Luc Lema

Leestijd 58 — 61 minuten

Het Carnaval van de Romans

Het kind is de vader van de man

Oude, bijna blinde professor van de universiteit van Valence

Charles de Manissieu, eerste consul van Romans Antoine Coste, tweede consul van Romans Bernard Guérin, rechter te Romans Jean Serve Paumier, lakenwever te Romans, weduwnaar

Robert Brunat, lakenwever te Romans Zigeuner, zigeunerin en beer Koot, de stadsgek Pain Blanc, bakker te Romans Fleur, slager te Romans

Marktkraamsters, Margot, Geneviève, Tessa, Jeanine en Gaëtane

Philippe Guérin, de dochter van de rechter Miehette, de waardin van de Pomme de Pin Claude Laroche, touwslager te Romans Raymond Caseneuve, drukkersgast te Romans Pierre Laigle, handelaar uit de Jacquemartwijk Perchta, een oude vrouw Jean Guigou, hervormde burger van Romans Alexander Jourdain, klerk te Romans Heraut

Vinciane, de vrouw van rechter Guérin Guillemette, de vrouw van Claude Laroche Jacotte, de vrouw van A, Coste René Vincotte, officiant te Romans Mengarde Coste, dochter van A. Coste Kind van Mengarde Coste Bibi, dolende ziel

Brune, de vrouw van de Manissieu

Reizende speellieden

Burgers en burgeressen van Romans

Oude? bijna blinde professor van de universiteit van Vaknee:

Toekomstige rechtsgeleerden van de Dauphiné en van het koninkrijk Frankrijk, tot besluit van mijn laatste college wil ik jullie met alle geestelijke kracht waarover ik nog beschik wijzen op de historische uitdaging waarvoor het leenheerlijke stelsel jullie in het laatste kwart van de zestiende eeuw zal plaatsen.

Jullie taak bestaat erin het recht te handhaven. Voorwaar geen sinecure in deze door godsdienstoorlogen, boerenopstanden en stadsberoerten geteisterde streken. Doe bij de uitoefening van die taak een beroep op de natuurlijke rede en geef Steeds blijk van een geesteshouding waaruit een visie blijkt Een visie waarin wel rekening gehouden wordt met het verleden, maar waarin het heden centraal staat.

U weet, heren, dat harmonie, de regel van evenredigheid, het cement is dat beschaafde samenlevingen bijeenhoudt. In de Dauphiné is de situatie echter zo dat dc derde stand, de voeten van het lichaam dat onze georganiseerde samenleving is, de last van het hele lichaam te torsen krijgt De adel heeft de landerijen van de niet-edelen opgekocht, gronden waarvoor ze op basis van het gewoonterecht geen belastingen dienen te betalen. De landbouwer, dat wil zeggen, het lid van de derde stand dat nog grond heeft, draagt nu de zwaarste last.

Dat strookt geenszins met de rede, moeder van iedere ware rechtsopvatting.

Het Romeinse recht stipuleert dat alle grond, al dan niet van edelen, onderhevig is aan rechtvaardig verdeelde belastingheffing. Wat betekent dat eenieder, naar verhouding van zijn bezittingen, op grond van recht en redelijkheid de lasten van het koninkrijk moet dragen.

De eerste stap in de goeie richting is de kadastrering van het land. Alleen op die manier kan het gewoonterecht, dat belastingvrijstelling van de adel inhoudt, ongedaan gemaakt worden.

Heren, ik hoop dat jullie deze historische uitdaging niet uit de weg zullen gaan.

Ik wens u allen vaarwel,

EERSTE BEDRIJF

Raadszaal in het stadhuis van Romans. Begin januari 1580.

Charles de Manissieu, eerste consul van Romans ijsbeert door de zaai Gejaagd komt Antoine Coste, tweede consul van de stad, binnen*

Coste Gegroet, weledele heer de Manissieu! (met een verwijtende ondertoon in z’n stem) Uw dringende oproep heeft me verhinderd een lucratieve transactie af te sluiten.

de Manissieu Maakt u zich toch geen zorgen, meneer Coste! Zout blijft verhandelbaar. En geld… blijft rollen.

Coste Eerste consul, ik leef niet van m’n renten zoals u.

de Manissieu Eigenbelang en persoonlijke rancunes zijn op dit ogenblik uit den boze, Antoine. (zeer ernstig) In de baronie van Clérieu hebben de dorpelingen de rechter, de slotvoogd en de griffier die hun functie uitoefenden, gedood. Ze hebben ze op wrede wijze en met grote traagheid laten sterven. (zeer kordaat) Als we nu niet ingrijpen, dan staat binnenkort heel dc Dauphiné in lichterlaaie.

Coste Bedoelt u … de stadsmilitie? de Manissieu Natuurlijk! Zij kunnen de oproerkraaiers nog aan.

Coste Voorzichtig, eerste consul! Uiterste voorzichtigheid is geboden. Tegen en met wie zullen de schutters hun kruisbogen en hellebaarden verheffen? De ambachtslieden hebben hun kapiteins aan de dijk gezet en hebben in hun plaats hun eigen mannetjes laten benoemen, (pauze) Wie heeft de macht in handen in Romans, dat is de vraag, de Manissieu (resoluut) Wij! Ik heb de avondklok ingesteld. Wie godslasterlijke taal uitslaat, wordt gearresteerd. De afspanningen signaleren alle vreemdelingen. Die farao’s, met hun vreemde huidskleur, van gitaanse oorsprong, met hun dansende beer, worden scherp in de gaten gehouden. De reizende speellieden heb ik speelverbod opgelegd. In de stad zijn wij de toestand meester. Coste Geloof me voor één keer, Charles de Manissieu, die maatregelen zijn niet afdoende. Laten we ons, nu het nog niet te laat Ís, tot het parlement van Grenoble wenden, We moeten een beroep doen op de heer Maugiron en de gewapende troepen van de koning.

de Manissieu Soldaten van de koning in Romans!?

Alleen in de uiterste nood, Costel (Rechter Guérin

komt heel snel naar binnen gelopen)

Guérin (amechtig) Ze komen … Ze komen naar

hier!

de Manissieu Wie? Coste Wat is er gaande?

Guérin Het janhagel. Het schorremorrie. Ze hebben zich meester gemaakt van de sleutels van de stadspoorten.

de Manissieu Niet mogelijk..,

Coste De wallen zijn in hun handen.

Guérin De abdij van boog- en kruisboogschutters

heeft de lakenwever Paumier tot koning van de

kruisboog uitgeroepen.

Coste Laat de alarmklok luiden!!!

de Manissieu (opgelucht) Ach, de aanloop tot het

carnaval…

Guérin De aanhangers van die Paumier jagen de goeie burgers de stuipen op het lijf. Ze bevrijden gevangenen. Paumier zou een lijst opgesteld hebben van een vijftigtal te vermoorden burgers. En verlies vooral niet uit het oog: hij staat op goede

voet met de muitende boeren en met de hervorm-

den in de bergen. Die kerel is zo gevaarlijk als… als een tijgerin in een brandende bamboebos. (Tromgeroffel wordt hoorbaar) Daar zijn ze! (Met tromgeroffel wordt duidelijker; sporen van toenemende onrust bij de drie mannen. Twee mannen, Jean Serve Paumier en Robert Brunat Stormen de zaal binnen) (brullend) Wachters! Wachters! Paumier en Brunat, indringers! Eruit! Jullie plaats is in dc goot Wachters!!!

Paumier (spottend) Schreeuw je strot niet stuk, nobele rechter van Romans. Buiten staan vijfhonderd vastberaden, tot de tanden gewapende mannen? ambachtslieden en boeren, (nog heviger tromgeroffel) De kapiteins van de schutters hebben alle macht verloren. (De beide consuls willen iets ondernemen, maar Guérin maant ze met een handgebaar tot kalmte en richt zich dan tot … Brunat) Guérin Robert Brunat, u bent een eerbaar ingezetene van Romans, u hebt zich verdienstelijk gemaakt in de strijd tegen het banditisme in het Romanese. Naar u willen we luisteren. Brunat Rechter Guérin, in naam van het volk van Romans eisen wij, dat wij, in onze hoedanigheid van ambachtslieden, zitting krijgen in de grote raad van Romans.

Guérin Wat je eist, is totaal onwettelijk. Paumier (onstuimig) Onze eis stoelt op de oude vrijheden van de Dauphiné. Op de oude gewoonten die rechtvaardig waren.

Guérin Van jou, Paumier, hoereerder en boeleerder, wil ik het woord rechtvaardigheid niet horen. Coste Over welke rechtvaardige gewoonten heeft hij het, Brunat?

Brunat In het jaar 1542 hebben de rijken van Romans met de hulp van het parlement van Greno-ble, alle algemene volksvergaderingen, die de consuls van de stad kozen, eens en voor altijd verboden. In de plaats daarvan is een algemene raad van veertig leden gekomen.

de Manissieu Waarin toch nog altijd tien ambachtslieden en tien boeren zetelen. Paumier (spuwt op de grond) Verraders van het volk! Zij huilen mee met de wolven. Sinds die dag zijn de vetten de baas in onze stad. (Paumier maakt aanstalten om naar buiten te lopen) Guérin Halt! Wacht! Brunat, welke buitengewone, boventallige leden wilt u aan de grote raad toegevoegd zien? (tegen Coste) Meneer Coste, noteer de namen!

Brunat (verrast) Jean Serve Paumier, Geoffroy Fleur, Jacques Jacques, Francois Robin, Jean Gui-gou en ikzelf Robert Brunat (Coste noteert). Guérin Al die personen kunnen de volgende raadszitting bijwonen.

Paumier Reken erop dat wij er zullen zijn. Tot binnenkort, heren! (Paumier en Brunat vertrekken: na enkele ogenblikken luid hoera- en bijvalgeroep buiten; trommels roffelen)

de Manissieu (verbijsterd) Meneer Guérin, hoe hebt u zo toegeeflijk kunnen zijn? Guérin (monkelend) Toegeeflijk noemt u dat, meneer dc Manissieu. Met vijfhonderd gewapende mannen voor de deur. Met de sleutels van de stadspoorten in hun handen. Rn met de vraag wiens kant de schutters zullen kiezen. Coste Met Paumier als hun koning… Guérin (fijntjes) Een koning die niet opgewassen is tegen z’n koninklijke taak … wordt gedood. Zo wil het de traditie.

de Manissieu Verpletteren moeten we dat schorem.

Guérin (onverstoorbaar) We moeten tijd winnen. De tijd speelt in ons voordeel. De situatie is nog niet dramatisch, ze onderhandelen nog. We moeten ze aan het lijntje houden.

Coste Lik de schelm, hij zal u prikken! Prik de schelm, hij zal u likken,

Guérin Heb vooral geen schrik, meneer Coste, dat ik dat rapalje zal likken. Maar ze hebben de poorten van Romans in handen; als ze die openen voor de benden boeren uit het omliggende, dan verkeert de stad in acuut gevaar. Coste De stad is aan hen overgeleverd. Guérin Nog niet, Coste! Als we erin slagen om dat schorremorrie één enkele persoon te laten benoemen die uit aller naam spreekt, dan … de Manissieu Zeker niet Paumier! Guérin … Een soort volkstribuun, dan krijgen we die massa wel klein.

de Manissieu Wie, heer rechter, wie hebt u op het oog?

Guérin Voorlopig nog niemand, maar… Komen jullie maar mee naar m’n woning, (gedrieën af)

Scène 2

In de woning van A. Coste. Enkele dagen later. De tweede consul zit zwaar te piekeren. Paumier komt

binnen, bekijkt ‘m een ogenblik en neemt dan het woord. Coste schrikt op.

Paumier Je zit in de sores, Ant.. euh, euh, meneer Coste.

Coste (zonder na te denken) Ja, Paumier, mijn dochter, Mengarde… (Coste vermant zich) Maar ik heb je niet bij mij ontboden om over de moeilijkheden met m’n dochter te praten. Paumier Wat is er toch met… Coste (valt ‘m in de rede; op samenzweerderstoon) Jean Serve, rechter Guérin weet niets af van dit onderhoud.

Paumier Waarom al die geheimdoenerij?! Wat wil je van mij, tweede consul? Coste Ik wil een beroep doen op je spreekwoordelijke verdraagzaamheid en je burgerzin, Paumier (ironisch) Ben ik wel zo’n verdraagzame burger?! Vooruit, draai er niet langer omheen, man! Waarover gaat het?

Coste (zoekend naar woorden) De stadsfinanciën… een lange donkere tunnel… er moet iets gebeuren. Zetelend in de grote raad kun jij misschien helpen om er nieuwe belastingen door te krijgen, Paumier Wat?! Nieuwe belastingen! Hoe bestaat het! De Romanezen verwerpen zelfs de inning van de belasting van vijftien écus. Ze willen niet dat de goederen die in de stad geproduceerd worden met speciale rechten worden bezwaard. En jij hebt het lef om over nieuwe heffingen te spreken. Coste De stad staat op het punt te bezwijken onder z’n schuldenlast.

Paumier De stad! Schuldenlast! Zal ik je wat zeggen?! Wij willen dat de rekening opnieuw wordt opgemaakt, inclusief het overschot van het beheer van de gemeentegelden van het jaar 1564 tot heden. Coste (zelfverzekerd) Jullie krijgen geen toegang tot de rekenkamer,

Paumier Als in functie zijnde gemeenteraadsleden

van de stad krijgen wij dat wel,

Coste (volledig uit het lood geslagen) Verdomme,

met die omstandigheid hebben wij geen rekening

gehouden.

Paumier En dat onderzoek zal zo vlug mogelijk uitgevoerd worden door advocaten door het volk benoemd. Opdat er eindelijk een einde kan worden gemaakt aan de onderdrukking van het arme volk door de heersende klasse, de rijke stinkers, de bevoorrechten, de adel, de geestelijkheid, de elite van bankiers en van … rechters. Coste (roepend) Zwijg, Paumier, zwijg!!! Paumier Niets of niemand zal mij doen zwijgen. Ik weet best dat jullie, functionarissen van de stad Romans, beurzen hebben zo groot als de balzak van een olifant, waarin al ons geld verdwijnt Coste Wat voor obsceniteiten! Paumier (laat zich nu gaan) Jullie stadsbestuuders hebben grote diefstallen gepleegd ten koste van de armen en de belastingsplichtigen. Dat zal binnen de kortste keren blijken,

Coste Dat wil ik niet horen zeggen. Niet in m’n eigen huis, Eruit, verdomde miesmacher, eruit!!! Ik laat je vervolgen wegens smaad aan het adres van het stadsbestuur, (hij gaat de wijkende Paumier achterna) Die woorden zullen je nog zuur opbreken. Dat geef ik je op een blaadje! (beiden af)

Scène 3

In de woning van rechter Guérin. Twee weken later. De rechter loopt na te denken. Er wordt geklopt Een heel terughoudende Brunat komt binnen.

