© Pieter Dumoulin

Klaas Tindemans

Leestijd 5 — 8 minuten

Gekken & Specialisten – Timeau De Keyser & tibaldus / Toneelhuis

Oorlog, maar zo weinig waanzin

De literaire kracht van Nobelprijswinnaar Wole Soyinka’s oeuvre is minstens even groot is als die van Alfred Jarry en misschien ook die van Shakespeare, schrijft Klaas Tindemans. Maar in hun antitheatrale enscenering van Gekken en Specialisten slagen Timeau De Keyser en tibaldus er niet in om die in de verf te zetten.

Het was waarschijnlijk een slordigheid, maar toch typerend. De Standaard speculeerde over de volgende Nobelprijs voor Literatuur, misschien was het eindelijk tijd voor een Afrikaans auteur. De foute krantenkop in die zin is ondertussen nog steeds niet van de website verdwenen, op de voorpagina van de ‘papieren’ weergave van DSL, 3 oktober 2020, rechts bovenaan. Blijkbaar herinnerde niemand zich dat de Nigeriaanse schrijver Wole Soyinka, als eerste Afrikaan, deze onderscheiding reeds in 1986 kreeg. Soyinka schreef (en schrijft) behoorlijk veel toneel, maar je ziet hem in (continentaal) Europa zelden opgevoerd. Af en toe wordt zijn bewerking van Euripides’ Bacchanten geënsceneerd, of als inspiratie voor een eigentijdse enscenering gebruikt. In die gevallen ontstaat vaak de indruk dat artistieke leiders en dramaturgen, wellicht onbewust, wat krampachtig zoeken naar een zo naadloos mogelijke aansluiting tussen een ‘vreemd’ Afrikaans universum en een Europese zin voor historisch repertoire. Een vorm van oriëntalisme, met andere woorden, maar dan met de Afrikaanse cultuur als mismeesterd voorwerp.

Blijkbaar lukt dat niet echt met Soyinka’s drama. Daarom is de keuze van Timeau De Keyser en tibaldus, residerend bij het Toneelhuis, om een tekst van hem onder handen te nemen op zich al toe te juichen. Overigens is de discussie over een mogelijke ‘appropriatie’ bij hun keuze voor Madmen and Specialists, dat Soyinka in 1970 in de Nigeriaanse gevangenis schreef, niet echt ter zake, omdat Soyinka in deze wrange komedie (of is het een grotesk treurspel?) een thema opduikt dat in de Europese toneelliteratuur, sinds de vroeg-moderne wraaktragedie en met name in William Shakespeare’s Macbeth en Alfred Jarry’s Ubu Roi opduikt, in een (onbenoemd) Afrikaans universum plaatst. Dit is het thema van de eenzame tiran die, geconfronteerd met zijn eigen onpeilbare en onzegbare wreedheid en de gevolgen daarvan, enkel in ontkenning en/of hysterie kan wegvluchten. Soyinka was overigens zeer vertrouwd met Europees (en Amerikaans) drama, hij gebruikt deze ‘canon’ graag als ruwe grondstof voor zijn eigen teksten, waarmee hij een koloniale verhouding subtiel omkeert. Dat is geen ‘absurdistisch’ gegeven, zoals een al te gemakkelijke theatergeschiedenis zegt over Soyinka’s stuk, dit is een dramatisering van het onvermogen om zin te geven aan afgrondelijk geweld en razernij, of het nu om daders, dan wel slachtoffers gaat. Een onvermogen dat bestaat sinds de doodswens van de blinde, verdreven vorst  in Sophokles’ Oidipous in Kolonos.

Gekken en Specialisten, zoals vertaalster Marijke Emeis het stuk in het Nederlands betitelt, toont een plek in een gebied niet ver van een niet nader beschreven oorlog, waar een oude man in een kelder zit, opgesloten door zijn zoon, terwijl zijn dochter zorg draagt voor het huis en kruiden verzamelt. Buiten op straat, waar de meeste scènes zich afspelen, lopen de verminkten van de oorlog rond, ze bedelen of doen onbestemde dingen, je weet niet in wiens dienst. Naast dit huis staat het onderkomen van twee oude vrouwen die de machten van de aarde doorgronden en gebruiken/misbruiken – misschien zijn het heksen. Men wacht op de zoon van de oude man, die ooit naar het front vertrokken is als medisch specialist maar terugkeert als een specialist in spionage, als een meedogenloze handlanger van een bloeddorstige oorlogsmachine. Bij zijn thuiskomst, na die transformatie, gaat gaat hij opnieuw de confrontatie aan met zijn opgesloten vader, en van kreupelen gedraagt zich als handlanger van beide generaties: nu eens steunen ze de vader in diens bizarre cultus van het ‘alsof’, dan weer helpen ze de zoon die met deze als spiritualiteit vermomde hysterie komaf wil maken. Terwijl de ‘heksen’ de wraak van de aarde op de oorlogszucht voltrekken, terwijl de oude man krijst en peroreert en de verminkten hun Sint-Vitusdans laat opvoeren, ontploft de zoon – de specialist in goed en kwaad – en zet hij deze kleine wereld stop. Hij doodt zijn vader, de manke bedelaars verstijven, de scène kleurt rood, figuurlijk en ook letterlijk. Heeft de apocalyps plaatsgevonden?

