Rocío Molina, Carnacion © Simone Fratini

Leestijd 10 — 13 minuten

Flamenco in beweging

Hoe Rocío Molina en Luz Arcas flamenco voor de 21e eeuw maken

In mei komt Rocío Molina naar DE SINGEL met Carnación, de voorstelling waarmee ze in 2022 de Zilveren Leeuw ophaalde op de dansbiënnale van Venetië. Het was de eerste keer dat die naar een flamenco-artiest ging. Dit najaar presenteert Europalia, dit keer in het teken van Spanje, een programma dat je laat kennismaken met vele andere vernieuwers in de flamenco en de hedendaagse dans uit het land. Hoog tijd om in te zoomen op twee toonaangevende dansmakers die vanuit verschillende achtergrond de flamenco onderzoeken en binnenstebuiten keren: Rocío Molina en Luz Arcas.

Rocío Molina zet zich schrap. Ze rent de lengte van de scène over en gooit zich tegen zanger Niño de Elche aan. Onbeweeglijk en met open armen vangt hij de schok op. Enkel zijn stem en borstkas trillen onder het gebeuk van haar hoofd en vuisten. Vier armen en benen maaien, grijpen, klauwen, slaan uit alle (on)macht. Twee lichamen keren zich van elkaar af, raken niet los en vinden elkaar weer in een ritmische omhelzing. Handen komen onzacht neer op armen, ruggen, gezicht. Ze roffelen in ‘compás’, in het ritme van een intens duet voor danseres en zanger die samensmelten tot één lichaam.

Lust en verlangen vormden het vertrekpunt van de nieuwste productie van boegbeeld van de flamencovernieuwing Rocío Molina. Zoals in al haar werk vormen zorgvuldig gecreëerde, poëtische beelden het universum voor een uiterst fysieke en technisch virtuoze krachttoer. Deze voorstelling voert de toeschouwer mee in een intimiteit die tegelijk persoonlijk en universeel is. Kostuums en scenografie zijn gedrenkt in aardse, paarse en rozerode tinten. Carnación – het Spaanse woord klinkt zoveel krachtiger en aantrekkelijker dan het Nederlandse ‘aanbrengen van vleeskleur’. Het doet ook spontaan denken aan incarnatie, het ‘vleesworden’.

De naam flamenco werd vanaf eind de 18de eeuw gegeven aan de muziek – en later ook dans – die voortkwam uit de smeltkroes van Andalusische, joodse, Arabische, Noord-Afrikaanse en Indiase invloeden aanwezig op het Iberische schiereiland. Tijdens Al-Andalus en vele eeuwen bewogen wereldgeschiedenis die daarop volgden, via de koloniale routes heen en weer naar Amerika en via de Afrikaanse diaspora, gingen al deze culturen en muziekvormen een kruisbestuiving aan, die uitmondde in een unieke artistieke expressie.

Flamenco ontstond dus op een heel specifieke geografische plek en binnen een welbepaalde historische context. Toch weet de kunstvorm vandaag wereldwijd mensen te beroeren. Omwille van de uitzonderlijke kwaliteiten van muzikanten en dansers. Maar ook: flamenco bezit de kracht om emoties en energie over te brengen met een directheid die grenzen, talen en genres overstijgt. Om artiesten en publiek samen in opperste staat van vervoering te brengen: de mythische duende.

Laat het woord ‘flamencodans’ vallen en spontaan stromen de associaties: ritmisch handgeklap, castagnetten, stippenjurken, passie, stampende voeten, getormenteerde kreten… en oneindig veel olé’s: het exotistische beeld gecreëerd in de 19de en 20ste eeuw – met twijfelachtige dank aan de Spaanse natievorming en de campagnes van Franco – tiert nog steeds weelderig als de rokken van een traditionele flamencodanseres. Of denkt iemand nog: zigeunerdanseres? Anders dan ‘gypsy’ of ‘gitane’ wordt in Spanje het woord ‘gitano’ wel nog steeds en vaak met trots gebruikt. Er rust geen taboe op, al heeft het woord hoe dan ook een politieke lading.