Guérin (valt met de deur in huis) Robert Brunat, ik heb zeer gewichtige zaken met u te bespreken, die de hele Romanese bevolking aanbelangen, Brunat (zeer gereserveerd) Waarom met mij, en niet met Jean Serve Paumier?! Het volk van Romans draagt ‘m op de handen. Hij is hun koning. Guérin (duidelijk geïrriteerd) Kom, Brunat, Paumier is een man, zo slecht gemanierd en grof als men zich maar voor kan stellen. Een brutale vlegel, die de overheid niet respecteert, een grof gebekte spreekbuis van het janhagel. Een ongelikte beer! En daarbij … weduwnaar en toch nog zo stotig als een jonge bok.

Brunat (richt zich rechtstreeks tot het publiek) Men neme: rood arseen en rattenkruid en ongebluste kalk en opperment

en koken lood – want dat trekt lekker uit –

en giftig schuimend bloed van een serpent

met schilfers huid van een leproze vent

bouillon van tenensmeer en voeten vuil,

salpeter uit een rijpe etterbuil

en loog uit stront en pis van een jodin

met gal van wolven, vossen en een uil,

en smore daar de lastertongen in,

Guérin (uit het veld geslagen) Maar…, maar…, wat

bezielt jou, Brunat?

Brunat Niets, heer rechter! Niets! Dat is mijn manier om te zeggen dat ik Paumier als een koning wil dienen. Dat ik voor ‘m sterven wil, maar vooral dat ik voor ‘m leven wil.

Guérin Maar Paumier is geen koning! De nar van de koning, dat is-ie. Hij is een vulgaire marionet in de handen van dc hervormden, die hun lafhartigheid in de bergen camoufleren, in de illusie dat ze streek en stad kunnen veroveren. Nee, nee, Brunat, u als eerbaar lakenhandelaar van Romans, buitengewoon lid van de grote raad, vertrouwd met de verzuchtingen van het gewone volk. expert in financiële en fiscale aangelegenheden, moest toch beter weten..,

Brunat (ongemakkelijk) Al goed, al goed! Waar stuur je op aan?

Guérin (onzeker plots) Ik… wij… de consuls, euh… euh, u weet, de sleutels van de stadspoorten, de aan de dijk gezette kapiteins, … Kijk, Brunat, de stad Romans zit tot over z’n oren in de schulden. Sinds vele jaren zijn het slagers- en bakkersbedrijf de meest winstgevende inzake de schattingen van de stad. Honderden en honderden florijnen brengen ze binnen. Maar, wat u ook weet, de schuldenlast van de stad is met de jaren gestegen tot … 60.000 livres. Om de rente op deze schulden te betalen, moeten dc schattingen van slagers en bakkers verhoogd worden.

Brunat (ongemakkelijk) Meneer Guérin, ik ben een eenvoudig lakenhandelaar, die van z’n natje en z’n droogje houdt.

Guérin Tracht je niet te drukken. Brunat. Ik zal u rijkelijk belonen indien gij uw macht en aanzien in dc stad aanwendt om er de slagers en bakkers van te overtuigen dat het nodig is voor onze stad dat de schattingen … verviervoudigd worden. Brunat (schreeuwend) Verviervoudigd!!! (stiller) Heer rechter, dat is diefstal van het volk. U riskeert een volksoproer.

Guérin Dat in het (bedwingt zich met moeite) gesmoord zal worden. Jij kunt de belangen van hel volk alleen maar dienen, door hen ertoe over te halen te …

Brunat (onderbreekt de rechter; zeer ernstig) Mijn besluit is genomen, rechter Guérin, ik zal de belangen van het volk van Romans dienen. Ik zal de Romanezen meedelen dat de stad Romans tot diep over zijn wenkbrauwen in de schuldenpuree steekt. (zonder verandering van toon) Vervolgens zal ik hen meedelen dat die diepe put toe te schrijven is aan dc vorige consuls. Die hebben zich gedragen als oneerlijke Heden, Als geboefte! Guérin Zwijg, Brunat! Als je niet zwijgt, trouw je binnenkort met de dochter van de touwslager. Brunat (met stemverheffing) De consuls hebben het belastingsgeld laten innen, ja, maar i.p.v. het te storten in de koninklijke schatkist of de gewone uitgaven van de stad ermee af te handelen, hebben ze het geld m eigen zak gehouden en het voor persoonlijke doeleinden gebruikt, Guérin Brunat, die woorden zullen je duur te staan komen.

Brunat Onze advocaten in Grenoble hebben uitgemaakt dat het gaat om een som van 20.000 écus of 60.000 livres. De consuls van vroeger, de Guigous, de Thomés, de Costes en andere Velheus zijn de schuldenaars van de stad voor aanzienlijke sommen geld* Zij hebben geprofiteerd van het geld van de gemeenschap.

Guérin Zij hebben hun plicht gedaaan. Brunat Toch niet, De ex-consuls moeten de stad Romans het kapitaal en de rente terugbetalen van hun schulden, die tot nu toe verborgen zijn gehouden. De huidige consuls, de Manissieu en Coste, worden veroordeeld tot het betalen van de rente over de bedragen die door hun zorg hadden moeten worden terugbetaald.

Guérin Zestigduizend livres terugbetalen?! Hoe kom je daarbij?!

Brunat (vertrekkend) Jullie hebben geen andere keuze. (Brunat af)

Guérin (huiverend) Het plebs van Romans wil ons geld. Ons geld en onze … (schrikt zichtbaar van de gedachte) (Guérin af)

Scène 4

Marktplaats van Romans. Einde januari. Tromgeroffel wordt hoorbaar.

(Het tromgeroffel komt dichterbij. Het gewone volk van Romans komt erop af, Paumier, Brunat, Koot,

Pain Blanc, Fleur en nog andere, mannen en vrouwen* Een zigeuner verschijnt ten tonele, samen mei een zigeunerin. Aan een ketting voert hij een heer meer.

De zigeuner is in lompen gekleed. Hij draagt een zwarte bloes en broek, met gele franjes aan mouwen en pijpen. Z’n broek is in patchwork van gek en rode lappen. Om z’n middel draagt hij ‘n brede lederen gordel Gekruiste lederen riemen, versierd met koperen nagels, lopen over borst en rug. Zn gezicht is zwart gemaakt met chinese inkt. Z’n lippen en oogleden zijn fel rood gekleurd. Hij draagt een lange, zwartlederen punthoed, waaraan bovenaan een in het rood geschilderde varkensblaas bengelt, gevuld met droge erwten. De hoed is versierd met muntstukjes, parels, medailles, eretekens, papieren bloemen enz. Z’n zeer lange raffiaharen zijn vastgemaakt aan de rand van de hoed. Hij draagt een trommel en een schoudenas. De zigeunerin is kleurig — overwegend rood –gekleed.

Het is zeer duidelijk dat ze een voorstelling zullen geven.)

Koot (wijzend op de zigeuner) Hé, hé, een man die er geen is! (Ook de aanwezige vrouwen geven commentaar; het gaat over de armoede, de vuilheid, het heidendom en de opschepperigheid van de zigeuners. De beer loopt op z’n vier poten. Hij begint zich plots te verzetten, jaagt de menigte schrik aan door hen te bedreigen, gromt angstaanjagend) Stem Kijk, kijk, hij gedraagt zich als een wild beest! (Ook de zigeuner gedraagt zich als een wildeman: hij grimast, laat z’n ogen rollen, steekt z’n tong uit Op het ritme van z’n getrommel laat de zigeuner de beer dansen, waarbij het dier zich uiteraard op twee poten opricht)

Koot Maar kijk dan toch! Hij danst als een man. Hij is niet wild. (De beer gehoorzaamt duidelijk de man. Hij danst zo dat we de indruk krijgen dat hij op gloeiende assen danst.)

Zigeuner (tegen de Romanezen) Overal waar de beer danst, verjaagt hij het kwade. Koot Dan kan hij nergens beter dansen dan in Romans! (Het ritme wordt trager. De beer valt levenloos neer. De zigeuner lamenteert, zegt dat z’n heer dood is. Hij buigt zich over het kadaver, trekt een mes en voert ‘n operatie uit aan de buik van het dier. Het bloed stroomt. De zigeuner gooit iets weg) Stem Daar gaan z’n neukpatronen! (Plots verrijst de beer. De zigeuner begint weer op z’n trommel te roffelen – zelfde ritme als bij het begin — en de beer danst weer.)

Paumier Wat een wonder! Wat een beest! Zigeuner De beer geneest nierziekten, doet de koorts afnemen. Zijn vet geeft kracht! (De zigeuner en de vrouw halen geld op bij de toeschouwers en vertekken dan met de beer. Ook de Romanezen gaan weg, terwijl ze de voorstelling becommentariëren)

Scène 5

Marktplaats van Romans. Eén februari 1580. In feite zijn er vijf marktkraamsters, Margot, Geneviève, Tessa, Jeanine en Gaètane. Ze zijn reeds geïnstalleerd of ze zijn zich nog aan het installeren. Als eerste marktbezoeker daagt Koot op. Later verschijnen ook Coste, Brunat en nog andere burgers en burgeressen.

Het begint met een heel burleske scène. De marktkraamster Margot wil haar waren luid roepend aanprijzen, maar ze krijgt geen klank over haar lippen, alhoewel ze vervuld is van wat ze wil roepen. Koot is er als de kippen bij om het gebeuren op de voet te volgen. Margot spant zich in als een bezetene. Ze vertoont daarbij alle kenmerken van ‘n in barensnood verkerende vrouw, samentrekkingen en krampen, wijd open mond, bolle ogen,

zweet, beven, verstikkingsverschijnselen en gezwollen gezicht. Koot volgt alles met spanning, is echter uiteindelijk het wachten moe en helpt Margot op een onverwachte wijze: hij dient haar plots een kopstoot in de buik toe. Margot wordt bevrijd, ze kan het verlossende woord baren.

Margot Goede lieden, zeer vermaarde nathalzen! Proef de stoffelijkheid, de kleur, de geur, de excellentie, de eminentie, de hoedanigheid, de werking en waarde van dit gebenedijde, altoos verbeide vocht!

Koot (tegen Margot) Goeiemorgen, m’n bijltje!

Koot (rechtstreeks tegen het publiek) Nu is het zo gesteld dat een bijl zonder steel een gereedschap ons geeft met te weinig houvast is de beste partij voor ons pijpje kaneel dat bij ‘t spelletje ‘t een in ‘t ander past — Stem Pognes de Romans!!! Pognes de Romans!!! Jeanine (roepend) Broeken met de klep van achteren om makkelijker te kunnen kakken; broeken op z’n zeemans, om de ballen beter te stutten; of op zn Zwitsers, om het buikje warm te houden; of op zijn labberdaans om de nieren niet te verhitten. Koot (tegen Jeanine) Goeiendag, m’n roskam! Jeanine Goeie vangst, m’n vale hengst! Koot (zingt) Jeanine Baadjebloot toe hoor eens: ik weet wat, ga jij naar het zweetbad, Jeanine Baadjebloot Want daar baad je bloot, dan wordt nooit je kleed nat, Jeanine Baadjebloot Ga jij naar het zweetbad — Stem Pognes de Romans!!! Pognes de Romans!!! (ook Philippe Guérin, de dochter van de rechter, komt markten)

Tessa (roepend) Grijze amber, muskus, saffraan om ‘t hart te verblijden, gember, asafoetida of duivelsdrek…

Koot (tegen Tessa) Goeiendag, m’n inktvis! Tessa Dag, m’n zeevarken! (Philippe Guérin komt naar de kraam van Tessa) Philippe (tegen Tessa) Eén pond honing! En één pond frambozen!

Koot Licht op de maag en vlug uit de darm! Philippe En een zakje basilicumzaad! (Tessa bedient Philippe, overhandigt haar het bestelde. Nu gebeurt er iets zeer eigenaardigs. Een als beerverklede man — niemand anders dan Paumier — met alleen de peis, niet de kop van het dier, benadert Philippe van achteren en legt geheel onverwacht z’n Mauw op de honing. Hij is helemaal niet agressief. Philippe slaakt een luide gil. De beer begint van de honing te snoepen. Nog zeer geschrokken waagt het meisje) Wie … wat ben jij? Mens of dier? Paumier Mens én dier!

Stem Pognes de Romans!!! Pognes de Romans!!! Philippe (nog altijd als van de bliksem getroffen) Wat doe jij?

Paumier ik ga na of je een moedig meisje bent.

Gaëtane Nieuwe spelen, van wiege-wage; van even

uit, even in; van neus in aars; van gat in ‘t nat; van

leeft het manneke of ist-ie dood?

Koot (tegen Gaëtane) Weet je nog wel van toen,

veest?

Gaëtane En of, scheet! (Philippe Guérin is nu van

haar grootste schrik bekomen)

Philippe Waar kom jij vandaan?

Paumier Uit een andere wereld. Een wereld van

bomen, planten en bronnen.

Philippe Jij bent Jean Serve Paumier, de lakenwe-

Paumier Die was ik tot voor kort.

Philippe De beste kruisboogschutter van Romans,

De beste kaatser,

Paumier (melodramatisch) ik ben veroordeeld om tien jaar beer te blijven. Alleen een meisje dat verliefd wordt op me, kan me redden. (Zonder het zichzelf goed te realiseren aait Philippe. de pels van de beer)

Philippe O, wat een wonderbare vacht! Zo ruig… zo wild… (ze verliest zich als het ware in de pels) Stem Pognes de romans!!! Pognes de romans!!! Geneviève Boeken, het laatste snufje van de buik-renaissance!!! Eetbare kookboeken; het befaamde kookboek van de Italiaan Platina; het belangrijkste fomuisboek aller tijden van Bartholomeo Scapi.

Koot (tegen Geneviève) Nolletje, berg je bolletje! Geneviève Kootje, berg je klootje! Philippe (nog altijd betoverd door de pels) Wat een gedaanteverwisseling! Is dat ook mogelijk voor mij? Mijn jeugd vergaat in dat huis van die almachtige vader. Mijn ziel wordt tot as. Ik weet niet dat ik leef. (met plotse aandrang) O, Paumier, leer mij toch duizelen.

Paumier (min of meer geschrokken) Zo gemakkelijk is dat nu ook weer niet In het centrum van de stad… Voor de ogen van heel Romans. Ga naar de oever van de Presle. Over een kwartiertje kom ik daar bij je. (Philippe gaat gehoorzaam weg, in de verte wordt een kreet hoorbaar, die geleidelijk aan kracht wint) Stem van de zigeuner Ketel-lap! Ketel-lap! Ketellap! (De zigeuner komt op met z’n werktuigen om ketels te repareren en installeert zich. Een vrouw komt dadelijk met een kapotte ketel Eerder ongeïnteresseerd verricht de zigeuner zijn herstelwerk. Hij is vlug klaar, overhandigt de vrouw de ketel en vraagt om betaling. De vrouw controleert echter eerst z’n werk en stelt vast dat er nog licht valt door de dus niet volledig gerepareerde ketel Paumier verlaat op zijn beurt de markt. Met wat misbaar zet de vrouw de zigeuner weer tot werken aan. Die wekt de indruk weer aan de ketel te werken, maar hij doet er in feite niets aan. Na verloop van tijd geeft hij de ketel weer aan de vrouw. Zelfde ceremonieel als daarstraks: geld, controle door de vrouw. Wanneer echter de vrouw de ketel naar liet zonlicht houdt, plaatst de zigeuner er heel gewiekst zijn hoed op. De vrouw, geen licht ziende, denkt dat de ketel hersteld is en betaalt de zigeuner. Tevreden én bedrogen gaat ze huiswaarts met haar ketel Geleidelijk loopt nu ook de marktplaats leeg.)

