Luk Van den Dries

Leestijd 9 — 12 minuten

Etcetera ontving

Theaterjaarboek

Soms zijn er van die dingen die je moet weten: welk gezelschap introduceerde een bepaald auteur; hoe was het repertoire samengesteld; hoe zag de bezetting eruit, enz. Vóór 1967 moest je ver gaan zoeken: rommelen in het AMVC tussen spelwijzers en documenten, neuzen in de archieven van de respectievelijke gezelschappen. Na 1967 kon je voor deze basiskennis omtrent het artistieke leven in theatervlaanderen terecht in het Theaterjaarboek voor Vlaanderen, nu Vlaams Theaterjaarboek: je vindt er alles netjes gecatalogeerd, ontsloten door handige indexen. Ook de Franstalige theatergemeenschap heeft het nut van deze catalogi ingezien en publiceert sinds ’81 identieke jaarboeken op kleiner formaat.

De verzorging van het theatergeheugen is belangrijk en onmisbaar: de theatrale tijdruimte is vergankelijk, de continuïteit ervan dient verzekerd te worden in documentvergaring, informatieverzameling, kroniekgeschiedenis. De inleiders en samenstellers van de jaaroverzichten laten niet na op het belang van deze uitgave te wijzen en op de enorme moeilijkheden die ermee gepaard gaan: theatermakers werken aan het heden en zijn niet erg geïnteresseerd in de pointering van wat voorbij is. Ze worden aangemaand tot meer burgerzin en verantwoordelijkheidsgevoel in het invullen en opsturen van de lijstjes.

Men kan het de samenstellers van dit 21ste Vlaams theaterjaarboek daarom niet euvel nemen dat het niet helemaal volledig is: de historische zin ontbreekt bij enkelen; aan de andere kantis het theaterlandschap in Vlaanderen sterk uitgezet en worden allerlei grenzen overhoop gegooid: tussen professioneel en amateur, tussen auteur en bewerker, tussen dans en theater, enz. Voor catalogisamenstellers een nachtmerrie. Want van wie is nu Ali, de 1001 nachtmerrie, van Pourveur, Walraff of Bervoets? De index laat het in het midden. Is Theater Teater een professioneel of amateurgezelschap? Semi-prof zeggen ze zelf, maar in het jaarboek staan ze niet. Ciaccona heeft volgens de bijgevoegde subsidielijsten 200.000 fr. van de overheid gekregen, maar of ze er theater mee gemaakt hebben? Initiatief kreeg 150.000 fr., maar geen spoor van een initiatief in het jaarboek te vinden. Wat is Dans-Bizzard-Edegem, goed voor een half miljoen? Daarentegen worden veel produkties vermeld van gezelschappen die in de subsidielijsten niet voorkomen. Het theaterjaarboek brengt dus het theaterleven en alle verschuivingen daarin in kaart, maar roept ook vragen op: over het theatergeld, de verantwoording ervan, de professionele afbakening…

De editie van 86-87 verschilt van de vorige uitgave in de afwezigheid van het poppentheater, maar voor de rest vindt men er de vertrouwde gegevens, repertoirelijsten en (erg donker afgedrukte) foto’s. Het overzicht van de subsidiebesteding is handig en volledig: het omvat zowel de decreetgelden, de muziek- en danstheatertoelagen als de projectsubsidie. Onvolledig daarentegen is de redactionele commentaar die zich beperkt tot lofteksten over de Studio die veertig jaar bestaat, over de KNS-menopauze, over Béjartdie naar Lausanne verdween; en tot een persoonlijke en genuanceerde visie op de ‘Vlaamse golf’.

Het Theaterjaarboek raakt dus niet los van zijn instrumentele aard. Misschien kan de geautomatiseerde verwerking in de toekomst ook alle namen (ook acteurs) in de index aan en kan de ontkoppeling van auteurs- en titelindex voor een soepeler toegankelijkheid van het jaarboek instaan. Het zou de gebruiksvriendelijkheid van dit onmisbare werkinstrument nog verhogen.

Voor wie het Franstalige theater een onbekende is, kan de Annuaire du spectacle de la communauté française beperkt soelaas bieden. De galerij van namen (titels, auteurs, theatermakers), portretten, foto’s, houdt een indrukwekkend défilé, verbeeldt de zelfpresentatie, vraagt af en toe naar deelname. Het is een glanzende gids waarin enkele materiële sporen van het voorbije seizoen zijn samengebracht: genoeg voor wie het allemaal meegemaakt heeft (maar wie kan dat nog, meer dan 100 groepen en projectgroepen — nog zonder de erg bedrijvige jeugdsector gerekend — blijven volgen?), of voor wie enkel het panorama van het vreemde landschap interesseert. Te weinig toch voor wie zich in het theatergewoel wil wagen, voor wie er niet bij was en het wil leren kennen, voor wie fossielen niets zeggen. Nooit genoeg voor die momenten die je niet had mogen missen, en waarvan enkel de foto rest als verlangen naar het afwezige.

