Thierry Lewyllie

Leestijd 6 — 9 minuten

Het masker van de revolutie

Het carnaval van Romans

Het volkstoneel is nu getemd, het heeft zijn eigen aard verloren, beweert Luc Lema. Hij tracht met zijn theaterteksten het Vlaamse volkstoneel te verlevendigen. Voor Het carnaval van Romans vond hij inspiratie bij de historicus Le Roy Ladurie. Als opmaat voor de volledige tekst van dit historische drama, enkele kanttekeningen bij carnaval en revolutie.

Luc Lema is 47, schreef een dozijn theaterteksten en woont in het kleine Westvlaamse dorpje Ruiselede. Hij is de initiatiefnemer van de molenstoet die driejaarlijks in augustus door de straten van Ruiselede trekt en probeert er al jarenlang het volkstoneel nieuw leven in te blazen. Vorig jaar heeft hij zijn loopbaan als leraar aan de normaalschool van het Instituut van de Heilige Familie in Tielt onderbroken, om zich volledig te kunnen toeleggen op het schrijven. Als auteur verkiest hij in zijn geboortedorp Ruiselede te blijven werken, en het plaatselijke dialect te gebruiken als de taal voor zijn toneelstukken. In 1980 schrijft hij zijn eerste toneelstuk: Een anarchist in het dorp. Het stuk wordt opgevoerd door een groep vrienden, die vanaf 1985 elk jaar een produktie brengen, in een oude aardappelschuur die het gemeentebestuur hen in bruikleen heeft gegeven. Het in 1985 opgevoerde Drie episodes uit het leven van een zestiende-eeuwse, Ruiseleedse ketterse molenaar (naar Bredero), is het begin van een zeer intense samenwerking met de regisseur Jan Leroy.

Vanuit zijn belangstelling voor het volkstoneel, gaat Luc Lema zich verdiepen in de studie van het carnaval in Sardinië (Boës en Merdules van Ottana, Mammuthones van Mamoiada en Sos Thurpos van Oroteli). Uitgangspunt hiervoor vormt het magistrale werk van de Spanjaard Julio Caro Baroja: El Carnaval. Door de lectuur van Montaillou, village occitan de 1294 à 1324, wordt zijn belangstelling gewekt voor de mentaliteitsgeschiedenis zoals de Franse historicus Emmanuel Le Roy Ladurie die beoefent. In Le Roy Ladurie’s boek Le Carnaval de Romans vindt Luc Lema het gedroomde materiaal voor een toneelstuk.

Explosief klimaat

Het Carnaval van Romans probeert een beeld te geven van de gebeurtenissen die zich hebben afgespeeld in het kleine stadje Romans in Frankrijk (in het huidige departement de Dröme, vroeger de provincie de Dauphiné) tijdens de jaren 1579-1580. De frustrerende tegenstelling tussen aan de ene kant de adel en de geestelijkheid, die vrijgesteld waren van belasting, en aan de andere kant de niet-adellijke klasse, die gebukt ging onder een steeds grotere belastingsdruk, had reeds aanleiding gegeven tot verschillende rellen en opstandjes in de streek rond Grenoble en Romans. Ook was in Romans de herinnering aan de plaatselijke Bartholomeusnacht in 1572, toen een tiental Hugenoten waren omgebracht, nog zeer levendig. De beroering op het platteland bleef niet zonder uitwerking op de stadsbewoners en de onderhuidse gevoelens van onvrede werden aangewakkerd door de toenemende corruptie en een nieuwe verhoging van de directe belastingen. De optocht van de Romanese lakenwevers op 3 februari 1579 (Sint-Blasius, feestdag van de lakenwevers), tot dan toe een louter folkloristisch gebeuren, krijgt nu de allures van een militaire parade. In deze geladen atmosfeer kon Jean Serve-Paumier, leider van de rebelse ambachtslieden, afdwingen dat in de ‘gewone’ stadsraad van veertig leden ook een aantal met het volk sympathiserende ‘boventallige’ leden mocht zetelen. Dit eerste succes bleek weinig concrete resultaten op te leveren, aangezien de rebellen volstrekt niet bij machte waren de meerderheid in de raadsvergadering in hun voordeel te wijzigen. De schuldenlast van de stad had ondertussen ondraaglijke proporties aangenomen en een poging om deze schulden te liquideren door het heffen van nieuwe belastingen, lokte in november 1579 een belastingstaking uit van de slagers en de bakkers. Ze beschuldigden de Romanese oligarchie en de rechter Bernard Guérin van wanbeheer en eisten dat de verantwoordelijken hiervoor de schulden betaalden. Het is in dit explosieve klimaat dat op 2 februari 1580 (Maria-Lichtmis) een uiterst roerige carnavalsperiode aanving.

Dit is de historische context waarbinnen Luc Lema zijn personages plaatst. Hij reduceerde enkel de periode van de dramatische handeling tot anderhalve maand. De ontknoping van het stuk valt samen met de bloedige repressie van de opstand van half februari 1580. De dramatische structuur van de tekst is zeer klassiek: een proloog, drie bedrijven en een naspel. Het grote aantal personages (31), de talrijke locaties en massascènes, en de vrij gedetailleerde regieaanwijzingen laten vermoeden dat het stuk op de eerste plaats is geconcipieerd als een leesdrama. Volgens Luc Lema ligt hier een uitdaging voor de regie, die de dramatiek zou moeten toespitsen naar enkele personages: “Ik kan slechts ‘dialectisch’ schrijven: de tegenstelling tussen de vele personages die gedoemd zijn tot nietsdoen en de enkele personages die de dramatische handeling werkelijk torsen, blijft steeds aanwezig.”