Scène 6

Aan de oever van de Presle. Enkele ogenblikken tater. Philippe Guérin zit te wachten. Geluid van stromend water. Jean Serve Paumier komt opdagen. Philippe staat op, gaat op ‘m af en kust hem onstuimig.

Paumier (overrompeld) Je angst van daarstraks is omgeslagen in hartstocht. Of is het de komst van het carnaval die je bloed sneller doet stromen? Philippe Ik wil het voorbeeld van mijn vriendin Mengarde Coste navolgen. Paumier Maar wat is er toch met die Mengarde gaande? Ook vader Coste zat in zak en as. Philippe Mengarde Coste heeft enkele dagen geleden een kind ter wereld gebracht. Te vroeg geboren en mismaakt: het draagt twee hoornachtige uitwassen op het voorhoofd. Paumier Dat kan een teken van toekomstige grootheid zijn. Maar …., maar …, het schiet me plots te binnen, Mengarde Coste is toch niet getrouwd. Hoe heeft ze die geheime passagier al die maanden aan boord kunnen houden, zonder dat iemand het bemerkte?

Philippe Ach, toen ze werkelijk op dik begon te gaan, deed ze alsof ze ziek was en de kamer moest houden.

Paumier Bemerkte Coste dan werkelijk niet dat ze een buik met benen had? Philippe Jean Serve, vaders zijn altijd de laatsten om te bemerken dat hun dochter het vóór de nieren

heeft.

Paumier Ja, maar enkele dagen geleden zijn ‘m dan toch de schellen van de ogen gevallen, Philippe Vorige week heb ik Mengarde in het grootste geheim op het platteland ondergebracht. Bij Perchta, een oude vrouw. Ze wou niet langer tn het huis van haar ouders blijven. Paumier (plots ongeduldig) Waarom toch al die stannes?! Dat ze trouwt met de verwekker van het kind, hé. Of is-ie niet acceptabel? Philippe Mengarde zwijgt de vader dood. Over trouwen heeft ze nog met geen woord gerept. Paumier (voor zichzelf) Mengarde Coste is bij mijn weten geen hete vijs. Ze heeft nooit voor mannenklem gespeeld. Dus ze weet best wie haar het lood tussen de billen heeft gejaagd. Philippe Ik herhaal het Paumier, ze zwijgt over de vader in alle toonaarden.

Paumier In Romans zijn vrouwen nog altijd een mannenzaak. Als ongetrouwde móeder zal ze een eerloze worden. Hoe kan ze zo gek zijn om voor die staat te kiezen! Wat hoopt ze daar in hemelsnaam mee te bereiken?!

Philippe (plots woedend) En Jij dan?! Wat hoop jij te bereiken met hier als beer verkleed rond te darren?!

Paumier (doende alsof hij het verband niet ziet) Op de vooravond van Maria-Lichtmis is de winter uit, ofwel wordt-ie strenger (Paumier speelt wat hij zegt) De beer ontwaakt uit zijn winterslaap, indien hij schrikt van z’n schaduw, afgeworpen door de volle maan, kruipt-ie snel weer in z’n hol. De winter moet nog veertig dagen duren. Indien het echter donker is, indien de maan niet schijnt, dan gaat de beer welgezind Op pad. De lente is in aantocht. (Paumier probeert enkele danspasjes; het gaat nog zeer stuntelig) Philippe Die echte beer heeft meer verbeelding in zijn poten dan jij in je voeten. Paumier M’n leden zijn nog stram en m’n ogen verdragen het daglicht nog niet na m’n lange winterslaap, (Hij begint beter te dansen) Waar de beer danst, verjaagt hij het kwade! Philippe Geloof toch niet wat die Egyptenaren zeggen. Het zijn aartsleugenaars. Paumier Het lichaam van onze stad is doodziek, Philippe, Het hoofd, je vader, wil het gezicht van z’n ogen niet meer uitlenen om de voeten en handen te leiden. De armen, de adel, werken niet. Het hart, de geestelijkheid, is opgezwollen van de tienden. De derde stand, de voeten van het lichaam, krijgt de hele last te torsen. Daaraan moet ‘n einde komen. De beer moet het zieke lichaam van deze stad aanraken en genezen.

Philippe Is Romans dan werkelijk zo ziek? Paumier Je vader, Philippe … De consuls … de rijken … Etterbuilen en gezwellen van onrechtvaardigheid?

Philippe (verbolgen) Dat lieg je, Paumier! Mijn vader is een tiran. Toegegeven. Maar hij is geen rotte plek in het lichaam van de stad. Integendeel, hij ís de steunpilaar van Romans. Paumier Meisje toch, je loopt met oogkleppen op. (Het slaat twaalf uur op een kerktoren. Philippe neemt afscheid van Paumier met een vluchtige kus) Bij gelegenheid vertel ik je welke rol je vader gespeeld heeft in de voorbije jaren, (beiden af)

Scène 7

In de Pomme de Pin, volkscafé te Romans. Maria-Lichtmis, 2 februari, ‘s Voormiddags. Lichte orgelmuziek. Michette, de waardin, bedient de klanten. Zijn aanwezig of komen binnen in het café. Koot, Claude Laroche, een touwslager, Pain Blanc, een bakker, Raymond Caseneuve, een drukkersgast, Robert Brunat en Pierre Laigle, ‘n handelaar uil de Jacquemart-wijk. De meeste mannen behalve Koot zijn stevig aan het hijsen. Perchta, ‘n oude vrouw, komt binnen.

Perchta (met krakkemikkige stem) De zielen van onze dierbare overledenen, de bleke schijngestalten der doden waren door de straten van Romans. Geesten, spoken, fantomen! Mogen onze verdwenen voorvaderen ons bijstaan in dit aardse tranendal (tegen Michette) Michette, gooi meer blokken op het vuur! Buiten is het zo koud als een heksetiet. Koot Wanneer de tijd van de heilige Blasius gekomen is,

Dan komen, dan komen

De roddeltantes van het carnaval.

Brunat Michette, helleveeg, je hebt je wijn met

putwater aangelengd.

Kool Haar brouwsels nijpen de balspieren, reinigen de blaas,

Caseneuve Je wijn smaakt naar uilezeik! Koot Nektar en ambrozijn! Zetten de eikel vast, strekken het lid, doen de geslachtsklieren zwellen, fatsoeneren de voorhuid,

Laroche Hou ons goed nat, Michette! Droog lopen we vanzelf wel.

Pain Blanc Houdt die dorst dan nooit op?! Andere wijn, Michette! Wij willen betere wijn! Michette Voor platen kun je alles krijgen van me. Of lijden jullie allen aan de ziekte der buidelloop?! Pain Blanc Lollepot, die je bent! Je houdt alleen maar van munt, die witte of goudgele gezellin, Michette (zingt; Perchta begeleidt haar op de herdersfluit)

Op de vedel zing ik geerne, op de vedel nacht en dag. Ik ben de dartele deerne die leeft van minnegelag.

Venus mijn heupen maakte vlammend als van een elf; wit zijn m’n schouders, de naakte, mijn lijf is de godheid zelf.

Laat uit de buidel klinkelen kronen met helle klank, laat een goudstroom ruisen en rinkelen geel om m’n voeten blank.

Ik ben van Eva’s geslachte door Satan, de felle held. Geen vreugdbron lokt uw gedachte die niet in mijn harte welt.

‘k Ben koud en gloeiend samen teder, wankel, of stil. flauw, lauw, heet in ‘t verzamen willig, man, naar uw wil.

Zie mijn schoonheid veil, mijn blikken, mijn ogen, blauw en rood, mijn lachtjes, tranen en snikken, en zo ge’t zoekt, de Dood.

Op de vedel zing ik geerne, op de vedel nacht en dag. Ik ben de dartele deerne die leeft van minnegelag.

(Michette schiet in de lach en de klanten beziende roept ze)

Zó is het dat men vogelen vangt.

(Het hele café schatert het uit)

Perchta Lach en feest maar, vermolmde zuipschui-

ten! De vleespotten van Egypte! Vreemde lichamen

flitsen langs de nachttelijke hemel. De tekens aan

de wand…

Koot Ton cul a la toux, commère, ton cul a la toux!!!

(Klokkengelui wordt hoorbaar)

Pain Blanc De klokken zetten de hele stad op

stelten met hun gejengel. Mannen, laten we de

klokken uit de torens halen!

Perchta Het zijn de ontmoedigde stemmen van

allen die dood zijn, die je hoort.

Koot We moeten allen gevolgd door een drom van

doden die achter ons aandrummen.

Laigle Pain Blanc, nu ga je te ver. Een stad zonder

klokken is als een blinde zonder staf, een ezel

zonder staartriem, een koe zonder schellen.

Wijn, Michette, levensvocht!!! Ik drink uit angst

voor de dood.

Perchta Jullie zijn laf, krachteloos en week.

Oud, begerig en je praat onzin

Ik zie alleen maar gekken, mannen en vrouwen

Voorwaar, het einde nadert

Alles loopt verkeerd.

Koot Bosuilen met lichamen als padden, vlinders met kattekoppen, sfinxen met voelhorens als meikevers en vogels met vleugels als grijphanden. Een groot roofdier met knokige vingers hangt ons boven het hoofd.

Laroche Hou je waanbeelden voor je, zotskap! Koot De duivel mag me in m’n gat blazen, als ik dat doe.

Laroche Jij moet je eigenliefde, vleierij, vergetelheid, wellust en verstrooidheid afleren. Jij bikt als Trimalchus en je pit als Morpheus. Caseneuve Michette. geef mij een clairet dat de tranen eraf druipen!

Koot Ach, mannen, laat die schone vrouw, zotheid, toch niet te gronde gaan. Ze heeft u allen zoveel vreugde gegeven. Ze regeert over jullie eerzucht, jullie gierigheid die rijkdom doet toenemen, over de nieuwsgierigheid die filosofen en geleerden maakt. Laroche Jij bent summa cum laude gek! Perchta Hets pook van de oorlog trekt over het platteland. De boeren bewapenen zich met dorsvlegels en hellebaarden. Zonder orde of regel trekken ze door de velden, kriskras door elkaar. Ze plunderen en vernielen de kastelen waar ze langs komen. Laigle Wat willen die duivelse boeren toch en wie zijn ze?

Brunat Ze slechten de onbewoonde kastelen. Laroche Ze verbieden de adellijke jacht door wijngaarden en korenvelden.

Caseneuve Ze willen bossen, moerassen en gemeenschappelijke weidegronden terug. Pain Blanc Ze hebben alle gelijk van de wereld, verdomme! De edellieden moeten belasting betalen. Die fijne lui moeten bijdragen tot de gemeenschappelijke kosten en andere lasten. Het gewone volk moet z’n geld geven voor een oorlog waardoor het zelf gemmeerd wordt, Laigle De adel krijgt vrijheid van belasting in baar geld omdat zij als krijgslieden de koning met hun bloed betalen.

Brunat Onze edelen zijn geen soldaten. Het gewone volk heeft gestreden. En toch moet het altijd maar meer afdokken.

Pain Blanc De adel en de geestelijkheid moeten een evenredig deel betalen. Laroche Betalen, zeg je! De nieuwe adel koopt grond op het platteland die niet belast wordt. Waarvoor weer de boeren moeten opdraaien. Caseneuve Ze achten het beneden hun waardigheid zich als gewone mensen te laten belasten. Pain Blanc Die lui pissen op ‘t kerkhof. Brunat Betalen hun schulden niet, Laroche Keren hun jasje binnenste buiten. Caseneuve Rossen af wie niet van adel is. Pain Blanc (dreigend) Binnenkort zal men een vreemde kermis zien. Als de adel niet bijdraagt… Denk aan de Zwitsers!

Laroche Wat!? Wilt ge hen Ín de Zwitserse trant behandelen!? De moordpartijen die ze daar onder de adel hebben aangericht. Dat gaat me te ver. Dan kom je in opstand tegen de koning. Brunat Nee, Laroche, wij willen hen niet van hun bezittingen beroven, laat staan hen doden. Zij, de edellieden, komen in opstand tegen de koning door alk goederen van het volk af te nemen zonder belasting te betalen. (De deur van de Pomme de Pin vliegt open. De hervormde Jean Guigou, gekleed als een heer, stormt naar binnen) Guigou Mannen, de lakenwevers hebben Paumier tot hun leider verkozen, (bijval bij de meesten, niet bij Laigle) Ze hebben een wapenschouw gehouden. Met degens en haakbussen trekken ze door de stad. Een triomftocht!

Laigle Die Paumier is een vent die met struikrovers en bandieten onderhandelt.

Laroche Paumier is een held. Ik heb aan zijn zij gevochten in de oorlog. Hij is ook peetoom van … (nauwelijks merkbare aarzeling) m’n jongste spruit. Guigou Verkleed als beer loopt Paumier triomfantelijk aan het hoofd van zijn mannen. Koot De heilige Blasius is een beer, de meester der winden. Doctor in de petomanie! Net als de beer die in februari uit z’n winterhol komt, geeft de heilige Blasius met ‘n indrukwekkende luide knetterende scheet van het einde van de winterslaap, hel begin van de wedergeboorte van het leven aan. Turlutututu, Tours qui pète Turlutututu, Tours qui pue Si ca continue

On lui mettra un’ trompett’ a s’cul. Laigle Bah! Een winderige beer die stiekem stinkt! Pain Blanc Genoeg lullificaties! We moeten de straat op. Het ogenblik van de grote vereffening is gekomen. Wie voor het volk van Romans is, moet bij Paumier zijn. (wil weggaan) Guigou Wacht! Wacht nog, Pain Blanc! Paumier vindt dat de tijd nog niet rijp is om aan te vallen. Hij rekent erop dat m’n vrienden, de hervormden, van de veilige hoogten der Alpen afdalen en de katholieken onder de voet lopen. Met de hulp van hun leger wil hij hier in Romans een coalitie instellen van ons, hervormden, en katholieke ambachtslieden en hervormde boeren, die allen tegen rechter Guérin zijn,

Caseneuve Leve het plan van Paumier! Pain Blanc Dat plan stinkt naar uitstel! Laroche Dat er zo weinig mogelijk bloed vergoten worde!

