‘Poets Without Pockets’, Betontnac / Diego Andrés Gómez

Leestijd 5 — 8 minuten

Ervaringen uit de schuilkelder

De liefdevolle, liefdeloze dans van Betontanc

De Sloveense groep Betontanc maakte een dansvoorstelling in een onderaardse gang. Of hoe de werkelijkheid sporen nalaat in de lichamen van de dansers. Johan Reyniers bericht.

Een bedenking bij een foto van de voorstelling Poets without Pockets. Foto’s leggen momenten vast, maar in hoeverre spreken zij over de context daarvan? Veel van het omringende is afwezig. Zelfs al zijn er figuren op de achtergrond, naderen zij dan of verdwijnen ze? Wat is aan het bevroren moment voorafgegaan? Wat zal erop volgen?

Diego Andrés Gomez maakte foto’s voor het jonge Sloveense gezelschap Betontanc. Dansers halverwege een sprong, dansers alleen en dansers in interaktie, kortom de gangbare foto’s die een beeld van een voorstelling geven, die de klankkleur definiëren. Eén foto springt eruit, omdat hij dat niet doet. Een meisje en een jongen, beiden op hun rug, zij bovenop hem. Hij omknelt haar polsen. Wie de voorstelling niet gezien heeft, zal liefde, aan overgave denken. Wie is gaan kijken, weet beter.

Deze foto wil vast wel spreken over liefde, maar ook – en vooral zelfs – over de achterkant ervan. Vooraleer het paar in deze houding is aanbeland, heeft de jongen een tijdlang vruchteloos geprobeerd om het meisje plat op haar rug te krijgen. Tot het uiterste ging zij om toch maar op haar buik te kunnen liggen, om zich te beschermen. De jongen kon haar slechts overmeesteren door zijn lichaam onder het hare te manoeuvreren en haar handen als boeien te omklemmen. De foto toont twee mensen in een vredig en liefdevol moment, uitgeput door de minne, maar dat is slechts schijn. Aan dit moment is een gevecht voorafgegaan.

Ondergedoken

De jonge regisseur Matjaz Pograjc – opgeleid als informaticus maar later tot het theater bekeerd – leidt zijn toeschouwers binnen in een wereld die we dagelijks op televisie zien: die van de schuilkelder. Hij kan dat doen door zijn inventiviteit op een klassieke theaterscène tentoon te spreiden en de illusie zo goed mogelijk hoog te houden – maar dan blijft het televisie. Dat is hem niet voldoende. Pograjc opteert voor een bewust andere locatie: oorspronkelijk, in Slovenië, was dat een onderaardse gang in een schooltje, met vloeren van beton. De vier Vlaamse theaters die Poets without Pockets in januari toonden, moesten daar elk een oplossing voor bedenken. In de Gentse Vooruit gaf “een gang die betere tijden gekend heeft”, vlak naast de Konsertzaal, een prima resultaat. Lang, smal en zonder licht van buitenaf, met vale kleuren en blootliggende electrische leidingen, bood de ruimte plaats voor slechts een vijftigtal mensen, die aan één kant tot aan het (lage) plafond opeengepakt werden. De enkele deuren die aan de Konsertzaal palen, waarlangs de dansers op en af gingen, deden geen afbreuk aan het claustrofobische gevoel dat zich allengs, traag en sluipend zoals dat bij ondergedokenen gaat, van de toeschouwers meester maakte.

Een echte schuilkelderervaring dus, want door het gebruik van precies zo’n ruimte gaat het niet op om te zeggen dat slechts vijf mensen, met name de dansers, zich in dat schuitje bevinden. Het zijn er vijfenvijftig, en ze hebben allen last van de warmte, van vocht, ze hebben allen gebrek aan lucht en alle ogen knipperen bij het turen in erbarmelijk, kunstmatig licht. De veiligheid kan hier niet optimaal zijn. Wat als er brand uitbreekt? – Er is geen tijd meer voor zulke vragen als het openingsbeeld pardoes als een intentieverklaring werkt. Een grote steen, die blijkbaar een obstakel vormt, wordt met een zware hamer aan stukken geslagen. De brokken worden keurig opgeruimd, de hindernis lijkt er nooit te zijn geweest.