Theater is de kunst van het geheugen. En theaterjaarboeken zijn het geheugen van de kunst. Of beter, ze zijn een index op het geheugen, ze vormen een repertorium voor de theatertaal van een gemeenschap: lijsten van lemma’s waarachter zich een scenisch leven verbergt. Die taal, dat leven verschillen natuurlijk van leven en welzijn in Vlaams theaterland. Hóe anders kom je echter niet te weten. Ook in het Franstalige jaarboek ontbreekt de kroniek, het getuigeverslag, de synthese van en visie op de specificiteit van een theaterseizoen, op het proces van de taalontwikkeling. Pas in het samenbrengen van de objectieve listings met subjectieve getuigenissen en standpunten, krijgt een seizoen vorm, maak je het geheugen wakker, breng je het materiaal tot spreken. Nu beperkt men zich tot een gouden gids, waarbij enkel de foto’s, prettig gelay-out door ex-Etcetera Stefan Loeckx, doen vergeten dat je een register doorkijkt.

Het register is zoals gebruikelijk geordend volgens de subsidiestelsels waaronder de verschillende gezelschappen ressorteren. In de Franstalige sector is er geen theaterdecreet, wel verschillende stelsels die de subsidie regelen. Het Théâtre National vormt een aparte categorie en krijgt ongeveer één vijfde van alle toneelsubsidie. De Théâtres Conventionnés zijn per conventie aan de geldgevers gebonden: die conventies gelden voor vier jaar en worden, behalve bij slechte prestaties, normaal verlengd; de details van de conventies liggen per gezelschap anders. In deze categorie zijn eerder klassieke gezelschappen opgenomen (o.a. Galeries, Parc, Rideau, NTB) naast vernieuwende groepen en receptieve instellingen (Théâtre 140, Plan K, Théâtre de la Place, ETM, e.a.). Gezelschappen die onder het stelsel Théâtres Subventionnés opereren, krijgen geen verplichtingen opgelegd en dienen jaarlijks een subsidiehernieuwing aan te vragen. Balsamine, Groupov, Impopulaire, Varia, zijn enkele meer bekende groepen van de 24 die onder deze subsidierubriek vallen. Over hun lot en dat van de vorige categorie wordt beslist door een raad van advies bestaande uit theatermakers, critici, deskundigen, auteurs, en theaterspreiders (geen directeurs; vergelijk met onze raad-der-directeurs-van-advies). Het Jeune Théâtre wordt betoelaagd uit een soort projectenpot die, in vergelijking met de onze, beter gespijsd is, en waarop een ander adviesorgaan toeziet (voor 51 projectgroepen). Het Théâtre-Action verenigt acht vormingstheatergroepen. Het jeugdtheater ten slotte wordt wel, gedeeltelijk, per decreet betoelaagd en beregeld, hier gelden contracten van drie jaar, en beraadt nog een ander advieslichaam zich over de toekenning en verdeling van de geldelijke middelen.

Als je de subsidieregels van de Franstalige sector vergelijkt met die van de Vlaamse gemeenschap vallen een aantal verschilpunten op: de contractuele termijnen zijn langer, wat een planning op lange termijn toelaat, een verminderde onzekerheid en minder administratief werk en politiek gelobby met zich meebrengt. De contracten zijn soepeler en beter aangepast aan de specificiteit van elk gezelschap. De adviesorganen lijken meer gespecialiseerd en evenwichtiger. Maar het meest markante verschil is uiteraard de betere subsidiëring van de Franstalige theatersector: de Vlaamse Gemeenschap heeft 520 miljoen over voor theater, de Franstalige Gemeenschap 593,4 miljoen (cijfers voor ’88, met dank aan E. Baeten en M. Jaumain). Per hoofd van de bevolking moet dit verschil nog aanzienlijker zijn.

De vorige jaarboeken lieten toe de huishoudboekjes van de meeste gezelschappen door te nemen. Dit kan niet met de huidige editie: het jaarboek stopt met de zeer korte lijst van uitgegeven stukken. Jaumains sociaal-economische doorlichting van de sector (‘Activité, audience, flux économiques’) waar je reikhalzend naar uitkeek, ontbreekt: de inleider meldt laconiek dat “les Ateliers des Arts ont été contraints de cesser leurs activités”, maar stelt hervatting van de financiële analyses in het vooruitzicht via het ‘Centre d’information et de recherches sur l’économie de la Culture et de la communication’. Hopelijk wordt het verloren jaar nog ingehaald. De continuïteit in het cijfermateriaal, in het verloop van de publiekscurve, in de subsidiepolitiek t.o.v. de sector, in de balans van subsidie en eigen inkomsten, in de distributie van toneel, enz. is even belangrijk als de openbaarheid van het beheer van alle gezelschappen en van de bestemming van de gelden. Deze annuaire zet dus een stap terug t.o.v. de vorige edities, blijft natuurlijk als resultaat mooi en belangrijk, maar doet ook verlangen: naar theater dat men gemist heeft, naar uitgeefformules die zowel het economische als artistieke leven van een seizoen in kaart brengen.