Laigle Dat wordt een vulgaire moordpartij, Brunat Paumier is veel te gematigd om de bazen van de stad met zo’n plan te lijf te gaan. Caseneuve Moeten jullie horen, hoe wij, drukkers-gasten, onze bazen te lijf gegaan zijn. (Hij vertelt en beeldt uit) (Er speelt een lichte Katzenmusik) Na een dag van hard labeur en bikkesement om ervan te kotsen gaan wij, drukkersgasten, maffen in een vochtig en miserabel hok op de binnenplaats van het huis van onze meester. Als blokken lood vallen we op onze kafzakken neer. Maar van pitten komt er niets in huis. Enkele behekste katten houden een heksensabbat. Kamerkatten, maartse katten, zwerfkatten en duivekaters houden ons met hun krols gemiauw wakker. Heimelijk glijden ze, jachtig en schichtig, op de grote wolk der daken.

Reno! François! Waar gaan jullie heen?

Op liefdesbezoek bij jouw monke.

Wat!? Gaan pimpernellen met mijn monke!

(infernaal gemiauw) En zo gaat dat de hele nacht door. Daar rinkelt reeds de gruwelijke morgenbel. De knechten komen binnen voor de nieuwe dagtaak. Wij, rillend van de kou en van ellende, bakkie-an. Als bezetenen zitten de knechten ons op de huid. Vuur aanmaken onder de ketels! Water halen voor de baden! ledereen peest en peunt. Wat zeg ik!? iedereen? Niet onze bollebof en z’n gratekut. Die twee liggen nog in de koffer en slapen zo vast als hun matrassen. Ons besluit staat vast: wij willen niet langer alleen afzien, we maken onze snurker en z’n kleretrut deelgenoot van ons geluk. Maar hoe? De volgende nacht klauter ik van dak tot dak tot ik in de goot zit vlak bij de slaapkamer van onze tofferik. Die heeft juist de onderdompeling in het warme bad en de zaligmaking van de dijen van zijn vrouw achter dc rug en hij wil zich overgeven aan de slaap der rechtvaardigen. En daar ga ik: Miauw, miauw, miauw!!! In een vloek en een zucht staat de hele buurt op stelten. Hekserij! Hekserij! Zo wordt er geroepen. De katten trachten ons te betoveren. Werk aan de winkel voor de paap! De biechtvader van madame! Niemand luikt nog een oog, na twee rocamboleske sabbatnachten zijn de meester en z’n vrouw murw. Ze geven ons het bevel om in te grijpen. Zoveel is zeker, de katten moeten weg. Alleen de vermaarde poes Minet, het troeteldiertje van madame, moeten we ongemoeid laten. Je moet weten, madame is weg van minetten. Samen met de knechten organiseren wij drukkersgasten de jacht. We weten wat ons te doen staat. Bazen houden van katten, dus wij knechten haten katten! De ene bewapent zich met een stuk buis van een oude pers, de andere met een stok uit de droogkamer, nog anderen met bezemstelen. Voor de ramen hangen we zakken opdat de katten niet naar buiten wippen.

De klopjacht begint. De eerste kat die we bij haar kladden grijpen is… Minet. Met een kwieke slag op de nieren sla ik haar bewusteloos en rn’n gezellen maken ze verder af. Het kadaver verstoppen we in ‘n goot, want het is een vergrijp dat verborgen moet blijven. Over de daken der huizen achtervolgen we de dakgootkonijnen. In paniek storten ze zich in de zakken. Sommige slaan we ter plekke attelemiese. Andere veroordelen we tot de strop. Te midden van de grootste heisa begint de executie. De beul wordt gekozen, bewakers, zelfs een biechtvader. Maar plots daagt madame op. Ze wordt hysterisch, wanneer ze de bloederige bedoening ziet. Ze gilt, valt bijna in katzwijm, want ze denkt haar Minet te ontwaren. Zij is er heilig van overtuigd dat haar poesje door onze bezoedelde werkmansgrijpstuivers het vreselijke lot ten dele is gevallen. Wc verzekeren haar, hand op het hart, dat we zo’n beulse misdaad niet zouden kunnen begaan. We hebben te veel respekt voor het huis. De baas verschijnt ten tonele. ‘Ach, teringhonden, dat doodt katten, i.p.v. te werken!’ En madame tegen meneer: ‘Die oetlullen kunnen de baas niet doden, en daarom hebben ze mijn Minet gedood. Ze is spoorloos. Ik heb haar overal geroepen. Ze hebben haar stellig gewurgd. Hun bloed is niet goed genoeg om die misdaad ongedaan te maken’ Beiden druipen af. Wij kunnen onze lol niet op. (pauze) Ja, mannen, zo hebben wij onze bazen aangepakt. (Algemene commotie in het café. uitroepen van: ‘Leve de drukkersgasten!’. Weg met de hazen!’, en ‘Laten we de katjes in ‘t donker knijpen!’) Pain Blanc Afspraak in de loop van dc namiddag op het stadhuis van Romans. De consuls hebben ons, bakkers en slagers, geconvoceerd voor een dringende vergadering. (Allen vertrekken, alleen Laigle blijft wat achter)

Laigle Dat is nu toch war ik noem de kat de bel

aanbinden.

(Hij gaat ook weg)

(Michette sluit het café, terwijl ze het geld laat tinkelen)

Scène 8

Stadhuis van Romans. Lichtmis, 2 februari, ‘s Namiddags. De eerste consul de Manissieu en een klerk wachten. Pain Blanc en Geoffroy Fleur komen binnen. Ze begroeten mekaar niet.

de Manissieu Klerk, lees voor wat reeds vroeger overeengekomen was.

Kierk De slagers moeten voortaan aan de stad Romans betalen: twaalf sous per rund, acht sous per kalf, twee sous per schaap, vier sous per varken, twee sous per geit die ze slachten. Het rundsvlees zal vijftien deniers per pond kosten, en het vlees van de andere dieren, ook vers varkensvlees, achttien deniers. Ook dc bakkers krijgen een verviervoudigde aanslag te betalen op het graan, zoals hen reeds vroeger meegedeeld werd.

Pain Blanc Deze stad is een dief geworden, die haar burgers besteelt, Fleur Voor wie of wat werken wij nog? de Manissieu Hoe durven jullie zo spreken, oproerkraaiers! ik heb jullie verschillende convocaties moeten sturen. Dc rechter heeft me bij herhaling opgedragen om krachtiger op te treden tegen degenen die in gebreke blijven. De weddes van schoolmeesters, de reparatie van wallen, bruggen, fonteinen, klokken en stadhuis kunnen niet meer betaald worden.

Fleur Verdiende loon voor die lesboeren en schoolfrikken dat ze naar hun spijkers kunnen fluiten. ïn plaats van de jeugd kritisch op te voeden lullen ze hen in slaap.

Pain Blanc Alsof wij bakkers en slagers alleen

schuld zijn aan die blutte schatkist van de stad!

de Manissieu Minstens vijftien van jullie trawanten

voeren een belastingsstaking.

Fleur Wij willen alleen schattting betalen aan de

stad tegen de lage tarieven van vóór de nieuwe

overeenkomst,

de Manissieu Gemene profiteurs! Schatting betalen tegen de lage tarieven, maar ondertussen profiteren jullie van de verhoogde prijzen. Jullie moeten je als punctuele belastingsplichtigen gedragen. Pain Blanc Eerste consul, wij weigeren alleen te bloeden voor de prijsstijgingen. Wij willen niet langer opdraaien voor jullie rijken. Voor één quartal tarwe betalen we nu 250 deniers. Wij willen dat de verhoogde belastingen aan alle belastingsplichtigen van de stad worden opgelegd, dus ook aan de bourgeois-landeigenaars, en op alle koopwaar! Zolang dat niet gebeurt, weigeren we de verhoging van de schattingen te aanvaarden, de Manissieu Hiermee verbeuren jullie je naam burgers van Romans. Door jullie staking tegen de schattingen zijn onze schatkisten ledig. We kunnen de schuldeisers van de stad niet meer terugbetalen. Fleur Dieven!!! Het is aan jullie om de stadsschulden te betalen; jullie hoeven alleen maar op de proppen te komen met het geld van de stad dat jullie ten onrechte voor jullie zelf houden, (tegen Pain Blanc) Kom, Pain Blanc, wc praten hier tegen dovemansoren. (Beiden gaan weg)

de Manissieu (hen naroepend) Heren bakkers en slagers, tot nu toe hebben we met jullie onderhandeld; van nu af aan zullen we het over een andere boeg gooien.

(de Manissieu en klerk af)

TWEEDE BEDRIJF

Scène 1

Op een plein in de volkswijken van Romans. Drie februari, heffeest van de heilige Blasius. ‘s Voormiddags. Ken heraut treedt op te paard. Ook Paumier, Koot, Laroche, Brunat, Fleur, Pain Blanc, Caseneuve en nog andere inwoners van de stad komen opzetten. Geen vrouwen!

Heraut Volk van Romans, Romanezen, kom het feest van de heilige Blasius vieren, patroon van de lakenwevers en van het Saint-Espritgilde. Scherp de spiesen, pieken, weerhaken en hellebaarden!

Slijp de zwaarden, klingen, degens, ponjaarden en hartsvangers.

Romanezen, laten we de macht van het volk over wallen en poorten van de stad vieren. Kom en neem deel aan het koninkrijk van het schaap! laten we met z’n allen de koning van het schaap kiezen! (martiaal tromgeroffel weerklinkt. Als eerste komt Paumier, uitgedost als beer)

Paumier (overmoedig) In de Dauphiné is er geen man die mij bevelen kan geven. De beer is ongetemd, Z’n kracht bevindt zich in z’n poten en in z’n lenden, Hij laat zijn mannelijkheid niet aan banden leggen. Hij moet het nieuwe jaar reinigen van het vuil van het oude jaar, of anders bezwijkt de stad aan z’n vervuiling. (Hij brult vervaarlijk) De beer is de koning van de natuur!!! (Koot hoort de laatste woorden) Koot Na de leeuw, Jean Serve! Na de leeuw! De leeuw is de koning der dieren. En die is op zijn beurt bang van een witte haan. (Laroche. Pain Blanc. Brunat, Fleur, Caseneuve en nog andere Romanezen komen naderbij Fleur voert een schaap mee. Onder luid gejoel sullen de aanwezigen zich op als voor een loopwedstrijd. Koot organiseert. Hij laat plots het schaap los. Eerst wordt het bekogeld met eieren en sinaasappelen. Daarna achtervolgt de hek meute het paniekerige dier. Brunat kan het schaap vangen en doodt het symbolisch. Hij krijgt de schapekop opgezet) Brunat (als koning van het schaap) Kom allen hierheen, Romanezen die binnen dc wallen leeft! Kom en bekijk het schaap dat wij gevangen en gedood hebben. Gevangen, niet met netten of lansen, maar met onze blote handen. Dat de adel niet langer prat gaat op z’n jachttrofeeën, die ze met behulp van lansen en spiesen buitgemaakt hebben. Wij lakenwevers doen hetzelfde met de blote hand. Door z’n dood heeft het schaap de stad Romans van zijn uitzuigers bevrijd.

LEVE HET KONINKRIJK VAN HET SCHAAP!!!

(Eerbetuigingen aan het adres van de koning van het schaap. Tromgeroffel te allen kante. Nog meer Romanezen dagen op. Nog altijd geen vrouwen) (Vervolgens danst één groep met Zwitserse trommels, belktjes aan de voeten en het blote zwaard in de hand een zwaarddans. Echte kakofonie. Een tweede groep danst, gehuld in lijkwades, met harken, bezems en vlegels)

Pain Blanc (schreeuwend) Binnen drie dagen zal het vlees der christenen tegen zes deniers het pond worden verkocht.

Fleur Verse levers, oren, voorhoofdshuid, testikels en harten van katholieken! Koot Unsre Weiber und Kinder schreien nach Brot Wir wollen sic mit Aristokratenfleisch füttern Hé! Totgeschlagen wer kein Loch im Rock hat (bis) Caseneuve We zullen het vlees eten van de lijken die we moeten begraven! Door doden te eten zullen we weer levenden maken. Laroche De ambachtslieden, de armen, de boeren en de … doden gaan broederlijk verenigd de straat op. Ze eisen dat de rijken het geld van de arme mensen terugbetalen. Ze willen de macht van de notabelen breken.

Pain Blanc We zullen de gevallen tirannen naakt en brullend op het stadsplein aan een staak binden en stukje bij beetje doden, plakjes uit hun lillend vlees snijden en opeten en zo hun levend lichaam verdelen.

(Oorverdovend tromgeroffel; te midden van een hels lawaai trekken ze alten af)

Scène 2

in het huis van de rechter Guérin, meer bepaald in de keuken. Feestdag van de heilige Agatha, vijf februari Vinciane, de vrouw van de rechter, is bezig met het zaaien van basificumzaadjes in bloempotten.

Vinciane (druk in de weer) Twee a drie zaadjes per pot, niet meer…

Philippe (komt gehaast in de keuken) Moeder, moeder…!

(Ze ziet wat Vinciane aan het doen is) Maar moeder toch… De stad borrelt, bruist, kolkt en gist, het volk van Romans danst branies op straat en voert maskerades op. En jij zit hier doodgemoedereerd tussen je bloempotten.

Vinciane (onverstoorbaar) Elk voorjaar opnieuw

zaai ik het basilicum. Zo wil het de natuur. En elk

jaar doe ik dat op het feest van de heilige Agatha.

Zo wil het de traditie, (min of meer zingend)

Op Sint-Agatha zaai het basilicum

zaai het basilicum

De mooie dame doet het groeien

Philippe (zonder veel belangstelling) Waartoe dient

dat kruid?

Vinciane Het fleurt bijna alle gerechten op en het is goed voor de vrouw: het tempert de hartstocht, het legt de zinnelijkheid aan banden, Philippe (met stijgende verontwaardiging) Moeder, hoorde ik je zeggen: ‘Goed voor de vrouw’? Vinciane Ach, zo bedoelde ik het niet, kind. De man is de geest en het verstand. De vrouw het vlees en de zinnelijkheid.

Philippe Moeder, hoe kun je je eigen sexe zo door het slijk halen?

Vinciane Als toegewijde echtgenote en moeder moet ik je zeggen dat deugdzaamheid de vrouw van nature niet gegeven is, wel een groot aantal ondeugden. Praatziek, afgunstig, ijdel, wispelturig, oneerlijk, wellustig. Gemakkelijk toegankelijk voor de verleidingen van de duivel. Philippe (voor zich uit) … Genot…, roes…, het tastbare…

Vinciane Kuisheid, vroomheid en dienstbaarheid! Philippe Moeder, ik ben een ademend wezen van vlees en bloed, met borsten en… en … met lippen, o zovele lippen, die zich openen, sluiten, openen, sluiten, op een ritme zoals bij muziek, of zoals bij bloemen. Lippen die kunnen trillen, maar vooral lippen die willen spreken en gehoord willen worden. (Ze grijpt een bloempot) Daarom! Weg met de kamerplanten! (Ze kwakt de pot tegen de grond) Op het feest van de heilige Agatha moeten de vrouwen bet slavenjuk afwerpen! Weg met alles wat oud en versleten is! Ik wil vechten voor onze zelfstandigheid! (Ze loopt weg; Vinciane volgt haar zuchtend)

Scène 3

Ten huize van rechter Guêrin. Op zaterdag 6 februari 1580. De rechter zit ie lezen. Hij kijkt niet op, wanneer Claude Laroche door z’n vrouw Vinciane binnengelaten wordt Laroche kucht

Guêrin (zonder van z*n boek op te kijken) Meneer Laroche, ik had een hoge dunk van jou. Laroche Het is nooit goed een dunk van iemand te bebben, heer rechter.