Gitano en flamenco zijn fundamenteel met elkaar verweven, vertelt Pedro G. Romero, transdisciplinair kunstenaar, winnaar van de Spaanse Nationale Prijs voor Beeldende Kunst 2024 en goeroe van vele vernieuwende flamenco-artiesten. In de eerste plaats door de zangers, dansers en muzikanten zelf natuurlijk. Daarnaast zijn ook de eeuwenlange racialisering, marginalisering en criminalisering bepalend voor de twee-eenheid en diepe solidariteit tussen gitano’s en flamenco’s. Pedro G. Romero vat het beeldend samen: flamenco en gitano ziet hij als poreuze, ambigue en continu vloeiende categorieën die zich op een gedeelde, wankele ondergrond bevinden. Zoals de mobiele, ‘nomadische’ vloer die hij bedacht tijdens een creatieproces met danser Israel Galván, flamencovernieuwer van het eerste uur. Onder de aanraking van Galváns voeten, en door middel van veren en scharnieren, klapten de onderdelen op en neer en bepaalden zo mee de dans.

Israel Galván, a film by Maria Reggiani (2010)

Rocío Molina (°1984, Málaga), die in de voetsporen van Galván uitgroeide tot onbetwistbaar boegbeeld van een nieuwe generatie makers, ziet nog een andere paradox: ‘De blik op het exotische, op de ander, is een actueel thema in de kunsten vandaag. In de flamenco blijven deze clichés voortbestaan omdat de reactie op de blik van de ander, deel uitmaakt van het economisch model van de flamenco. Tegelijk is er steeds meer begrip en interesse voor de bijdrage van de flamenco aan de hedendaagse podiumkunst.’ Getuige de Zilveren Leeuw die Rocio Molina in 2022 won op de dansbiënnale van Venetië. ‘Zeker, zulke prijzen bevorderen de internationalisering en geven zichtbaarheid aan het hedendaagse karakter van de flamenco.’

In Carnación valt het virtuoze voetenwerk op waar Molina om bekend staat, het ritmische spel, de nauwe dialoog tussen dans en zang, de palos (flamencostijlen) en de geniale zang- en stemexperimenten van Niño de Elche. Maar in de voorstelling zit ook oude muziek, gezongen door een 16-koppig koor, een sopraan, een violiste die Pergolesi speelt, en elektronische muziek. Met Carnación begeeft Rocío Molina zich meer dan ooit buiten de flamencocodes. ‘Wanneer flamenco-artiesten elementen uit de hedendaagse podiumkunsten opnemen in hun werk, krijgen ze daar vaak meer erkenning voor buiten Spanje. Buitenlandse festivals zoals bijvoorbeeld dat van Nîmes en de Flamenco Biënnale Nederland maken meer ruimte voor hedendaagse flamenco dan alle festivals in Spanje samen.’

Rocío Molina begon te dansen op driejarige leeftijd, studeerde op haar 17de af aan het Conservatorium in Madrid en reisde met grote flamencogezelschappen de wereld rond. Vanaf haar eerste solovoorstelling in 2005, schoot haar carrière als een pijl de hoogte in. Ze is niet alleen op alle toonaangevende flamenco-podia te vinden, maar ook buiten het flamenco-circuit. In 2014 werd ze artiste associée van Le Chaillot in Parijs, ze stond op het festival van Avignon, in Dance Umbrella in Londen, op podia van Canada tot Australië, van Mexico tot Japan. In New York viel balletdanser Mikhail Baryshnikov letterlijk voor haar op zijn knieën na het zien van haar voorstelling Oro viejo (Oud goud) (2011).

“Internationaal geprezen en geroemd, en in 2010 erkend als werelderfgoed door de Unesco, blijft de flamenco zich ontwikkelen als stedelijke subcultuur.”