T. Brouwers, J. Van Schoor (red.), Vlaams theaterjaarboek 1986-1987, De Scène, Antwerpen, 1988.

Annuaire du spectacle de la Communauté Française de Belgique 1986-1987, Ed. Traces, Bruxelles, 1988.

Twintig jaar Globe

De rechtspraak kiest opmerkelijk de kant van de toneelmakers. Eerder dit jaar was er al het opvallend verdict t.v.v. de Toneelschuur in de zaak die aangespannen werd door Beckett: de rechter oordeelde dat Wachten op Godot gerust door vrouwen kon gespeeld worden, Beckett had zich maar via het auteursrecht beter moeten indekken. De Raad van State van zijn kant vernietigde het besluit van de minister van Cultuur om de subsidiëring van Globe te beëindigen: in strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur, vond de rechtbank. Of het toneelleven er in beide gevallen beter van wordt, valt nog te bezien.

Het afscheidsboek dat Globe naar het graf moest uitwuiven, was echter al klaar, de grafredes voor de schijndode gehouden: men spreekt van verraad, dictaten, schending van afspraken, en moord. De subsidiënt wordt aangewezen als cultureel misdadiger, en moet nu opdraaien voor de begrafeniskosten: Globe kan nog even blijven en zal een cohabitation moeten vinden met de intussen opgerichte Zuidelijke Toneelvoorziening o.l.v. de Vlaming Eric Antonis.

Toch is Twintig jaar Globe geen officieel bijzetboek: lijkbiddersneutraliteit en lijkpikkersmentaliteit blijven gelukkig afwezig. Het boek tracht een overzicht te geven van een turbulent leven: de moeilijkheden bij de identiteitsbepaling van het gezelschap, problemen met de regionale of landelijke status, de daaruit resulterende wrijvingen met regionale subsidiënten, de wisselende (zo om de zeven jaar) artistieke leidingen, de botsingen tussen artistieke ambities en zakelijke plannen. De teksten, interviews, intentieverklaringen, die hier samengebracht worden laten een zoekend gezelschap zien dat eventjes (periode Rijnders) aan de top van het Nederlandse toneel vertoeft en dan, even later, weer vervalt in brave traditie. De plooien die daarvoor dienden gladgestreken te worden, lees je tussen de regels. Bovenal is het immers een prachtig kijkboek, een fraai bladerboek, een accuraat repertorieel boek, dat de echte verdiensten van Globe, haar gevecht met de traditie, het repertoire, het uitzoeken van een nieuw publiek, een andere speelstijl… niet kan vatten. Enkel de foto’s vertellen dat met North Atlantic, Drie Zusters, Troilus en Cressida, De Hamletmachine, enz. iets geforceerd werd in het Nederlandse theater, terwijl Die Fledermaus (laatste foto) van vorige eeuw lijkt in een ander land.

Het boek is ingedeeld volgens de verschillende artistieke periodes, telkens voorzien van repertoire-overzichten en commentaar (vers of oud) van de betrokken artistieke leiders. Daaromheen hebben de bestuursleden en zakelijk leiders het woord: zij geven vooral inkijk op het subsidieleed en de inmenging van de regionale schouwburgen op repertoire- en artistiek beleid. Onbewust waarschijnlijk, geeft de omkadering van dit boek precies aan waar het fundamentele probleem, de echte crisis van Globe ligt: de artistieke vrijheid die moet opboksen tegen een om zich heen grijpend management.

F. Bloemkolk (red.), 20 jaar Globe, Eindhoven, Zuidelijk Toneel Globe, 1988.

Mickery Pictorial. A Photographic History

Tweeëntwintg jaar schreef Mickery theatergeschiedenis, was het de plaats voor wie het theateravontuur wilde meemaken. Mickery trok de theateravantgarde van een goed stuk wereld aan, kwam ook zelf in de theatermarkt tussen, en bleef de vernieuwing voor door steeds vragen te stellen aan zichzelf, aan de toeschouwers, aan het theater in dit tijdsgewricht.