Guêrin (het boek terzijde leggend) Laroche, uit goed ingelichte bron heb ik vernomen dat jij een van de belhamels was in die dansende meute die Blasius vierde.

Laroche (beteuterd) Dansende meute,..? Bla… Blasius? Och, dat koelt wel zonder blazen, meneer Guêrin.

Guêrin Geen geintjes, touwslager! Die lijkwades, de stampende herrie van de trommels, de hoorns, de bellen, de zwaarden, de bezems, de harken en die dorsvlegels. Het dansen van de branies. De lakenwevers zijn het doodskleed van onze stad aan het weven.

Laroche Folklore, rechter, dat is alles folklore. Dat

weet u beter dan wie ook.

Guêrin Jullie schreeuwden dat je ons zou doden en

opeten. Ook folklore, neem ik aan?

Laroche Kom nou, meneer Guêrin, gebruik je

gezond verstand. Ouwe neukzakken zoals jullie

zouden langer op het vuur moeten dan stierevlees,

vooraleer er zich één tand aan jullie waagt. Dat

meende natuurlijk niemand, van dat doden en

opeten.

Guêrin Let op je woorden, man! Voor mij is het zonneklaar. Die Paumier en z’n mannen sturen aan op een gewapend conflict met de gevestigde orde. Laroche Je ziet spoken, rechter, Ze willen eenvoudig dat de bezittingen van de volwassenen herverdeeld worden onder de jongeren en die van de rijken onder de armen. Op en top carnavalesk! Guêrin En die dansende beer!? Laroche Traditie! Met z’n dansen wil Paumier de stad van z’n kwalen genzen, Guêrin En dat schaap?

Laroche Een zondebok, heer rechter! Meer niet. De kwade geesten worden uit de stad verjaagd, Guêrin (plots woedend) Je verschoont je spitsbroeders, Laroche! Je tracht me een rad voor de ogen te draaien, (De rechter duwt Laroche plots een papier onder de neus) Meneer Laroche, met dit schrijven deel ik u mee dat u uit de stad Romans verbannen wordt. (Laroche slaat achterover van schrik en schreeuwt het uit)

Laroche (stamelend) Toch niet omwille van Blasius?

Guêrin (donderend) Het rapalje wil zich ook ver-

grijpen aan onze vrouwen en daartoe heb jij, Claude Laroche, vulgaire kutkammer, de eerste stoot gegeven,

Laroche Ik vervul m’n plicht in de echtelijke arena, heer rechter. Ik schiet huismussen, zoals de meeste Romanezen.

Guêrin Laroche, jij bent een aanstootgevende, gewetenloze, zelfzuchtige, aanmatigende, wispelturige, misselijk makende knakker, die Gods gebod met voeten treedt. Jij bent zo geil als een bos uien, voluptueuze venusboef! Mengarde Coste, de dochter van de tweede consul, heeft me onder vier ogen bekend dat jij en niemand anders de vader bent van haar kind.

Laroche Bij m’n zielement, ik ben verloren! Guêrin De smart en de verontwaardiging van Antoine Coste kennen geen grenzen. Eerst wou hij je kop, daarna sprak hij van castratie. Tenslotte heeft hij ingestemd met de door mij bepleite verbanning. Laroche Nog eerder de dood! Wat moet er met m’n vrouw en kinderen gebeuren? Guêrin Neem ze mee!

Laroche Wat met m’n winstgevende touwslagerij? Heer rechter, ik wil alles voor u doen, als u dat proces-verbaal (aarzelt)

Guêrin Laroche, je tracht een magistraat in functie om te kópen.

Laroche (volledig in de war) Nee, heer rechter? Hoe komt u erbij? (wenend) Och, m’n vrouw en m’n arme kinderen,

Guêrin Dat had je eerder moeten weten… (pauze) Ik zie nog één mogelijkheid. Als je ons wilt, Kom vlug met me mee naar het huis van consul Coste. (beiden af)

Scène 4

Op het Jacquemartplein. Maandag acht februari, ‘s voormiddags. Het koninkrijk van de haan vindt plaats. Koot verschijnt het eerst met in z n armen een haan.

Koot (roepend) De haan van Claude Laroche De jonge kip van — bij God — seigneur Coste en de haan goed voor de wedloop cn die ik verkoop voor een prikje — (Claude Laroche en z’n vrouw Guillemette verschijnen; ook Antoine Coste en z’n vrouw Jacotte, Pierre Laigle, Vinciane Guêrin en haar dochter Philippe, de klerk Alexander Jourdain, de officiant René Vincotte en andere rijke burgers en burgeressen van de Jacquemartwijk)

(Koot schreeuwt nu) Laten wc met z’n allen het koninkrijk van de haan vieren. Burgers en burgeressen van Romans, kom en vier de reynage van de haan!!!

(Nog meer mensen komen erbij)

(Koot regelt alles; de vrouwen zullen zich beperken tot

aanmoedigen)

God zegt het ons

alsmede de eerste consul

laten we deze haan doden

zonder daarom vervloekt te wezen!

(Koot geeft weer het startsein voor de wedloop. Er

wordt op de haan gejaagd. Laigle kan het dier grijpen)

Daar ben je goed en wel gevangen

meneer de haan

met je zijden pluimen

door de hand van deze dames

zul je moeten sterven.

Gedaan, meneer de haan

met de kippetjes te bespringen,

gedaan om ‘s morgens vroeg

de rozekleurige dageraad te begroeten

(De dames doden de haan symbolischt. Laigle krijgt

de hanekop opgezet)

Laigle Ik ben het die de haan moet wezen

opdat het spreekwoord waar zegge

dat iedere haan, als enig dier

dat niet triest is na de paring,

op z’n mesthoop kraait —

(Alle aanwezigen dansen in triomf om ‘m heen)

De koning van de haan nodigt iedereen uit op het

gargantueske souper!

(Hij slaat driemaal met zyn vleugels en kraait triomfantelijk)

Koot De haan die zo vals kraait zit met keelpijn Hij heeft andermans tarwe en meel gepikt.

Laroche Wie wordt de eregast op het souper van de haan?

Laigle De beer werd uitgenodigd, Jean Serve Paumier in hoogsteigen persoon. (Paumier verschijnt ten tonele, gehuld in z’n berehuid. Vliegensvlug gaat hij op Philippe Guêrin af en kust haar vlug. Vinciane schrikt zichtbaar. Daarna gaat Paumier op Laigle af)

(Laigle geeft Paumier de hand) Ik ben der minnaars koning zonder een greintje spek, Paumier Een goeie haan is niet vet. Laigle (opgewonden) Bewonder m’n erectiele kam! Paumier Pas op, kleine kankerachtige bloeddoorlopen haan, jij wandelende fallus, de haan is de enige vogel ter wereld die z’n kloten kwijtspeelt om kapoen te worden. Een gezond en lekker brokje in de zomer.

Laigle (niet uit het lood geslagen) Mijn haan kraait altijd koning!

Paumier (plots uitbundig) Laten we dan allen de haan uithangen! (Hij neemt plaats naast Laigle en bemerkt plots Laroche) Hé, Claudy, bij de moer van de duivel, wat zit jij hier te kanen en te pijpen bij de vetten?

Laroche Jean Serve, ik woon in de Jacquemart en ik feest er,

Paumier Je verloochent toch onze idealen niet?! Laroche Als de oproerkraaiers, de boeren, doorgaan met moorden en branden op het platteland, zullen er zoveel gehangenen zijn, dat de straten ervan zullen stinken.

Paumier Spreek niet over de galg, touwslager! Dit is een feestmaal, geen galgemaal! Laroche Geloof me voor één keer, Jean Serve! Dat geweld kan niets goeds voortbrengen. De adel heeft gelijk als ze de boeren bandieten noemen. Ik geloof dat we meer naar de goede mensen van Romans moeten luisteren,

Paumier Vuige kazakkeerder!!! O, Laroche, hoe kun je onze beweging zo de rug toekeren!? Laroche Van jou wil ik dat niet horen zeggen, Paumier!

(Laroche vliegt Paumier in het haar; ze vechten; de anderen komen tussenbeide; scheldend worden de twee mannen weggeleid; allen af)

Scène 5

Ten huize van rechter Guêrin. Maandag acht februari ‘s namiddags. De rechter zit na te denken? Vinciane spint. Hun dochter Philippe betreedt de huiskamer. Het is duidelijk dat ze op het matje geroepen wordt

Guêrin (streng) Jonge dame, je schijnt te vergeten wiens dochter je bent. (Philippe wil antwoorden maar met een gebaar legt hij haar het zwijgen op) De plaats van de dochter van een rechter is niet op straat, tussen het gespuis en het uitvaagsel van de stad..,

Philippe Ach, vader, ik..,

Guêrin (valt haar in de rede) Wordt het niet eens tijd dat je aan huwelijk en gezin gaat denken. Je weet reeds lang wie ik voor jou gekozen heb. Een edelman van een aloud geslacht, zeer welgesteld. Jeugdig, goed opgevoed, en gestoffeerd zoals dat heet, met ridderlijke gaven. En knapper dan een vrouw er een kan dromen. Philippe (neutraal) Jong getrouwd, vader, is dikwijls vroeg berouwd!

Guêrin (alsof hij niets gehoord heeft) Ik stel voor dat we je verloving met Ferdinand de Manissieu op het bal van vette maandag bekend maken. Dan kunnen jullie na de vasten trouwen. Philippe Vader, ik hou niet van die aristocratische windbuil Met hem zal ik nooit het bed delen, (Ze gaat op haar vader af en wil m aanraken) Guêrin Raak me niet aan! ik laat me door jou niet vertederen. Bij dag en nacht en vroeg en laat en thuis en overal was het m’n eeuwige zorg, een echtgenoot te vinden; en nu ik voor jou een edelman gekozen heb, gedraag je je als een jenggelend nest, ‘n preutse nuf, NU je het geluk voor ‘t grijpen hebt.. ‘Ik wil niet trouwen, kan niet van ‘m houden! Ben nog te jong, vergeeft me alsjeblieft!’ Philippe Vader, ik wil mezelf laten kiezen door een man. Ik heb…

Guêrin Zwijg, hou je mond! Ik wil geen woord meer horen. Myn vingers jeuken…

Vinciane Manlief, wind je toch niet op! Denk aan je gal!

Guérin Vrouw, we dachten dat de hemel ons niet mild gezegend had, omdat hij ons maar één kind geschonken had, en kijk, dat éne blijkt nog één te veel. Dat kind is ons geen 2egen, maar een vloek. Jij nest!

Vinciane Philippe, luister toch naar je vader. Mij

heeft het beste met je voor.

Philippe Moeder, voor vader is er geen plaats meer

in de ruimte van m’n verlangen.

Guérin Jouw verlangen is een dwaling. Niet jouw

begeerte, maar mijn wil telt. Mijn wil is wet in dit

huis en in … (Hij houdt zich nog in)

Philippe Jouw wet, vader, ziet mij niet als vrouw.

Jouw wet wil mijn ongeluk en waarschijnlijk ook het

ongeluk van onze … stad,

Guérin (brullend) Hou op, ondankbare! Dat wil ik niet horen!

Vinciane (geschokt) Kind, de rechter heeft altijd het beste voorgehad met onze stad. Met het grootste gevoel voor rechtvaardigheid was hij verantwoordelijk voor velen,

Philippe Ik heb ‘n andere klok horen luiden. Over de bloedige Bartholomeusnacht hier in Romans. En over de rol die vader daarin gespeeld heeft. (Guérin schudt krampachtig het hoofd) Vinciane (snel maar kalm) Iedereen in de stad weet dat het loze verdachtmakingen van de hervormden zijn, die de val van de rechter willen. Philippe Zweer je, moeder, dat er geen bloed aan vaders handen kleeft?

Vinciane Dat zweer ik, bij alles wat me heilig is. Nee, Philippe, z’n rechtschapenheid en onpartijdigheid verheffen hem boven alle twijfel. Onbevooroordeeld waakt hij over het welzijn van onze stad. Z’n neutraliteit is spreekwoordelijk. Geloof me, Philippe, je vader is de wijze rechter van Romans. Philippe (bitter) Ja, en voor de Romanezen ben jij de vrouw van de wijze rechter geworden, Rn voor hem daar en je willens nillens een moeder geworden. Niet langer een geliefd lichaam! Je hebt van ‘m je kind moeten maken. Een volwassen kind! Zeg mij, moeder, wat heb jij aan je gehuwd leven met ‘m gehad?

Vinciane Kind toch, wat je mij durft vragen?! De mens is goedkoop en zijn memorie is een grote gaatjeskaas. Hoeveel moet men niet vergeten, om het weinige te kunnen dragen, dat men voor altijd behoudt. Iedereen vergeet z’n dagelijks leven. Bij mij zijn het de vele keren dat ik naar de markt ging, de zorgen die ik aan jou besteedde, de ontelbare maaltijden die ik klaarmaakte… Ik weet dat alleen nog, echt herinneren doe ik het me niet meer. Alhoewel de dankbaarheid voor het levendige me bijgebleven is, toch beginnen geleidelijk de namen en de gelaatstekken van degenen te vervagen die ooit lust, ja zelfs liefde voor mij betekenden. Ze verdwijnen in een glazen dankbaarheid die geen inhoud meer heeft. Lege glazen, kind, lege glazen! En toch… en toch… Ware het niet van die leegte, dan had het onvergetelijke niet kunnen groeien. Het vergeten draagt met lege handen het onvergetelijke, en het onvergetelijke draagt ons. Het is een geschenk van de dood aan ons. Het onvergetelijke, kind, is het ons vooraf geschonken stuk tijdeloos-heid, die ons draagt en onze val in de eeuwigheid zacht maakt, zodat het als een zweven wordt. Zo een donkerzacht tijdeloos doodsgeschenk is wat er tussen mij en je vader voorgevallen is. Philippe Is dat liefde?