De internationale dimensie is niet nieuw voor de flamenco. ‘De grote 20ste eeuwse flamencodansers ontwikkelden hun werk vaak buiten Spanje en werden er erkend als avant-gardekunstenaars,’ signaleert Molina. ‘Figuren als Vicente Escudero en la Argentinita deelden affiches, gezelschappen, promotoren en podia met bv. Uday Shankar en Anna Pavlova. Kazuo Ono bewonderde en liet zich inspireren door la Argentinita, Martha Graham baseerde Deep Song (1937), een bijna letterlijke vertaling, op Poema del Cante jondo (1921) van Federico García Lorca. Uit die voedingsbodem ontstond wat we nu ‘hedendaagse dans’ noemen. Tegelijk voedt de flamenco zich met een populair of ‘urban’ karakter, iets wat kunstenaars van allerlei disciplines inspireert. Mee daarin ligt de aantrekkingskracht van de flamenco.’ Ook Pedro G. Romero signaleert de dubbele kwaliteit van de flamenco, die volgens hem tegelijk centraal en perifeer is: internationaal geprezen en geroemd, en in 2010 erkend als werelderfgoed door de Unesco, blijft de flamenco zich ontwikkelen als stedelijke subcultuur.

Ook vandaag verdiepen hedendaagse kunstenaars wereldwijd zich in de flamenco. Dorothée Munyaneza nodigde in de voorstelling Mailles (2020) de Britse flamencodanseres Yinka Esi Graves uit met diens flamenco vanuit het perspectief van de Afrikaanse diaspora. Graves stond afgelopen zomer met haar eigen creatie The Disappearing Act (2023) op het festival van Avignon. Marlene Monteiro Freitas maakte samen met Israel Galván het duet RI TE (2022-2024), vorig jaar te zien tijdens het Kunstenfestivaldesarts.

En ook in Spanje: makers uit de hedendaagse scene die zelf niet gevormd of opgegroeid zijn in de flamenco, onderzoeken de flamencogeschiedenis en -technieken, laten zich erdoor inspireren en gaan samenwerkingen aan met flamencokenners en -artiesten. Makers als Patricia Caballero bijvoorbeeld, of Luz Arcas, die vorig jaar de Spaanse Nationale Prijs voor Dans (Premio Nacional de Danza) kreeg.

Het werk van Luz Arcas (°1983, Málaga) is veelzijdig en heterodox: het put uit vele inspiratiebronnen en omspant zowel theater, performance als dans, van solo’s tot groepswerken die ze met wisselende dansers of vaste groep van haar gezelschap La Phármaco maakt. Ze reist de wereld rond, nieuwe ontmoetingen en samenwerkingen achterna. Als hedendaagse danseres flirtte ze al langer met de flamenco. Ze deed ook onderzoek naar de folklore van haar geboortestreek. In Mariana (2022) waagde ze zich voor het eerst expliciet aan een fysieke ontmoeting met de flamenco op het podium: ze maakte de voorstelling met een gemengde groep muzikanten, met en zonder flamenco-achtergrond. Vertrekthema is de complexe relatie tussen mens en (werk)dier, en de flamencomuziek die traditioneel werd gezongen en gespeeld tijdens feesten, bij het temmen, en het werken met dieren op het land.

Aan de linkerkant van de scène zitten zanger Bonela Hijo en gitarist Bonela Chico, zijn zoon. Naar elkaar toegekeerd zingen, spelen en stuwen de twee elkaar vooruit, in de onderlinge verbondenheid die zo kenmerkend is voor de flamenco. Rechts staat heel alleen Luz Arcas. Blootvoets, een kleurrijk paardenhoofdstel om haar middel gegord, een indringende en tegelijk afwezige, lege uitdrukking op het schuin geheven gezicht. Ze danst haar solo half naar de zaal, half naar het duo muzikanten gekeerd. Hun blikken kruisen de hare niet.

‘Die dans voor seguiriya komt recht uit de ziel,’ vertelt ze. ‘Zonder nadenken, kwam hij er in één keer uit.’ De seguiriya, samen met de soleá de ‘moeder van de flamenco’, is de meest dramatische van alle flamencostijlen. Arcas danst haar persoonlijke interpretatie ervan in een bevreemdende maar intuïtief vertrouwde danstaal die zowel bewegingen uit de flamenco en de hedendaagse dans echoot, als de lichaamstaal van een paard – of de ezel uit het Zuid-Spaanse dorpje Mijas waarvan ze het traditioneel versierde halster en zadeldoek om zich heen draagt.