Van deze onderneming is nu een geweldig boek gemaakt met een fotografische neerslag van het werk van 22 jaar. Bij het doorbladeren ervan overvalt me verbazing om het indrukwekkend défilé van namen, de staalkaart van de theateravant-garde, de compilatie van theatergeschiedenis. Treurnis ter wille van de verleden tijd die altijd in fotoboeken hangt, en die botst met de Mickery-betekenis: de plaats waar de toekomst van het theater voorbereid wordt. Kwaadheid omdat Mickery niet de middelen krijgt om de werkplaats uit te bouwen.

Mickery is Ten Cate. En Ten Cate zwijgt in dit boek. Hij die anders zo veel tussenkomt, vragen stelt, critici pareert, tot denken verzet, met zijn publiek via tijdschriften, bladen, programma’s in dialoog wil treden, laat hier in dit gedenkboek de produkties spreken. Janny Donker doet de voorwoorddienst. Ze schetst kort, krachtig en helder het verloop van de geschiedenis: van Mickery en van haar context, van de avant-garde en het establishment, van de klare lijn naar de complexe verwarring. En stelt een toekomst voor waarin Mickery zichzelf onthuisd en op groter schaal gaat werken.

De foto’s. Theaterfoto’s, zegt Donker, doen ons schrikken: “Was this really what was done, then and there? Surely I must have missed this moment? Was this what I got so excited about? Inexorably, mechanically, the camera has lifted a single moment out of the context which alone determined its significance. A single gesture, executed in one specific niche of the space-time continuüm, has been left to fossilize on paper as its original meaning evaporated with time.”

Foto’s gaan hun eigen leven leiden. De indrukwekkende beeldenroute bakent zelf een weg af. Toch is er, in subjectieve lectuur, iets van het proces reconstrueerbaar, de ontwikkeling afleesbaar. Bij de aanvang is er het lichaam. In close up legt de fotograaf de lichamelijke staat vast: lijven die zich plooien en kronkelen, vaak geweld suggereren, fysiek contact zoeken; monden die schreeuwen: gezichten, grimassen en maskers vertonen een exuberante expressiviteit. Van het decor merk je nauwelijks iets, af en toe blote vloeren, concreet materiaal (hout, stenen, vuur, teiltjes water). Meest voorkomende attributen zijn koorden, kettingen, jukken en kooien waarmee de iconografie van de eerste helft van dit boek zich vult: gevangenschap, foltering en vrijheid lijken de hoofdmotieven. Toch is niet alles arm theater: naast het elementaire, het naakte lichaam, het blote hout, zie je ook elementen van kitsch en camp, hoor je veel muziek.

Langzamerhand neemt de fotograaf meer afstand t.o.v. zijn object. De ruimte in de foto’s wordt groter, het accent valt minder exclusief op de lichamen, op sommige foto’s blijft de mens uit beeld. De expressiviteit wordt ingetoomd, het lijkt allemaal gestileerder, de vormgeving zet op: het theater ontdekt en verovert zijn middelen. Het levert een galerij op van erg suggestieve beelden, haast plastisch materiaal, waarin het belang van de scenografie en belichting zich laat voelen. De ruimte wordt verkend, vergroot, verdubbeld, versplinterd. Het theater zet zich in beweging, trekt in andere ruimtes, dynamiseert de toeschouwer. Meer en meer lijken op de Mickeryfoto’s verschillende kunstvormen samen te komen en worden andere media in het beeld betrokken. De mogelijkheden zijn nu onmetelijk en de verschillen aanzienlijk. Alle soorten coördinaten, stijlen, materialen, middelen komen ter beschikking en geven zicht op een landschap-in-beweging, een theater-in-ex-pansie, waartoe zowel discussies, geënsceneerde debatten, media-events kunnen behoren. Dit mondt uit in de chaotische theaterpraktijk van vandaag waarin grenzen tussen klein en groot, avant-garde en traditie, experiment en vernieuwing, nog moeilijk localiseerbaar zijn. Is dit een teken van crisis of van onbekende bloei? Mickery (o.a.) zal het zeggen.

Mickery 1965-1987. A Photographic History. International Théâtre Books-hop, Amsterdam, 1988.

TTW 23

Het Tijdschrift voor Theaterwetenschap gaat dit keer themaloos. Nummer 23 brengt de film noir, Marlowes erotische stukken en middeleeuwse sotternieën samen.

Cahiers théâtre Louvain

recenseert de 514 boeken die op de redactie toegekomen zijn. Bibliografische nota’s en korte inhoudsbeschrijvingen geven een overzicht van het boekbestand.

Harald Muller

Het successtuk Totenfloss dat in één seizoen in 34 Duitse versies gespeeld werd, is nu ook in het Frans vertaald als Le radeau des morts. Collections Théâtrales, Edilig, Paris, 1988.

artikel
Leestijd 9 — 12 minuten

#23

15.09.1988

14.12.1988

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.  

artikel