Vinciane Nee, Philippe! Nee! Met liefde heeft het niets de maken. Het onvergetelijke is … is … een moment van rijpheid, geboren uit vele momenten die eraan voorafgaan… Het is het ogenblik waarop je ondervindt dat je al vormend gevormd wordt, gevormd bent. Het is gevaarlijk dat met liefde te verwarren,

Philippe Jullie hebben de liefde, de artistieke arbiter van al onze levens, aan banden gelegd. Jullie lichamen zijn geketend. Geketend! Guérin Zwijg, of ik sluit je op! Philippe U bent een man van ketens, vader! Vinciane Ketens als het geluid van kattevoeten. Philippe Je houdt van ketens! Vinciane Gemaakt van de baard van een vrouw. Philippe Je ademt ketens! Vinciane Zoals de wortels vande berg. Philippe Je praat, eet, droomt, en denkt ketens!

Vinciane De pezen van de beer.

Philippe En al die ketens, vader, worden gesmeed

in de smisse van je zogezegde koninklijke wil.

Vinciane Het speeksel van de vogel.

Guérin Vrouw, onze dochter maalt. Ze is behekst.

Vinciane Philippe, als moeder en dochter hebben

we mekaar bijna altijd begrepen. Denk je niet dat jij

op jouw beurt vrouw en moeder kunt worden? Dat

je het echte leven kunt beginnen in deze stad van je

voorouders?! Dat de tijd voor jou werkelijk kan

beginnen?!

Philippe Ik wil nog geen moeder worden, moeder!

(pauze) Ik had zo graag gewild dat we er alle twee konden zijn. Dat de een niet in de ander verdween en de ander niet in de een. Dat we van elkaar konden genieten, elkaar konden aanraken, ruiken, naar elkaar konden luisteren, elkaar samen konden zien.

Guérin Ziekelijk! Walgelijk! Philippe Maar altijd, moeder, ben jij in mijn mond gekropen. En … ik stik!!! Hou je buiten mij!!! Jij bent een ander. Ik heb je raad niet meer nodig. Vinciane Kan ik je dan niet meer helpen, kind? Philippe Je verlamt me!!! Al die tijd, vrouw, ben ik voor jou geweest, wat jij voor die man bent… Een verlengstuk!!! Ik verkies m’n vriendin Mengarde Coste boven jou. Voor haar voel ik liefde. Vinciane Mengarde is ook moeder. Philippe (duidelijk erg verrast) Wat?! Hoe weten…? Akkoord, Mengarde is moeder geworden, maar zonder man! Wat zij gebaard heeft, is de vrucht van haar schoot.

Guérin (ongemeen heftig) Naïeve gans!! De heilige Jozef is gepromoveerd van een oude sukkel tot niemand anders dan Claude Laroche, de touwslager. (Philippe schrikt) Hij, en niemand anders, is de vader van het kind dat Mengarde Coste ter wereld heeft gebracht,

Philippe Nee, nee! Dat lieg je, Guérin Van haar vader vernam ik dat ze verdwenen was. Het was een koud kunstje om haar door gerechtsdienaren te laten opsporen. Eén kleine dreiging dat ik haar kind zou laten afnemen, volstond: ze bekende dat Laroche het kind verwekt heeft. (Philippe barst in snikken uit) Mengarde zal voor haar medeburgers in de huik als zondares te kijk worden gezet. Laroche zal op een andere manier boeten voor zijn buitenbeentje. Philippe Onmens! Heb je dan werkelijk geen hart?! (weglopend) Ik blijf geen seconde langer in dit huis! (af)

Vinciane (zacht) Bernard, je hebt haar te hard aangepakt Je hadt ook beter over die verloving en zo gezwegen… Guérin Waarom toch? Vinciane Je moet weten… Guérin Zeg op, vrouw!

Vinciane Man, ik had het je beter gezegd, maar ik durfde niet. Ik heb gezien hoe Philippe zich op het koninkrijk van de haan liet kussen door een … man. Guérin (ijskoud) Wie was die man? Vinciane …

Guérin Vinciane, bij de wet, zeg me wie die man was! Ik wil het. Vinciane Enelakenwever! Guérin Nee!

Vinciane Een weduwnaar! Guérin Nee!

Vinciane Als beer verkleed.

Guérin Nee! Dat kan niet. Het is…

Vinciane Jean Serve Paumier!

(Guérin krijgt een rolberoerte van woede; na verloop

van tijd bekomt hij)

Guérin Vrouw, je hebt een zware fout gemaakt. Je had me dat vanmiddag onmiddellijk moeten zeggen, (Guérin denkt ‘n ogenblik na) Paumier drijft de dingen op de spits. Het komt erop aan het eerst te handelen, (tegen Vinciane) Kom mee! (beiden af)

Scène 6

Buiten de muren van de stad Romans. Maandag acht februari ‘s avonds. Perchta, de oude vrouw, en Mengarde Coste zitten samen bij een laaiend vuur. Het kind ligt te slapen in een mand. Philippe Guérin komt eraan.

Philippe (hijgend en zuchtend) Eerst door het laagland…, dan de heuvels in… Ik ben bekaf!

(tegen de twee vrouwen) Jullie legeren hier aan het einde van de wereld.

Perchta Nee, nee, gewoon in de uitlopers van het geberge. (pauze) Wees welkom! Philippe Ik heb gebroken met de oude wereld. Met m’n huis, m’n ouders, de stad, de wet en de orde. Perchta Ook met Jean Serve Paumier? Philippe (aarzelt) Dat weet ik niet. Hij doet zo ongewoon in die berehuid. Toch blijf ik naar ‘m verlangen.

Mengarde (met de stem van een waanzinnige; op zichzelf betrokken) Het verlangen i$ als een bootje dat op de eindeloze zee van begeerten dobbert. Een bootje dat ten prooi is aan de grote waanzin van het water, van dc zee. Elke vaste verbinding verloren. Elke vaste verbinding met de aarde verloren, Philippe (tegen Mengarde) Mengarde, jij die noch mijn moeder, noch mijn zuster bent, en alhoewel ik de wartaal die je uitkraamt, niet begrijp, ik hou van je…

(Mengarde Coste reageert niet) Perchta Wat je zegt, dringt niet tot haar door. Ze is maanziek. Haar geest is in duisternis verzonken, Philippe Maar in die schaduwen van ongerijmdheid moet er toch een zon van helder denken bestaan, (pauze) Toen ik haar uit het huis van haar ouders bij jou bracht, was ze zo redelijk en zelfverzekerd.

Perchta Het was het kind onder haar hart dat haar

dat gevoel van meerwaarde gaf. Sinds de bevalling,

sinds de bekentenis aan je vader, voelt ze zich

leeggelopen, machteloos, waardeloos. Met dan

plots een vlaag van dolle uitgelatenheid,

(Philippe gaat nu naar het kind kijken)

Philippe Hoe is het met het kind? Is het beter na de

moeilijke geboorte?

Perchta Ja. het slaapt als een roos,

Philippe (zich over het kindje buigend) Hoe heet

het?

Perchta Dionyse! (Het kind wordt wakker en begint onmiddellijk te huilen)

Philippe Jullie hadden het beter Grote keel genoemd.

Mengarde Dionyse huilde reeds in mijn schoot. Ik dacht dat hij een buikspreker zou worden. (Het kind begint nu pas werkelijk te huilen) Philippe Mengarde, geef Grote keel, euh, euh, … Dionyse de borst, dat-ie zwijgt. Mengarde Nee, nee, moedermelk kan ‘m niet kalmeren.

(Philippe kijkt niet begrijpend naar Perchta) Perchta Zolang de maan haar hoorntjes heeft, is ze normaal. Bekommert ze zich om Dionyse. Maar wanneer de maan vol en rond wordt, zoals vanavond, gedraagt ze zich als een bezetene, Philippe (streng) Mengarde, kom tot jezelf! Geef Dionyse te eten! (Mengarde staat hoofdschuddend op en begint haar haren los te maken. Perchta begint fluit te spelen)

Mengarde Mijn dans zal ‘m kalmeren. (Mengarde danst een ekstatische dans, als een menade)

Met mijn beweging beweegt de hele wereld mee. Ga niet naar de stad Romans Maskers en cavalcades Een zee van bloed!

(Ze danst verder. Dionyse bedaart; Perchta houdt op met spelen)

Perchta Wanneer ze danst, wordt het verleden weer levend, en toont de toekomst zich aan haar, (Er weerklinken nu vreemde, spookachtige geluiden. Alsof iemand zijn aanwezigheid kenbaar wil maken, met het bromhout) Philippe Is daar iemand?

(Vreemde gerucht wordt sterker; Mengarde houdt op met dansen)

Wie ben jij, die ik niet zie?

Stem Wie ben jij, die ik zie?

Philippe Ik ben Philippe Guérin.

Stem Ik heet Bibi… Maar in het rijk der schimmen

hebben namen geen belang meer.

Philippe Ben je…? Ben je werkelijk…?

Bibi Ja, ik ben een dolende ziel.

Philippe Laat je dan zien!

Bibi Nee, ik wil niet.

Philippe Waarom niet?

Bibi Voor de smaak der mensen ben ik afstotend. Philippe Maar ik wil je zien.

Bibi Goed! Voor één keer. Omdat je de dochter van de rechter bent. Wacht! (Na een tijdje verschijnt de schim, een jong meisje, zwart en rood)

Philippe O, wat een penetrante geur!

Bibi Salpeter, meisje! Salpeter van de doden!

Philippe Hoe kom je hier?

Bibi Elke nacht ben Ík Ín beweging.

Philippe Rust je dan niet, \ nachts?

Bibi Nergens vind tk rust; als onschuldig meisje ben

ik een gewelddadige dood gestorven.

Philippe Vertel het me! Misschien vind je zo wel

rust.

Bibi Zo’n achttal jaren geleden werden m’n familie en ik door rechter Guérin veroordeeld en opgesloten in de gevangenis van Romans, omdat we niet langer katholiek wilden zijn, en daar openlijk voor uitkwamen.

Philippe Jullie werden hervormden?!

Bibi Ja, maar dat doet er niet toe. Onderbreek me

niet meer!

In wat men later de Bartholomeusnacht zou noemen brak er plots brand uit in de bajes. Gebruik makend van de rook en de verwarring drongen gemaskerde mannen onze cellen binnen en doodden ons allen met hun zwaarden… Philippe (ademloos) En dan…? Bibi Om me goed te kunnen begrijpen moet je eerst dit weten; ook in het vreugdeloze land van de doden is er een generatieconflict gaande. Oude doden willen wel eens vlug in de verdrukking geraken. Jonge doden hebben veel meer rechten, mogen wel eens de beest uithangen. Zo wou het geval dat ik als jonge dode kon blijven zien wat er op de wereld gebeurde. Philippe En…?

Bibi Ik zag onze gemaskerde moordenaars weer… Zonder maskers! Het waren ,.. gewone gerechtsdienaren, die vlug tot raadslieden gepromoveerd werden. Ze werden betaald door niemand anders dan Bernard Guérin, de rechter van de stad. Philippe (schreeuwend) Mijn vader!!! De wijze rechter van Romans… Steunpilaar van de stad! Een vuige sluipmoordenaar!!! Bibi (lakoniek) Zo is het gebeurd. Zo violent. Philippe (stil) Betekent dat… betekent dat, dat je pas rust moet vinden,wanneer je gewroken bent? Bibi O, nee! het gaat niet om wraak. Geen wraak, Philippe Guérin) Alleen de schimmen van diegenen die slecht geleefd hebben, zijn op wraak uit. Philippe Ik wil iets voor je doen. Bibi Help de gerechtigheid zegevieren! De stad Romans wil niet langer overheerst worden door een sluipmoordenaar en z’n trawanten. Pas wanneer rechter Guérin z’n macht kwijt zal zijn, zal ik rust vinden.

Philippe Ik moet terug naar de stad. Morgen reeds. Ik ken de man die de rechter ten val kan brengen. Bibi Sta’m dan bij met woord en daad. Ik zal je helpen in alles wat je onderneemt, (pauze) Nu moet ik verder. Anders bereik Ik voor de morgenstond m’n dagverblijf niet. (ze verdwijnt geleidelijk)

Philippe (in ‘n plotse opwelling van nieuwsgierigheid) Waar verblijven jullie ijle gestalten overdag? Stem (van de verdwenen Bibi) Op de maan, Philippe! Op de maan! Waar elders?! (Ook Philippe legt zich neer om te slapen; het vuur dooft)

DERDE BEDRIJF

Scène 1

Op de grote markt van Romans en op de brug Donderdag lï februari. Het koninkrijk van de patrijs. De notabelen komen op met hun vrouwen. Guérin met Vinciane, de Manissieu met Brune, Antoine Coste en Jacotte, Laroche en Guillemette en nog vele andere voorname ingezetenen van de stad. Het valt op dat alle aanwezige mannen een genummerd kaartje op hun hoed dragen.

Guérin Burgers en burgeressen van Romans, laten we vandaag in vriendschappelijk spel wedijveren met onze buren van de haan. Laten we daarom op de patrijs jagen! Wie wil deelnemen kan hier een kaartje bekomen.

(Jourdain, Vincotte en nog andere burgers dagen op;

ze melden zich, krijgen een kaartje en bevestigen dat op hun hoed)

Kont (komt spiedend op) Bourgeois notabelen van Romans, allen met een klein papiertje op hun hoofddeksel ten teken van onderscheid met de ongeletterde boeren. Is dit een spel of is het een… samenzwering? (pauze) Hier moet handelend opgetreden worden.

(Koot verdwijnt spoorslags. De gekortwiekte patrijs wordt voorgeleid Ze wordt losgelaten en gaat aan de haal Ze wordt bekogeld met eieren en sinaasappelen en Laroche kan de vogel het eerst vatten, maar het is zonneklaar dat de andere deelnemers aan de wedloop ‘m laten winnen. Hij wordt tot koning van de patrijs gekroond en uitbundig toegejuicht Laroche staat op het punt iets te zeggen, wanneer Paumier en Caseneuve ten tonele verschijnen, gevolgd door Koot Caseneuve ontsteekt in grote woede en trekt z’n degen half uit de schede)

Caseneuve Bij gorts gebeente, ik mag de lepra krijgen, als dit geen samenzwering is. Bij de kracht van geen klein klootje, Jean Serve, laten we onmiddellijk met hen op de degen gaan. (Paumier maakt een verzoenend gebaar en duwt de degen weer in de schede)

Bij gods moer, waar wachten we op?! Als zij het over een aanval eens worden, zijn wij de pineut. Wil je dan niet dat ik erop lostimmer?! Paumier Hou je spieren in toom, Raymond! (stiller) We zijn dik in de minderheid. Onze tijd komt wel…

Koot (plots roepend) Laroche, koning van de patrijs, de grootste tegenspeler van de beer!!! Dat ruikt naar verraad!

Paumier (ferm) Luister, rechter Guérin, notabelen van Romans! Ik heb het goed met jullie voor. Maar toch waarschuw ik jullie: zeg het feest van de patrijs af!

Guérin De patrijs is reeds gekroond. Geen sprake van dat die kroon valt.

Paumier Als jullie niet naar mij willen luisteren, zouden de boeren, m’n vrienden en volgelingen, wel eens uit de dorpen naar Romans kunnen komen afzakken.

