daar geen probleem mee, omdat hij de meerwaarde inzag van de unieke constructie. Limburg is de Queeste niet kwijt, integendeel; het krijgt er een sterkere speler voor in de plaats.’ Intussen is er een convenant waarin de drie steden zich engageren voor Het nieuwstedelijk. Alleen de precieze omvang van hun financiële bijdrage dient nog te worden vastgelegd.

Het illustreert mooi hoe beleids- en theatermakers elkaar vinden in het besef rond het belang van de stad als knooppunt van sociale, economische, culturele,… verbindingen. Waar ‘theater maken vanuit de niet-grootstedelijke context’ enkele jaren geleden voor de Queeste nog de kernopdracht was, luidt het bij Het nieuwstedelijk nu dat de stedelijke realiteit in het brandpunt staat van het artistieke werk. ‘Dat is veranderd,’ geeft Aussems volmondig toe, ‘want de realiteit is veranderd. Het contrast tussen het stedelijke en het rurale is steeds minder aan de orde. Met de dag komt de bipool Hasselt-Genk dichterbij. In zijn twee vorige beleidsverklaringen sprak de gouverneur van Limburg uitdrukkelijk over “de stad Limburg”. In heel Vlaanderen groeien de steden naar elkaar toe, ook letterlijk, stedenbouwkundig. Het klassieke denken over het dorp, het platteland, de stad is weg. Mensen en steden zijn geconnecteerd, onderling maar ook in hun regio, in de wereld. Het zijn die ontwikkelingen die ons interesseren.’

Daarmee opent Aussems een derde en misschien wel belangrijkste perspectief op de fusie: Het nieuwstedelijk wortelt in een nieuw denken rond steden als brandpunten van een nieuwe samenleving, zoals verwoord in If Mayors Ruled The World van Benjamin R. Barber. De Amerikaanse politicoloog schrijft dat juist steden, eerder dan natiestaten, door hun kleinschalige bestuursniveau en hun flexibele en pragmatische manier van denken in staat zijn om te gaan met de grote (en globale) uitdagingen van deze tijd. ‘De uitdagingen waar we voor staan, zijn het eerst voelbaar in de steden’, zegt ook de website van Het nieuwstedelijk. ‘Klimaatverandering, werkloosheid, migratie, verarming, vereenzaming, verkeersellende. Ze zullen in de steden hun concrete oplossing (moeten) vinden. Steden zijn interdependent (…), ze zijn onderling afhankelijk, en kunnen samen meer verwezenlijken dan talmende regeringsleiders op een klimaattop of een crisisoverleg na weer maar eens een vluchtelingenramp. Kleine steden als Leuven, Hasselt en Genk hebben de toekomst.’

Belangrijke ondertoon in dit interstedelijke verhaal is dat dergelijk denken zich uitdrukkelijk niet beperkt tot regionalistische anekdotiek – het wil de stad zien als metafoor voor de hele wereld. Devillé: ‘De blik gaat duidelijk naar buiten, vanuit de gedachte dat naarmate je dieper geworteld bent, je kruin verder kan uitreiken. Als je niet diep geworteld bent dreig je om te vallen.’ Naar binnen én naar buiten kijken, het regionale combineren met het wereldse: geen evidente spreidstand om artistiek vertaald te krijgen. Devillé: ‘Dat is waar, en ik denk dat we die spreidstand gaan maken in de verschillende projecten die we ontwikkelen. De trilogie HebzuchtAngstHoop speelt zich niet af in Leuven: ze gaat over universele mechanismen die zich afspelen in de hele wereld. vuur raakt een universeel thema – het verlies van een kind – maar speelt zich wel af op een bepaalde locatie, in een specifieke context. Je hebt de stad als concreet gegeven: straten, huizen, mensen die er wonen, maar er is ook de stad als filosofisch concept, de polis waar de ideeën van mensen samenkomen. Tussen die meer concrete en die meer abstracte invulling zal het werk van Het nieuwstedelijk evolueren. De ene keer wat meer overhellend naar de ene pool, de andere keer naar de andere.’ Aussems: ‘We gaan onze naam moeten waarmaken en verdienen.’ Devillé: ‘We gaan onze botten moeten aantrekken en eraan beginnen. Anders haalt de realiteit ons in.’

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 11 — 14 minuten

#142

15.09.2015

14.12.2015

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

artikel

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!