Bespotting en omkering

“Centraal in dit stuk staat eigenlijk de ideologische probleemstelling rond het al dan niet revolutionaire karakter van het carnaval. Voor Le Roy Ladurie is het carnaval reactionair. Met het schrijven van Het Carnaval van Romans, wilde ik op de eerste plaats voor mezelf uitmaken of Le Roy Ladurie gelijk heeft.”

Daarbij gaat het vooral om de typisch carnavaleske rituelen van bespotting en omkering. Volgens de regels van de omkering worden scherts-koningen verkozen en worden schertstarieven opgesteld: schaarse artikelen worden goedkoop en omgekeerd zullen hooi, stro en haver voortaan tegen de hoogste prijzen worden verkocht. Het voorstel van Pain Blanc om de klokken uit de toren te halen (het thema van het omkeren van de tijd), wijst op de invloed van Rabelais. Zo een tijdelijke rituele omkering is natuurlijk geen omverwerping. Door de rollen gewoonweg te verwisselen wordt de bestendigheid van de hiërarchische functies nog onderstreept. De strikt carnavaleske elementen functioneren dus, met betrekking tot het vasten en de predikingen van de Vastentijd, als een logisch voorspel, als een voorafgaande antithese. Het carnaval, het voorspel van de Vastentijd, zelf weer de voorbereiding op Pasen, recupereert de heidense winterfeesten en past ze in in de christelijke tijd. In de satire beoogt men de uitbanning van het maatschappelijke kwaad, dat – in de christelijke interpretatie – een extrapolatie van de zonde wordt. Alle min of meer verborgen ondeugden van de plaatselijke samenleving worden in de satire bespot. De satire en de agrarische en ambachtelijke dansen van het Sint-Blasiusfeest, die tot de folkloristische ingrediënten van het carnaval behoren, krijgen al snel een politieke betekenis. In de uiterst ontvlambare context van februari 1580, is er niet veel nodig opdat de symbolische vechtpartijen of wedstrijden die het carnaval kenmerken, ‘echte’ vechtpartijen worden. Misschien vormt deze overgang van spel naar werkelijkheid, van fictie naar niet-fictie een interessante invalshoek voor de dramaturgie van dit stuk.

Mythologie en folklore

Opvallend in Het Carnaval van Romans is het veelvuldig gebruik van elementen uit mythologische verhalen. Voor Luc Lema is het niet zo dat mythen niet meer kunnen, maar men moet er dan wel in slagen een mythe historisch acceptabel te maken: “Eigenlijk zijn dat allemaal oefeningen om een stuk te schrijven over deze tijd, maar dat kan ik nog niet. Ik zit nog te veel vast in mythologie, folklore en dergelijke dingen. Misschien is dat voor mij een vluchtweg, maar ergens toch ook een stapsteen om te komen tot theater over onze tijd.”

Luc Lema doet een beroep op mythologische verhalen en folklore, omdat daarin een kracht zit, die het volkstoneel een nieuw elan zou kunnen geven.

“Het volkstoneel is nu getemd, ‘gedomesticeerd’, het heeft zijn eigen aard verloren. De mensen die volkstoneel spelen, kijken op naar wat volgens hen het ‘echte’ toneel is. Dat is fout. Voor mij is het volkstoneel het echte toneel. Ik bedoel daarmee het brute toneel zoals Bredero het schreef, bijvoorbeeld. Ook de herkenbaarheid vind ik problematisch. Volgens mij moet het toneel iets laten zien, iets kenbaar maken, wat helemaal niet overeenstemt met ‘herkennen’. En op de derde plaats moet de taal werkelijk weer organisch worden. Met die bestanddelen kan men een volkstoneel maken dat de Vlaamse maatschappij weer kan verlevendigen. Nog een criterium voor het volkstoneel is dat het moet regionaal blijven – en ik zie dat niet als scheldwoord. Regionaal blijven en zich zo verdiepen.”

Gevierendeeld taalgebruik

Het is de bedoeling dat het stuk opgevoerd wordt in de gewestelijke omgangstaal. Het taalgebruik van de personages is niet het taalgebruik van een (historisch) identifieerbare sociale groep: het is geen sociolect. Maar het lijkt veeleer een bizar mengsel van een archaïsche vocabulaire, volkse spreuken en tekstflarden van Villon en Rabelais. De taal is zeer geconstrueerd en hybridisch, en soms is het knip – en plakwerk nog sterk voelbaar. Ook Luc Lema is het erover eens dat het nog iets te veel maatwerk is: “Ik zat daar een beetje tussen hamer en aambeeld. Ik ben dus gewoon in het Ruisleeds te schrijven. Maar omdat het bedoeld was voor een wedstrijd heb ik het in het Nederlands geschreven… Maar ik vind ook dat de taal die we spreken gehalveerd is, nee, gevierendeeld. Dat men alles wat te maken heeft met dieventaal, bargoens, systematisch uit onze taal heeft geweerd, is zeer jammer.”

De marginale plaats die het volkstoneel inneemt binnen ons theaterbestel en de geringe aandacht ervoor in de theaterkritiek en -wetenschap, getuigt van de talrijke vooroordelen die bestaan ten aanzien van het volkstoneel. En zolang dat volkstoneel zich in zijn isolement blijft ontwikkelen, zal daar vermoedelijk weinig verandering in komen.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

Thierry Lewyllie

artikel