Laroche Hou je bek, Paumier! Wij laten ons niet langer door je afdreigen. Op vette maandag gaat het grote bal van de patrijs door in de raadszaal van het stadhuis van Romans, zo verordonneer ik, laroche Claude, koning van de patrijs. Paumier Bek in je pluimen, perfide patrijs! Jij die kuikens samenbrengt die je zelf niet voortgebracht hebt, eenzaam en steriel zul je blijven, (pauze) In deze stad lopen de koningen elkaar builen. Het schaap, de haan, de adelaar, de patrijs… Als koninklijke beer zeg ik je, Laroche, zo vele koningen voor een stad van 6000 inwoners, dat is buiten verhouding… Dat wordt hommeles! Laroche Ha, ha, een koninklijke beer met een zwakke kop!

(Paumier en Caseneuve verdwijnen) Ik, koning van de patrijs, roep mezelf uit tot heerser van Romans, Onze stad, burgers en burgeressen, zal het land van Cocagne binnengaan. De fonteinen zullen wijn spuiten. Aardbeien met suiker te geef! Grachten gevuld met malvezij! Muren van taarten en amandelgebak! Kalfspasteien, worsten en koteletten! Leve het land van Cocagne! Koot (gaat op z’n hoofd staan en bootst m na) Iedereen heeft alles wat z’n hart begeert, en wie het woord werken in z’n mond neemt, wordt gehangen, als de hemel ‘m niet redt… Boeren en horigen zijn er niet, iedereen is rijk, ieder heeft wat z’n hart begeert, want de tafels staan boordevol spijzen. (Koot valt omver; totaal andere toon)

Wie daarheen wil, zal ik de weg wijzen. Ga scheep in de haven van Sukkeldam en vaar over de zee der leugens, en wie dan aankomt, is de koning der uilskuikens,

Laroche Zoetelaars, kroegbazen, hoteliers en marketentsters!

Dit zijn de vastgestelde prijzen van de levensmiddelen, met de verplichting jullie eraan te houden. Hooi, stro en haver, beestevoer,. droesemwijn, bedorven wijn* zure wijn en bedorven haring, vet en mager spek, andouille, boudin! De prijs van al deze zaken komt op het bedrag van één Tournooise pond, of iets eronder of erboven! Koot (gaat weer op z’n kop staan) De muizen

peuzelen de kat op. De wolf hoedt de schapen die ‘rn verscheuren. De zoon geeft de vader een pak slaag. De vader veegt de baby de billen af. De reizigers trekken de diligence voort. De kip bespringt de hanen. De koning gaat te voet. De zieke verzorgt de dokter. De cliënt adviseert de advocaat De generaal doet corvee. De visser wordt gevist. De gans doet de kokkin in de pan. De smid smeedt het ijzer koud. De boer spant de kar voor de ossen. De priester zingt het magnificat onder de metten. De lekkerbek eet kool en poept spinazie. De koopman kijkt het gegeven paard in de bek! (Hij valt omveren rolt over de grond)

Laroche (lachend) Kaneel en kruidnagel, gekrulde kalkoen, fazant of hazelhoen, patrijs, kip, haas, snip op toast, karper, snoek, wijn uit Chinon of Chateau-neuf, kruidenwijn ,een kwintaal aardbeien met rozenwater en suiker! De prijs voor al deze zaken komt op een bedrag van vier sous. Men zegge het voort…

(Algemene hilariteit. Er wordt afscheid genomen) Diverse stemmen Rendez-vous op het bal van de lundi-gras!

Tot ziens op het bal van vette maandag!

Tot op de optocht van de patrijs!

(Allen af; Guérin in druk gesprek gewikkeld met

Laroche)

Scène 2

Toegang tot de grote markt van Romans. Zondagmorgen vroeg, 14 februari. Feestelijk gebeier van de klokken van de kerken. Koot komt op, snuffelende

Koot De stad ruikt naar ontbinding… Hij stinkt

naar wapens… Naar moordtuig! (schrikreactie) Ha,

de dood snuffelt aan m’n broek.

(Plots blijft Koot gealarmeerd staan, getroffen door

een schouwpel, dat hij als aan de grond genageld

gedeslaat)

Ik mag me purgeren met nieskruid, als dat de

koning van de patrijs niet is. Hij doet, naar aloud

gebruik, z’n intrede in de goede stad van Romans,

Ha, ha, ha, de veldvogel triomfeert…

maar… wat… wat betekent dat?!

Boogschutters, kurassiers, gehelmde haakbusschutters.

Echte soldaten… Voorwaar, ik zou hen een stuk van hun staart snijden.

En nu…, nog anderen… Godsacrament, de grote raad van de koning…, presidenten, raadsheren, procureurs, griffiers, deurwaarders en dagvaarders…

(enigszins meegesleurd) In vol ornaat! Wat een pracht en praal! Ordetekens, mutsen, gevoerde pelzen, pluimen en vederbossen!! (plots, heftig schrikkend) Eén, twee, drie, vier, vijf…., twintig Zwitsers, fraai gekleed. Ai, ai, de geduchte Zwitserse infanterie, bondgenoot van de Franse koning.

Eén, twee, drie, vier Turkse gezanten, met tulband en kromzwaard! (gerustgesteld) Een carnavalshofhouding, en… (in grote paniek) een klein leger met echte wapens! (opgewonden nu) Oddenommele, nu nog een stoet van burgers ook! Maar, maar, wat ziet m’n lodderig oog?! Lopen daar nu ook niet Brunat en Fleur te kwispelstaarten als schoothondjes! Ach ja, die goeie, ouwe Brunat is de kanselier van de patrijs en Fleur is zijn president. God betert het! Wie nog al meer?!

Aalmoezeniers, bisschoppen, aartsbisschoppen, advocaten, juristen en kooplieden!!! Wat een militaire parade! Als dat geen aanloop is tot de strijd, begrijp ik er niets meer van, (met de ogen volgend) De hele mikmak begeeft zich naar de Notre-Dame-sur-le-pont, Slijpen ze nu de messen of gaan ze gewoon naar de mis?

Kom, Kootje, dat mogen we niet missen, (geheimzinnig)

Maar eerst ga ik ook m’n eigen bijdrage tot de mis

halen.

(vlug af)

Scène 3

In de Notre-Dame-sur-le-pont. Enkele ogenblikken later. Alle notabelen, met hun vrouwen (die dus niet in de optocht gingen), zijn aanwezig of komen binnen.

binnen. Ze dragen allen brillen waarvan de glazen vervangen zijn door sinaasappelschillen. Ze lezen in bijbels die ze averechts honden. Van de volksen zijn alleen Fleur en Brunat aanwezig. Officiant in de kerk is René Vincotte. Koot trekt een ezel bij z’n staart de kerk binnen.

Allen (zingend)

Uit het morgenland

Kwam een ezel

Mooi en sterk

Geen last was ‘m te zwaar

Hé, heer ezel. hé!

Op de heuvel van Sichem Droeg hij Reuben Over de Jordaan Liep hij naar Betlehem Hé, heer ezel, hé!

Hert noch geit Dansen zo sierlijk Geen kameel uit Jordanië Draaft zo snel Hé, heer ezel, hé!

Terwijl hij een kar trekt Zwaar geladen Maalt z’n sterke kaakbeen Het harde graan tot meel Hé, heer ezel, hé!

Baardige gerstaren

En distels eet hij

Kaf scheidt hij van het koren

Op de dorsvloer

Hé, heer ezel, hé!

Amen, mag je wel zeggen, ezel Je maag is volgestouwd met voer Amen, en nog eens, amen Verachtend wat oud is Heda, heda, hé! Mooie heer ezel, ga Mooiemond, zing wat, vooruit! (Koot leidt de ezel naar het altaar. Daar neemt hij het missaal van de officiant weg en verbergt het vliegensvlug onder de rokken van een van de aanwezige vrouwen)

Vincotte Deze dag is een dag van vreugde. Geloof me: dat men iedereen die triestig is van deze plechtigheid verjage.

Dat men alle mensen die haatdragend of melancholisch zijn, verwijdere.

Zij die het feest van de ezel vieren, willen alleen maar vrolijkheid,

(Vincotte wil uit het missaal voorlezen, maar hij zoekt het tevergeefts)

Waar is het missaal? Zonder missaal ben ik machteloos.

(Koot gaat het zoeken; hij licht de rokken van alle aanwezige dames op)

Koot (de rokken oplichtend) Femme folie à la

messe… femme molle à la fesse!

(Hij vindt tenslotte het boek en overhandigt het aan

Vincotte)

Vincotte (zingend met het boek vóór *m) Ik treed

voor het altaar van de wijngod.

Allen Tot hem die het hart van de mensen verblijdt.

Vincotte Laten we drinken! Ontneem ons, Bacchus

al onze kleren, opdat wc waardig mogen zijn,

met naakte lichamen de kroeg te betreden

Per omnia pocula poculorum. Stramen!

(Koot reikt Vincotte nu een nachtspiegel aan, gevuld

met met)

Op de knieën voor de heilige pot! Op de knieën voor de heilige pot! (Alten knielen. Vincotte besprenkelt hen overvloedig met roet. Sommigen maakt hij het gezicht zwart. Vervolgens staan ze op en beginnen door de kerk te lopen, terwijl ze de dierlijkste geluiden uitstoten) Koot Femme folie à la messe, femme molle à la fesse!

Vincoite Ite missa est! Allen Deo Gratias! (Allen gaan weg)

Scène 4

In de smalle, bochtige hoofdstraat van Romans.

Zondagnamiddag 14 februari om 14 uur.

Te midden van een hels kabaal stoten twee stoeten op

elkaar. De eerste stoet is die van de patrijs; aan de kop Laroche, de Manissieu en Coste. Laigle en Jourdain en nog andere burgers. De tweede stoet is een begrafenisstoet (overwegend rode en blauwe kleuren) Paumier, nog altijd verkleed als beer, Philippe Guérin en Mengarde Coste met haar kind, Brunat, koning van het schaap, Koot, Pain Blanc, Caseneuve, Fleur en nog andere volksen.

De deelnemers aan de begrafenisstoet dollen met een ledepop, die geleidelijk uit mekaar valt. Ze verscheuren de brokstukken met hun tanden. Ook voeren ze een ezel mee, waarop iemand achterste voren zit.

Koot Overeind, lieve harlekijn je moeder mag je wel en je liefje ook hopla, lieve harlekijn!

(Wanneer Paumier de andere stoet ziet laat hij een

vervaarlijk gebrul horen)

Laigle Moeder, moeder, de beer is los,

Hoor dat dier eens brullen;

Snij ‘m neus en oren af

Dan hebben we wat te smullen

(in de begrafenisstoet dolt men verder met de pop)

Koot Lieve harlekijn

Je vader mag je wel

wij houden ook van je

hopla, lieve harlekijn!

Laroche Halt, lijkdragers en boemannen! Jean Serve Paumier, ik, Claude Laroche, koning van Romans, nodig u uit op het feestmaal van de patrijs en op het bal dat morgen, op vette maandag, in de raadszaal van het stadhuis doorgaat. Paumier (vastberaden) Bedankt, Laroche, voor de uitnodiging! Ik zal nooit op een plaats zijn waar jij zegeviert, als ík dat kan vermijden. Als ik op een plek ben, waar jij komt, zal ik niet voor je weggaan. Maar ik zal nooit naar een plaats gaan, waarvan ik weet dat jij er bent,

(Treurmuziek. De resten van de pop worden berecht en dan wordt er aanstalten gemaakt om ze te begraven)

Laroche (smalend) Wie begraven jullie? Paumier Het oude, het ondeugdelijke, het verdorvene, de rijken, de macht en de orde, koning Laroche! Of moet ik je verrader, stroman van Guérin noemen?

Laroche Paumier, ik waarschuw je voor de laatste keer. De leden van m’n raad zullen recht doen opdat m’n volk geen reden tot klagen heeft. Zij zullen het volk rijk maken. Wie niet z’n plicht doet, wordt gehangen!

Pain Blanc Het volk wíl niet rijk worden op jullie manier! Als aasgieren! Wij pletten de rijken tot pulp! Zelfs in hun eigen huis zijn ze de baas niet. Hun vrouwen slaan hen en maken hoorndragers van hen. Ha, ha, ha!!! Kom, mannen, laten we hen kisten en ter aarde bestellen. (Te midden van hetzelfde helse lawaai zetten beide stoeten hun weg verder)

Scène 5

Op een plein van de stad Romans. Zondagnamiddag 14 februari om 16 uur. Met veel muziek maken de speellieden hun opwachting. Ze willen straattoneel brengen. Hei volk van Romans, waaronder alle bekenden, dus ook Paumier en Philippe, loopt te hoop. Er komen geen burgers kijken.

Leider van de speeliieden Romanezen, wij spelen voor jullie de wreedheid en niets anders dan de wreedheid. Met ons spel willen we jullie alle conflicten die in jullie slapen, met hun krachten teruggeven. Net als de pest zijn we een reusachtige oproeping van krachten die jullie geest door het voorbeeld terugvoeren tot de oorsprong van zijn conflicten. Wij richten ons in de eerste plaats op de zintuigen en niet tot het verstand. Romanezen, wij spelen voor jullie het spel van Rosetta en de beer. (De muzikanten die deel uitmaken van de groep stellen Rosetta aan de kijkers voor; een weelderig erotisch meisje met exotisch haar. Er is ook ‘n groepje jagers met grote rode neuzen en oude geweren. Met z’n allen gaan ze zogezegd op weg. Plots daagt de heer op. Hij stort zich op Rosetta. Er onstaat een geweldig geharrewar. Schoten weerklinken. De beer wordt gevangen. Triomfantelijk brengen de jagers hem naar het centrum. De leider van de jagers spoort er iedereen

toe aan het carnaval te vieren. De beer kan zich echter van z*n boeien bevrijden. Hij overweldigt Rosetta, sleurt haar mee en verstopt zich met het meisje in een primitieve hut, waarvan de deur dichtgaat. Een tijdje later komen de twee naar buiten. De beer neemt hals over kop de vlucht. Een schot weerklinkt. Jagers samen roepend) STERF EN WORD!!! STERF EN WORD!!!

Het dier zakt in mekaar. Vier mannen nemen het op, dragen het mar het centrum terug en zetten het op een stoelt waar het weer tot leven komt. De kop van de beer wordt afgenomen, de voorschoot van Rosetta wordt ‘m voorgebonden en hij krijgt een waterbekken op de knieën gezet, waarin de leider der jagers al dansend wijn giet. Hij zeept de beer in met een appel die hij in de wijn dompelt Vervolgens scheert hij ‘m, terwijl hij met een bijl zwaait. Alles gebeurt al dansend. Zodra de beer geschoren is, stort hij zich weer op Rosetta. Er klinkt een geweerschot

Jagers (samen roepend) STERF EN WORD!!! STERF EN WORD!!!

