“Ghetto” (KNS) – Foto Marleen Peters

Jef De Roeck

Leestijd 3 — 6 minuten

Ghetto – KNS

KRONIEK – MEER DAN GENOEG BETWETERIGE (JONGE EN OUDE) SCHOOLMEESTERS

De hele voorstelling had Bert Struys in de rol van de oude Srulik in Ghetto met krukken gelopen. Dat verhoogde mijn verwarring toen na afloop van de première ook de regisseur, Daniel Benoin, op krukken steunde, terwijl hij met de acteurs van de KNS het publiek groette. Enkele dagen voordien had ik hem nog ontmoet, stevig op twee benen. Wat was er gebeurd? De avond voor de première was Benoin in de Antwerpse stadsschouwburg achterover van de scène getuimeld. Een spier gescheurd en een meniscus gebroken. “Het was een vrijdag de dertiende”, zei KNS-directrice Ivonne Lex. Benoin vertrok naar Parijs om geopereerd te worden.

In de KNS liet hij sporen na: een voorstelling die zo mogelijk nog sterker stond dan die van de Comédie de Saint-Etienne / Centre National Dramatique, waarvan Benoin directeur is; en een gezelschap dat zichzelf overtrof, nadat het een regisseur had meegemaakt die acteurs wist te motiveren, die technici bereid vond de gewone werkuren te overschrijden en die zelf uren in de nacht kon doorwerken aan de licht-regie.

In Ghetto evoceert de Israëlische schrijver Joshua Sobol de gebeurtenissen van de jaren 1942-1943 in het getto (“ghetto” is geen Nederlandse spelling) van de Litouwse stad Vilna. Hij laat de oude Srulik, een overlevende, vertellen hoe daar toen een toneelgezelschap werd gesticht. Het initiatief kwam van Jacob Gens, de joodse chef van het getto: door artiesten aan het werk te zetten, kon hij ze – voorlopig althans – behoeden voor deportatie. Tegenover de Duitse bezetter, in het stuk vertegenwoordigd door één officier, Kittel, trachtte Gens zo lang mogelijk te laveren om zoveel mogelijk joodse levens te redden. De stadsbibliothecaris, Hermann Kruk, maakte over dit alles aantekeningen in zijn dagboek.

In Antwerpen regisseerde Daniel Benoin het stuk voor de derde keer, na Keulen (Städtische Bühnen) en Saint-Etienne. De Franse enscenering werd in Parijs bekroond met de “Prix du meilleur spectacle 1985-1986”. In december 1986 werd er een reeks voorstellingen van gegeven in het Théâtre National in Brussel. Joshua Sobol, even overgewaaid, stond bij die gelegenheid ook in Antwerpen de pers te woord. Hij onderstreepte vooral de overlevingsdrang en de wil om de menselijke waardigheid te behouden, die de vervolgden in het aanschijn van de dood bezielden, en ook de complexiteit van de situatie waarin die mensen, en met name een figuur als Gens, met de vijand meewerkten terwijl ze zich tegen hem verzetten. Gens is ten slotte de Gestapo ten prooi gevallen. In het stuk wordt hij mee weggemaaid door de kogels waarmee Kittel op het einde de hele groep acteurs neerschiet. (In de Franse opvoering neemt hij vergif in, omdat de betrokken acteur niet wilde beschoten worden.)

De tweestrijd tussen Gens en Kittel schraagt het hele drama. Frank Aendenboom en Herbert Flack bewijzen in de respectieve rollen dat er meer steekt in het KNS-gezelschap dan er meestal wordt uitgehaald. De voornaamste personages aan hun zijde blijven naleven dank zij Christine Bosmans (die als de zangeres Chaja de vergelijking met Anna Prucnal in de Franse versie meer dan doorstaat), Hubert Damen (de jonge Srulik), Rafaël Troch (Sruliks buiksprekerspop), Herman Fabri (Weisskopf, de kleermaker die door economische collaboratie schatrijk werd), Marc Janssen (Hermann Kruk).

Daniel Benoin die het stuk gaat verfilmen, wist niet goed wat het verschil maakte tussen de Vlaamse en de Franse voorstelling. Het zou aan de taal kunnen liggen, dacht hij. Deze klonk hem vreemd in de oren. “Een curieuze taal”, zei hij mij. “Het is alsof de Vlaamse acteurs verschillende talen spreken naar gelang van het gevoel dat wordt uitgedrukt. In andere talen verandert de intonatie, hier wordt de muzikaliteit anders, en het ritme. In het Frans heb je dat niet, in het Duits een beetje. Soms hoor ik Weisskopf bijna Jiddisch praten. Het ligt aan de vleselijkheid van de taal. De eindletters veranderen volgens de intenties van de spreker.”

In discussies met de acteurs pleitte hij voor een “théâtre maximaliste”: elk personage moet doorleven, de hele voorstelling lang; de acteur mag niet in een wachtende houding terugvallen tot hij weer eens aan de beurt komt; overal op de scène moet er op elk ogenblik leven zijn. Dan kan de toeschouwer zijn eigen belevenis opbouwen, door zijn blik te richten waar hij wil, en te kiezen, nu links dan rechts.

De acteur moet meer zijn dan een vakman, hij is een artiest, zei Benoin nog, en hij moet de eerlijkheid van het spel volhouden. Een beroep doen op zijn “savoir faire” volstaat niet, en zeker niet als dat gescleroseerd is. Hij moet echt verrast zijn en niet enkel verrassing spelen. De Franse acteurs zijn misschien sterker in de onmiddellijke improvisatie, meende Benoin, maar zij spelen minder “vanuit hun vlees” dan de Vlamingen.

De Antwerpse stadsschouwburg noemde hij “un paradis”. Hij werd verliefd op de zaal toen hij de grote scène voor het eerst zag. In dat paradijs deed hij een ongelukkige val, een vrijdag, de dertiende, op de vooravond van Valentijnsdag.

 

GHETTO

auteur: Joshua Sobol; toneelversie: Joshua Sobol en Daniël Benoin; vertaling: Toon Brouwers; regie: Daniël Benoin; decor: Jean-Marie Poumeyrol; kostuums: Mimi Peetermans en Béatrice Ravard; lichtregie: Daniël Benoin; dramaturgie: Toon Brouwers; muzikale leiding: Paul Lefèbvre; spelers: Frank Aendenboom, Herbert Flack, Christine Bosmans, Hubert Damen, Rafael Troch, Herman Fabri, Marc Janssen e.a.

Gezien op 14 februari (première), in de Antwerpse stadsschouwburg.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#17

15.03.1987

14.06.1987

Jef De Roeck

recensie