Dolende geesten

Wole Soyinka schreef dit stuk ten tijde van de Nigeriaanse burgeroorlog, op het einde van de jaren zestig, toen de politieke tegenstellingen in het kunstmatige, unitaire Nigeria – een koloniale constructie, zoals ongeveer elke natie in Afrika – ontaardden in een verschrikkelijk militair conflict. Het Britse imperialisme had historische politieke regimes – van autoritair tot participatief – in één natiestaat samengebracht, had de verschillen aangewakkerd conform een verdeel-en-heers-logica, en had zich vervolgens teruggetrokken. Disputen over exploitatie van de olierijkdom, geregisseerd door Europese bedrijven, deden de rest, en het land ontplofte. Een concrete politieke analyse maakt Soyinka niet in Gekken en specialisten, maar de tegenstelling tussen, enerzijds, de moderniteit van de militaire logica – inlichtingen, spionage als grondslag van machtsopbouw – en, anderzijds, een spiritualiteit die de verbinding met de aarde als energiebron benadrukt, raakt wel de kern van deze oorlog, en misschien ook die van elke andere oorlog.

De ruimte die De Keyser/tibaldus creëert is de eenvoud zelve: twee witte voorgevels, met daartussen een brede straat. Het licht verandert deze ruimte in een openbare plaats, of in een ondergronds hol. De spelers dragen eenvoudige streetwear, maar ze bewegen zich als gestileerde figuren, houterig, met groteske gebaren en met soms overslaande stem. Ze lijken ontsnapt uit het universum van Erik De Volder, maar dan zonder schmink. Mannen spelen vrouwen en omgekeerd, zonder genderclichés, ook zonder duidelijke verantwoording. Ze gebruiken geen rekwisieten, hoogstens wat dorre taken en een lichtbak die vuur suggereert.  Eén speler, Sander De Winne, zingt, met operastem, de regie-aanwijzingen, soms hilarisch, soms wat gênant. Boven al het gekrioel van deze figuren, waarvan je voortdurend twijfelt of het niet eerder dolende geesten dan mensen van vlees en bloed zijn, torent de oude man, de vader, gespeeld door Marianne De Schutter, imposant in lichaam en stem. Zij herleidt de kreupelen tot marionetten, zij overschreeuwt haar zoon, die elk moreel besef verloren heeft en is ontaard in een doodseskader, terwijl zij de dood zélf helemaal gaat belichamen, in haar gewelddadige présence, verbaal en ruimtelijk. Maar deze (re)presentatie van dood en verderf is tegelijk van elke bloederigheid, van elke visuele suggestie van geweld ontdaan, de stilering is helemaal doorgeslagen in een soort fundamentalistisch anti-illusionisme, dat een karikatuur maakt van het Brechtiaanse zeigen (het spelen niet verbergen, maar juist demonstreren) . Behalve dan in de kunstmatigheid van de gebaren en de uitzinnigheid van het stemgebruik: dan is extase wel een optie, soms toch.

Oorlogswaanzin

Maar ondanks deze uitbundigheid, dit irrealisme, vinden deze toch vrij uitgesproken stijlkeuzes amper aansluiting bij Soyinka’s schets van de oorlogswaanzin. De échte oorlog waar Soyinka naar verwijst speelt zich elders af dan op de plek die hij toont, maar het geweld dat hij in deze microkosmos opvoert is daarom niet minder reëel. Toch is er, op een zeldzaam moment na, zoals wanneer de oude man in zijn arm bijt als hij/zij de lof van het kannibalisme bezingt, weinig te zien dat beklijft, dat risico, spanning suggereert. De indruk ontstaat dat deze theatrale plek – eurocentrisch uitgedrukt: een tafereel van Jeroen Bosch – een naïeve kindertekening is, maar dan gemaakt door een volwassene die zijn kindertijd, hoe gruwelijk ook, blijft idealiseren. Is dat interessant, brengt dat iets anders teweeg dan zwak medelijden met iemands frustraties? Zeker de speelstijl, die elk naturel nogal krampachtig probeert te vermijden (en daar, gelukkig misschien, niet altijd in slaagt), haalt elke suggestie van gevaar uit deze vertelling. De intrinsieke, literaire kracht van Soyinka is minstens even groot is als die van Jarry en misschien ook die van Shakespeare, maar een briljante vondst zoals de cultus van het ‘alsof’ (God als masker?) die de oude man gesticht heeft, met zoveel theatrale mogelijkheden, blijft onderbenut, ongebruikt haast. Behalve in brede gebaren, fysiek en vocaal, die te vaak te hol klinken.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#161

15.09.2020

14.12.2020

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.