“Het diepe lichaam barst uit in dansen – zoals in tranen, zweet of lachen. Met kracht en met schaamte. Het proces is even zichtbaar als het resultaat: een dans die zowel abstract en symbolisch is als toegepast en tastbaar.” – Luz Arcas

Luz Arcas verwoordt het het liefst als ‘cuerpo jondo’, letterlijk het diepe lichaam, naar analogie met de ‘cante jondo’ (diepe zang), zoals de flamencozang vaak genoemd wordt. Die diepgang, bezieling of ‘jondura’ is voor haar de oorsprong, het ‘gebrabbel’ van waaruit de flamenco als taal ontstond. Haar taal is niet die van de flamenco, maar heeft haar oorsprong in dezelfde voedingsbodem. In het boek Pensé que bailar me salvaría (2022) (Ik dacht dat dansen mijn redding zou zijn) schrijft ze: ‘Het diepe lichaam barst uit in dansen – zoals in tranen, zweet of lachen. Met kracht en met schaamte. Het proces is even zichtbaar als het resultaat: een dans die zowel abstract en symbolisch is als toegepast en tastbaar.’ Het leest als een eerbetoon aan de ‘arte jondo’ of flamencokunst, en tegelijk als een persoonlijk manifest over wat podiumkunst kan betekenen.

‘De choreografen bij wie ik tijdens mijn opleiding in de leer ging, maken deel uit van de postmoderne generatie. Conceptuele postmoderne dans is van onmisbaar belang geweest voor de ontwikkeling van de hedendaagse dans, maar is volgens mij een eindig spoor. ‘De flamenco of dansinvloeden uit Afrika of Latijns-Amerika die nu steeds meer resoneren, geven volgens haar nieuwe hoop aan de dans.

‘Voor Rocío Molina voel ik een grote bewondering. Zij komt uit de traditie van de flamenco met zijn specifieke techniek en creatieprocessen, ik uit tegenovergestelde hoek, die van het experiment. Als antipoden bewegen we ons naar elkaar toe, als twee lichamen die plots eenzelfde partikel delen.’

Tijdens de Flamenco Biënnale van 2023, de editie die sterk inzette op vernieuwing onder leiding van Chema Blanco, ging Mariana in première en was Carnación voor het eerst in Spanje te zien. Onlangs ging Luz Arcas op residentie in la Aceitera, de werkplaats opgericht door Rocío Molina in een oude olijfboerderij nabij Sevilla, en werkte er aan een nieuw project met grote namen uit de flamenco.

Met welk gebaar zouden ze die toenadering tot elkaar en elkaars praktijk aangeven? Luz Arcas trekt met haar twee wijsvingers diagonalen in tegenovergestelde richting, haar vingertoppen kruisen elkaar in het midden maar raken elkaar net niet. ‘Of we elkaar ooit ook in een verdere samenwerking of op het podium zullen ontmoeten, weet ik nog niet,’ zegt ze. ‘Als je in de flamenco het compás aangeeft, het ritme markeert met handen en knokkels,’ besluit Rocío Molina, ‘maak je soms een schijnbeweging in een bepaalde richting. Om vervolgens, op het juiste moment, het ritme weer op te pakken. Zo probeer ik verschillende kanten op te gaan, zonder te verdwalen. Het is een erg typisch flamencogebaar, dat ook deel uitmaakt van mijn artistieke taal: speels én precies.’ Een gebaar zo speels en beweeglijk als de gedeelde ruimte waarin beide makers, de blik breed, hun werk blijven vernieuwen.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 10 — 13 minuten

#179

01.03.2025

14.09.2025

Katelijne Meeusen

Katelijne Meeusen studeerde taal- en letterkunde in Antwerpen, Londen en Madrid – sindsdien laat Spanje haar niet meer los. Ze werkte 13 jaar bij Kaaitheater in Brussel, sinds 2022 coördineert ze communicatie en marketing voor de Flamenco Biënnale Nederland en werkt ze als publieksbemiddelaar in de letteren en de podiumkunsten.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!