#182
15.04.2026
—
14.09.2026
Fransien van der Putt is dramaturge en critica. Ze schrijft voor www.cultureel persbureau.nl
TWO. is not a solo van Lisa Verbelen en Hendrik Lasure begint met een stilte die verbroken wordt door de zachte ruis van een rookmachine. Alsof relativering de sleutel is in dit stampende concert met intieme songs over de sores van het verlangen naar een ander.
Het gaat choreograaf Jan Martens (32) voor de wind. Met zijn productiehuis GRIP is hij een van de weinige instromers bij de recente structurele subsidieronde. Hij is dit seizoen creative associate in deSingel en toert met het ambitieuze The Common People door binnen- en buitenland. Hoewel zijn performances vormelijk sterk uiteenlopen, hebben ze al zeker één ding gemeen: via intieme gestes en ontmoetingen de relatie tussen performer en publiek hertekenen.
Een zombie is iemand die levend is noch dood. Uit de dood opstaan betekent volgens ingewijden dat je een aantal vitale eigenschappen moet missen. Zo heeft een zombie geen ziel meer noch een eigen wil, en ook het regenererend vermogen van het lichaam ontbreekt. Ondanks de wederkeer rot het lichaam gewoon verder. Van de saignante details, die de zombie tot een internationaal troeteldier hebben gemaakt, is in Zombie Aporia weinig te merken. Daniel Linehan speculeert in zijn vierde voorstelling vooral op de innerlijke leegte en hinderlijke onbepaaldheid van de zombie. Daar komt ook de ‘aporie’ bij kijken.
Er hangen harten en sleutels boven ons hoofd. Twee grote mensen op de eerste rij doen ernstig met snoep. Het werkt op de lachspieren en het vraagt om meer. Meer snoep natuurlijk, maar ook naar de toedracht wordt halsreikend uitgekeken. De reacties van het publiek rijgen zich aaneen rond het speelvlak als kleine toneeltjes. Ouders kijken naar kinderen, kinderen kijken naar elkaar en naar de snoepkettingen waarmee de twee acteurs hun hoofd inpakken voor ze op de tast het speelvlak beklimmen.
Beschouwingen hebben vaak de neiging het werk los te zingen van de onbestemde praktijk waaruit het voortkwam. Het gaat tenslotte om de voorstelling zelf en niet om het artistieke verkeer dat eraan voorafging en erop zal volgen. Toch ligt in de voorbereiding vaak de kern van het artistieke werk vervat, wat heet de manier van werken, the creative process, een onderstroom die soms tot methode wordt uitgewerkt en zelfs als een effectieve vorm van handelen (techniek) kan worden gedoceerd.
Het lijkt simpel: wij stellen ons dingen voor, er worden ons dingen voorgesteld. Terwijl we toekijken, overleggen we met onszelf over wat er aan de hand is en wat er te doen staat. Titels, tussenkopjes, aanduidingen van tijd en plaats, voornemens, een gemoedstoestand, gedachten en dialogen; zij worden allemaal geprojecteerd op de achterwand. Een twitterende toneelschrijver wijst de weg en laat de toeschouwer dwalen door middel van boventitels. Verder is het stil.
Fransien van der Putt over Bianco en Rosso van Emio Greco.