(redactie Etcetera)

Leestijd 2 — 5 minuten

Gelezen

“Ik heb iemand nodig die zegt Mo, dat hebben we al duizend keer gezien, speel eens iets anders/ Ais akteur breng je gemakkelijk naar boven waar je zelf gezellig in kwijlt. Hoe ouder ik word, hoe meer ik om goede regisseurs schreeuw. En het is mijn laatste reddingsboei dat ik eens met een jonge regisseur zou kunnen werken, met Tanghe, met Perceval, met Van Hove. Ik zit zowat op het eind van mijn kreativiteit, daar moet ik uit en zij zouden mij daarbij kunnen helpen.”

Jo De Meyere: “Het in mijn droom ooit eens alle oude, doorgezakte Tsjechovfiguren te spelen”, De Morgen, 13/2/89.

“Mark Morris is iemand die vragen stelt bij Fina Bausch, bij Anna-Teresa de Keersmaker en Anna-Teresa de Keersmaker stelt vragen bij Mark Morris. Volgens mij is Anna, die ik overigens persoonlijk zeer waardeer, nog een typische uitloper van mei ’68: zeer gedeprimeerd, zéér zwaartillend. Pas op, dat is geen verwijt, ik kan dat begrijpen. Maar dan komt daar plots iemand als Mark Morris tegenover te staan. Het gevaar is dan (…) dat men gaat denken dat hij lichtvoetig is, oppervlakkig, en dat is niet waar”.

Gerard Mortier; “Helaas kijken steeds meer mensen niet verder dan het materiele”, in Intermediair, 30/1/’89

“Teater brengt enorme spanningen met zich mee. Dat is normaal In teater ga je op zoek naar de essentie. Je hebt de pretentie de ander integraal te laten zien langs de buitenkant, via de woorden van de dichter. En ik ben ontzettend moeilijk voor mezelf tijdens dat proces, tijdens dat op zoek gaan. En dat is afzien, niet alleen voor mezelf. En dat moeilijk zijn is een socialistisch gebaar. Dat is socialisme, dat is mekaar helpen, het personage te vinden. Hoe zou dat dan moeilijk heten?”

Julien Schoenaerts in De Morgen, 21/1/’89

“Als iemand mij tamelijk cynisch vraagt: ‘nog steeds aan het toneel?’, dan klinkt het alsof hij zegt; ‘Nog steeds ploeterend in de modder?”

Rudi Van Vlaenderen: Teater -bij wijze van inventaris’, in De Standaard, 14/1/’89

“Het is alleen als je erin slaagt de energie die je als akteur hebt op het publiek over te brengen, dat je een wisselwerking krijgt, een soort osmose, een kontakt, een geheel. Dan pas funktioneert teater en dat is voor mij, los van het dunne verhaaltje, de grote betrachting geweest met ‘Zeldzaam’: dit moest een enorme brok energie worden, bruisende positieve energie, zo van “we willen het en we zullen het maken en als we hier niet mogen, dan gaan we op een ander. Maar we blijven doorgaan.” Dit soort energie zou ik wel eens meer aanwezig willen zien in het ‘gewone’ teater, bij de ‘gewone’ gezelschappen.”

Gesprek met Jean-Pierre de Decker, in Knack, 15/2/’89

artikel
Leestijd 2 — 5 minuten

#25

15.03.1989

14.06.1989

(redactie Etcetera)

artikel