Georg Wilhelm Friedrich Hegel

Leestijd 3 — 6 minuten

Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831)

De uitwendigheid van het ideale kunstwerk in relatie tot het publiek

Fragmenten uit de postume publicatie van de zes lezingen over ‘Ästhetik oder Philosophie der Kunst’ die Hegel tussen 1817 en 1828 hield in Heidelberg en Berlijn.

De kunst, als voorstelling van het ideaal, moet het ideaal in alle relaties tot de externe werkelijkheid bevatten en de interne subjectiviteit van het karakter met het uitwendige kortsluiten. Hoezeer het kunstwerk ook een op zich sluitende en afgeronde wereld bouwt, het kunstwerk zelf is als een werkelijk, individueel object niet voor zichzelf maar voor ons, voor een publiek dat het kunstwerk bekijkt en ervan geniet. De acteurs in b.v. de opvoering van een dramatekst spreken niet alleen met elkaar, maar ook met ons, en in beide richtingen moeten ze verstaanbaar zijn. Zo is elk kunstwerk een dialoog met diegene die ervoor staat (…]

In verband met historische onderwerpen moeten we beseffen dat kunstwerken niet voor de studie en de geleerde omgang vervaardigd moeten worden, maar dat ze zonder die omweg van verder afgelegen kennis onmiddellijk – door zichzelf – verstaanbaar en genietbaar moeten zijn. De kunst is er immers niet voor een kleine, gesloten kring van de weinige bevoorrechte geschoolden, maar is er voor de hele natie.

Wat voor het kunstwerk als zodanig geldt, moet ook op de buitenkant, nl. de voorgestelde historische werkelijkheid, evenzeer worden toegepast. Ook zij moet voor ons, die toch tot onze tijd en ons volk behoren, zonder uitgebreide geleerdheid helder en bevattelijk zijn, zodat we erin kunnen thuiskomen en ervoor niet moeten blijven staan als voor een ons vreemde en onbegrijpelijke wereld, […]

Het allereerste is en blijft de onmiddellijke verstaanbaarheid. Werkelijk alle naties hebben zich dan ook laten gelden in die kwestie, welke kunstwerken hun mochten toespreken; want ze wilden er thuis, levendig en aanwezig in zijn. […]

Deze uiterlijkheden zijn echter voor de dramatische kunst de gevaarlijkste klip. In theatervoorstellingen wordt immers alles onmiddellijk aan ons gezegd of het bereikt levendig onze zinnelijke aanschouwing, zodat we – precies zo onmiddellijk – ons er bekend en vertrouwd in willen terugvinden. Daarom moet hier de voorstelling van de historische externe werkelijkheid zo veel mogelijk ondergeschikt worden en een louter kader blijven. Zij moet in vergelijking slechts de proportie hebben die ook in liefdesgedichten teruggevonden wordt, waarin de geliefde een andere naam heeft dan die van onze eigen geliefde, alhoewel wij met de uitgesproken gevoelens en de wijze van uitdrukking volledig kunnen sympathiseren. Het heeft daarbij geen belang dat de geleerden de correcte weergave van de zeden, van de ontwikkelingsstadia en van de gevoelens missen. In Shakespeares historische stukken b.v. is er veel dat voor ons vreemd blijft en ons slechts matig kan interesseren. Bij het lezen zijn we daar weliswaar mee tevreden, maar in het theater niet. De critici en de kenners echter menen dat die historische kleinoden speciaal voor hen mee opgevoerd moeten worden, en schelden dan op de slechte, verdorven smaak van het publiek, als het bij die dingen zijn verveling te kennen geeft. Het kunstwerk en het onmiddellijke genot daarvan is echter niet voor de kenners en de geleerden, maar voor het publiek, en de critici moeten niet zo voornaam doen, want ook zij behoren tot datzelfde publiek, en zelfs voor hen kan de precisie van historische details geen ernstig punt van interesse zijn. In die zin tonen b.v. de Britten op dit moment uit Shakespeare-stukken slechts die scènes die op zichzelf en in zichzelf voortreffelijk en uit zichzelf begrijpelijk zijn. Ze hebben bovendien niet de pedanterie van onze estheten, die eisen dat het volk alle vreemd geworden uiterlijkheden, waaraan het geen deel meer kan hebben, toch voor ogen krijgt.

Worden echter vreemde dramatische werken in scène gezet, dan heeft elk volk het recht bewerkingen te verlangen. Ook het voortreffelijkste heeft dan een bewerking nodig. Men zou kunnen opwerpen dat het voortreffelijke eigenlijk eeuwig voortreffelijk zou moeten zijn, maar het kunstwerk heeft ook een tijdelijke, sterfelijke kant, en deze is het, waarop dc bewerking noodzakelijk is. Het schone verschijnt dan voor anderen, en ook diegenen voor wie het tot verschijning gebracht wordt, moeten in de buitenkant van de verschijning thuis kunnen zijn.

Vertaald uit Texte zur Theorie des Theaters, Klaus Lazarowicz en Christopher Balme, Stuttgart, Reclam, 1991. Vertaling; Dries Moreels.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#74

15.12.2000

14.03.2001

Georg Wilhelm Friedrich Hegel

artikel