De beer stort dood ter aarde. Men danst rond het kadaver. Vier mannen nemen het op en dragen het weg. Er speelt lugubere muziek. De toeschouwers applaudisseren. De speellieden danken buigend, ledereen verwijdert zich.

Scène 6

In het huis van Paumier, aan de over van de Isère. Zondag 14 februari, ‘s avonds laat. Gekleed als beer staat de heer des huizes na te denken.

Paumier (fluisterend) Sterf en word! (harder) Sterf en word!! (roepend, vragend, huilend) Sterf en word!!! Philippe (roepend uit een andere kamer) Jean Serve!? Jean Serve!? Paumier (geschrokken) Hél Philippe (komt op met zeer weinig kledij, maar niet uitdagend) Wat sta je daar tegen de maan te huilen? Paumier Huilde ik? Philippe Ja. ‘Sterf en word!’ Paumier Die woorden willen me maar niet uit de zin, Philippe. Wat mogen ze voor mij betekenen? Philippe Heel eenvoudig, Jean Serve, sterf als beer en verschijn als man,

Paumier (geschrokken) Nee, nee, Philippe. Wie ben ik zonder de ongetemde mannelijkheid van de

Philippe (sneerend) Ongetemde mannelijkheid!? Pure agressie noem ik dat. De beer vormde geen echt paar met Rosetta. Hij besprong en verkrachtte haar. Daarom werd hij als een dol beest afgemaakt. Paumier Ach, dat is de versie van die wereldvreemde speellieden. In de werkelijkheid moet men de agressieve beer een kans geven, in een gevecht van man tegen man. En dat met het mes… (Paumier neemt een mes en speelt eerst de man die de beer aanvalt. Hij legt liet mes achteloos terzijde en speelt dan de beer die zich hoog op z’n poten opricht) Philippe Je leeft in het verleden, Jean Serve. Volgens de rijken berokken jij als beer de gemeenschap van Romans schade. Ze hebben je proces reeds gemaakt: de doodstraf! Een kans om je te verdedigen krijg je niet. Voor hen is het bloedige ernst.

Paumier Nee, Philippe, nee! Je vergist je. Zij spelen het spel van de omkering mee. Philippe Dat is het werk van m’n vader. De rechter is de grootmeester van de omkering. Hij zet de verhoudingen in Romans op hun kop gedurende het carnaval, om die omkering dan in het dagelijkse leven van de stad beter te ontkennen. Om Romans te houden zoals het is: amechtig, aamborstig, oud en ziek, (pauze) Je weet, Jean Serve, dat ik naar hier gekomen ben omdat ik beloofd heb de gerechtigheid te helpen zegevieren in deze stad. Romans moet uit z’n as verrijzen! Met jou wil ik een nieuwe, jonge stad maken, Jean Serve Paumier! Ook al moet er bloed vloeien…

Paumier (geschrokken) Gedachten, Philippe, waarvoor geen oren zouden mogen bestaan! Philippe Hé, Paumier, laat je niet gaan. Jean Serve, Jean Serve, herken je me? Paumier Ei, waarom niet!? Jij bent een mens, en dan een vrouw en tenslotte de vrouw met wie ik de liefde wil bedrijven. Ik ben bij m’n verstand, zie je? (Hij kust haar)

Philippe Trek dan verdorie je berepak uit en kom in bed, O, Jean Serve, Ík ben naar hier gekomen omdat ik van je houd Omdat ik een kind van jou wil… Maar als je me neemt als beer zal ons kind een pasgeboren beer gelijk zijn, die handen noch voeten* huid, haar of kop heeft; een ruwe en onbehouwen brok vlees.

Paumier (haar verliefd likkend) Door het te likken kan jij het dan tot volkomenheid van leden brengen. (Het ene brengt het andere mee; ze beginnen hartstochtelijker te vrijen, gaan erbij liggen en rollen vervolgens over de grond. Terwijl ze onder de beer ligt, voelt Philippe onder haar hei mes. Ze neemt het op, rolt verder, zodat ze boven op de beer komt ie liggen. Met één grote, snelle haal rijt ze de huid van de beer open van de kin tot de anus. Paumier moet willens nillens uit z’n berehuid. Vervolgens loopt het meisje vlug weg naar de slaapkamer) Stem (van Philippe) Kom, Jean Serve! Kom tussen de lakens! Heel dicht bij me, in me met je verlangen ben je op twee duim van de dood, maar ook van het volle leven. Sterf en word in mijn schoot! Sterf en word in mijn zwaartepunt! Kom, Jean Serve Paumier, wees m’n meester en m’n dienaar. (Paumier gaat snel de slaapkamer in)

Scène 7

In de woning van Paumier. Op maandag 15 februari, heel vroeg in de morgen. Luid gebons weerklinkt. Paumier komt geeuwend op en opent de deur voor Robert Brunat.

Brunat (opgewonden) Jean Serve, Jean Serve, we zijn verloren!

Paumier (slaapdronken) Wie, wat verloren? Brunat Jean Serve, vannacht heb ik een droom gehad,

Paumier Een droom, verdomme! Haal je me werkelijk uit mijn bed in het holst van de nacht om me dat te komen zeggen?! Brunat Jean Serve, het gaat om ons leven! Paumier (vermoeid) Je droom, man! Laat hoi en die droom!

Brunat Onze koningen stapten op… Paumier Onze koningen?

Brunat Ja, het schaap, de haas, de kapoen, de ezel en de beer,

Paumier Je droom was bedrog, Robert. Gisteravond ben ik als beer gestorven en verschenen als man. Door toedoen van Philippe. Brunat Zoveel te beter!

Paumier Was dat alles wat je zag vannacht?! Ikzelf heb..,

Brunat (hem in de rede vallend) Ik zag ook de koningen van de rijken, de haan, de adelaar en de patrijs.

Paumier En dan?

Brunat De dieren van onze tegenstanders gingen op de vleugel. Onze dieren bleven aan de aarde vastgekluisterd. (dramatisch) Hoog tegenover laag, Jean Serve! Lucht tegenover aardel Paumier (ongelovig) En daarom zouden we verloren zijn!? De kapoen heeft toch ook vleugels. Brunat (verachtelijk) Een lopende castraat! In m’n droom zag ik duidelijk hoe de dieren van de rijken geslachtelijk op mekaar betrokken waren. Ze vormden paren!

Paumier (nu werkelijk gealarmeerd) Bondgenootschappen, wil je zeggen.

Brunat Noch min noch meer! Onze vijanden worden elk ogenblik machtiger en overmoediger. O, Jean Serve, zullen we ons werkelijk zonder slag of stoot naar de slachtbank laten leiden?! Paumier Wat wil je dat we doen? Brunat Luistergoed, Jean Serve! Dit is geen droom. Bij de bakkers, de slagers en de lakenwevers liggen de wapens klaar. Ik ga na welke schutters aan onze zijde staan. Jij stuurt stante pede boodschappers naar de boeren in de omgeving van Romans en naar de hervormden in de bergen. Paumier De hervormden schuilen in de bergen, als vossen in hun holen. Op hen moeten we niet rekenen.

Brunat (onverstoorbaar) Met de melding dat ze vanavond de poorten van de stad open zullen vinden.

Paumier (onsteld) Vanavond, Robert!? De poorten van de stad open…?! Wil je daarmee zeggen dat we vanavond…?

Brunat (vastberaden) Vanavond, vallen we aan, Jean Serve, Vanavond maken we ons meester van de stad. Langer uitstellen betekent onze dood, Paumier Onmogelijk, Robert! Onmogelijk! Zelfs als we gevechtsklaar geraken, dan nog hebben we geen plan. Hoe en wat?

Brunat Een betere gelegenheid krijgen we niet meer. Alle kopstukken van de stad dansen vanavond in de raadszaal van het stadhuis, We omsingelen het gebouw en nemen ze allen gevangen. Zonder hun leiders zullen de schutters die de stad trouw blijven, zich vlug overgeven. De stad Romans is van ons, Jean Serve!

Paumier Je kunt gelijk hebben, Robert. Je plan is te realiseren, (weer aarzelend) Maar we hebben zo weinig tijd.,. Alles moet veel te snel gebeuren, Brunat Wehebben een hele dag, Jean Serve, Twijfel niet langer, Het is nu of nooit! Paumier Akkoord, Robert! Ik doe mee. Op één voorwaarde! Dat ik in de loop van de dag bericht krijg van de boerenleiders dat ze met hun manschappen naar Romans oprukken. Zonder de boeren kunnen we de klus niet klaren, (pauze) Komen zij ons niet ter hulp, dan vind je mij vanavond rustig thuis* bij Philippe,

Brunat (gelukkig) Doe jij je werk! Ik ga nu onmiddellijk naar Fleur en Pain Blanc. Je hoort van mij -én van de boerenleiders – in de loop van de dag. (Brunat haastig af; ook Paumier trekt zich nadenkend terug)

Scène 8

Voor het stadhuis van Romans. Dinsdag 15 februari, ‘s namiddags. Te midden van een doodse stilte komt Koot op.

Koot Lundi gras Lorsque dames et galants en grands et beaux soupers se reçoivent.

L’après-midi lorsque tous se reposent et se prélassent même les porteurs de vin cessent d’amener le vin –

Scène 9

In de raadszaal van het stadhuis van Romans. Dinsdag 15 februari, ‘s avonds. Er weerklinkt dansmuziek. Achtereenvolgens betreden de raadszaal-rechter Guérin en Vinciane, de Manissieu en Brune, Coste en Jacotte, Laroche en Guillemette, Laigle en Jourdain en nog vele andere voorname burgers en burgeressen van Romans. Op rechter Guérin na zijn ze alten gemaskerd. Het is ook min of meer duidelijk te zien dat verschillende mannen wapens onder hun kleren dragen. Er vormen zich koppels. Er wordt gepraat. Plotseling ontstaat er beroering.

Laigle (tegen Laroche) Wat, behandelt de patrijs me geringschattend omdat hij wrok tegen me koestert!? Als dat zo is, ben ik bereid persoonlijk strijd te leveren met ‘m. U weet, Laroche, dat de adelaar de patrijs met gemak kan pakken, ook al biedt een rots u bescherming of dekking. (Laigle en Laroche vechten ritueel en verzoenen zich dan) Guérin (zonder masker) Wees welkom, dames en heren. Als de dames hier geen likdoornen hebben, kan de dans beginnen. Wel, lieve meisjes, wie van jullie slaat een dansje af? Wie zich kieskeurig toont, heeft likdoornen, durf ik zweren. Raad ik ‘t juist? Wees welkom, dames en heren op het bal van de patrijs! Er is een tijd geweest dat ik een masker droeg, en in het oor van jongedames sprookjes wist te fluisteren die hen rode oortjes bezorgden. Voorbij* voorbij* voorbij.., Wees welkom, dames en heren! Muzikanten, speel! Maak plaats, maak plaats! Kom, meisjes, rep de voetjes! (Er wordt gedanst door bijna alle aanwezigen. Plots wordt luid tromgeroffel hoorbaar. Verward gerucht buiten. Men poogt nog verder te dansen, maar de muziek stokt)

Stem (van buiten) Onze lieden worden aangevallen in de stad door de aanhangers van Paumier. Ze komen eraan om iedereen hier af te maken en om de vrouwen te verkrachten! (Paniek in de zaal, vooral echter bij de vrouwen) Guérin (roepend) Dat schorremorrie wil ons doden

en onze vrouwen onteren! We moeten ons verdedigen! Haal de wapens te voorschijn! (Laigle, Laroche en Jourdain halen revolvers en dolken van onder hun feestkleren) Wie geen wapens heeft, kan er vinden in het arsenaal van de stadsmilitie! (Guérin geeft een duidelijk teken aan Laroche, Laigle en Jourdainom de zaal te verlaten. Nog anderen volgen hen)

Handel volgens het plan! Jullie weten wie het eerst aan de beurt komt!

(De drie mannen verdwijnen, gevolgd door de anderen. Guérin, de Manissieu en Coste blijven bij de vrouwen)

Scène 10

Vóór het huis van Paumier. Enkele ogenblikken later. Laroche, Laigle en Jourdain, en nog anderen dagen

Laroche (roepend) Hé, Paumier, hoor je me? Je doet er verkeerd aan de mensen van de patrijs te laten aanvallen, terwijl ze dansen. En dat in tegenstelling met je belofte die je de koningin-moeder gedaan hebt, dat we allen in vrede en vriendschap met elkaar zouden leven.

Paumier, kom naar buiten, als je darmen in je lijf hebt!

(Paumier komt naar buiten, gewapend met een hellebaard)

Paumier Laroche, ik zweer je bij Phüippe dat ik geenszins het bevel gegeven heb aan wie ook van mijn mannen om vanavond aan te vallen. In dat geval zou ik toch zelf niet thuis zijn. Wie… Laigie (hem in de rede vallend) Nu is het afgelopen met dat gesmoes!

(Hij schiet Paumier met twee pistoolschoten dood.

Laroche wil zich nog over de gevallen Paumier buigen,

maar de andere trekken ‘m mee)

Vooruit, Laroche! Hij is zo dood als een pier! Eerst

moeten we zijn helpers pakken!

(allen snel af)

Naspel

Laroche, Laigle en Jourdain slepen de naakte, bebloede lijken van Paumier, Brunat, Fleur en Pain Blanc naar voren en gooien ze op de marktplaats van Romans.

Laigie De vrieskou heeft hun trekken misvormd Hun gezichten zijn opgeblazen Zwart en blauw

Dat de eksters hen de ogen uitpikken Dat de vogelsnavels hen doorzeven De laatste rust krijgen zij nooit. Laroche Dat hun lijken tot afschrikwekkend voorbeeld dienen voor allen die zich verzetten tegen het wettelijke gezag! (gedrieën af)

(Philippe Guérin en Mengarde Coste met Dionyse in haar armen komen wenend op.)

Philippe (bij het lijk van Paumier) Alles is in beweging, de klokken luiden, de mensen lopen, het water stroomt, en zo met alles. (Ze neemt het lijk in haar armen) O, Jean Serve, het licht van de zonnige dag, het licht van het leven zal nooit meer voor je schijnen, (pauze) Nee, dat kan niet! Ik wil schreien, schreeuwen tot alles, geschrokken, stokt, zich niet meer beweegt.

(Ze sluit de ogen en schreeuwt hartverscheurend)

Mengarde Nee, Philippe, schrei, schreeuw niet!

Paumier, Brunat, Fleur en Pain Blanc zijn niet

dood. Ze leven. Als stormvogels van de gelijkheid

waren ze, zijn ze groter dan zichzelf,

Zij zijn de belichaming van het collectieve volk.

(Ze heft Dionyse ten hemel)

Dit kind, dat niemand toebehoort, is het symbool

van het onsterfelijke volk,

HET VOLK IS EEUWIG!!! HET VOLK STERFT NOOIT!!!

theatertekst
Leestijd 58 — 61 minuten

Luc Lema

theatertekst