Verkrachte geliefden

In deze al te kleine, wurgende omgeving zijn de drie meisjes en de twee jongens niet erg op elkaars aanwezigheid gesteld. Niet alleen de toeschouwer wordt regelmatig in het ootje genomen, ook de vijf zetten elkaar met een sardonisch genoegen voortdurend op het verkeerde been. In dit eerste deel van het stuk is het doel macht en controle over elkaar, het middel agressie. De jongens dragen een arm in een verband, en hun gedeeltelijk uit camouflagemateriaal vervaardigde kledij laat geen twijfel bestaan over hun bedoelingen. Als er een stoel opduikt, moet daar meteen om gevochten worden. Met nog drie stoelen erbij zorgt dat voor een snel en precies uitgevoerde choreografie van springen smijtwerk, aan Wim Vandekeybus herinnerend maar tegelijk veel ruwer, minder gestileerd, minder abstract, en meer in een sociale context geplaatst. Daar zorgt niet enkel het decor voor, want hoewel de vijf geen echte personages zijn, vertonen zij toch trekken van zelfstandige individuen: op de gezichten lees je woede en teleurstelling, triomf en wanhoop.

Ook liefde is een vorm van onderwerping. Als de in de weg lopende meisjes door de jongens worden weggebracht heeft dat iets ruws, en tegelijk iets teders, als betrof het een omhelzing. Als ze voor dood neerliggen en worden opgeraapt, dan zijn ze verongelukte collega’s (in de mijn), gedode kameraden (in de oorlog), gewonde of verkrachte geliefden, maar ook en net zo goed overwonnenen, wezenloze slachtoffers die de strijd om de ruimte hebben verloren.

Elke relatie is gedoemd hier te mislukken. Een flirt leidt tot een zoenpoging, maar elke keer als de jongen toenadering zoekt, wendt het meisje het hoofd af. Op een ander moment nemen twee geliefden elkaar in de armen, maar meteen daarna slaat de jongen het meisje ruw van zich af. Zij gilt, krijgt later een stoel aangeboden maar reageert weigerachtig. Alle vertrouwen is zoek en als er dan toch, voor even, twee paartjes kunnen worden gevormd, dan maakt de aanwezigheid van een derde meisje, dus een vijfde wiel aan de wagen, dat er altijd onenigheid blijft bestaan. Daarom kent dit stuk geen crescendo, maar een eindeloos doorgaan. Nu eens wint de ene, dan weer de andere.

Commandostijl

Zoals de meisjes de jongens afweren tot de verveling toeslaat en er onverschilligheid kan volgen, zoals de jongens blijven proberen de meisjes te strikken, te verplaatsen, tot zij oververmoeid zijn en toegeven, zo bindt het opeens zeer solidaire jonge volkje met vereende krachten de strijd tegen een indringer aan.

Een man in zwart pak is vanachter de stoelen opgedoken. Hij komt naar voren, tot bij het publiek, en steekt van wal met zijn verhaal. Nauwelijks later wordt hij in ware commandostijl langs achteren aangepakt en opgebracht. Hij keert terug, maar voortdurend volgen er aanslagen om hem weg te krijgen. De wand met stoelen wordt tegen hem aangegooid, de meisjes springen tegen hem op om hem uit te putten, om hem het spreken te beletten. In het smalle gangetje gaan de jongeren dwars en languit liggen om de weg te versperren. Als hij wil gaan zitten, wordt zijn stoel verborgen en doorgegeven. Tot die hem opeens en allervriendelijkst wordt aangeboden. Geven zij toe, komt er vrede? Men helpt hem zelfs zijn jas aantrekken voor hij zitten gaat – maar ook hij wordt op het verkeerde been gezet. De achterpoten zitten los, de stoel klikt naar achteren, de man ligt verslagen en roerloos neer. Door de jongens wordt hij tegen de opnieuw opgebouwde stoelenconstructie aangetrapt, waaronder hij bedolven wordt.

Pograjc heeft met Poets without Pockets een stuk gemaakt dat evident naar de oorlog in ex-Joegoslavië verwijst, naar toestanden die zich voordoen in tijden van nood, van angst en overbevolking. Homo homini lupus, list en verraad zijn van alle tijden, xenofoob zijn wij allemaal. Gezworen rivalen slaan de handen in elkaar om het nieuwe, het onbekende meedogenloos uit te schakelen.

De Ljubljaanse theaterdirecteur Emil Hrvatin schrijft dat het optreden van de vijf “geen voorstelling is van een realiteit buiten het stuk. Als er problemen opduiken, zijn het die van het moment; er steekt niets achter -wat we meemaken is pure aanwezigheid.” Dat klopt maar tot op zekere hoogte. Wat op straat gebeurt is inderdaad niet expliciet op scène aanwezig, maar het schemert er wel sterk doorheen. Pograjc heeft kennelijk over zijn tijd nagedacht en dat heeft onmiskenbare sporen nagelaten. Er zitten vele verschillende stemmen in zijn werk. Ze maken allen veel kabaal, maar vandaag is het toch bijzonder moeilijk om, van micro- naar macroniveau, in de gevechtstechnieken van de jongens niet de guerrilla van Bosnië te horen. In een ander stuk van Betontanc, Romeo and Juliet, rijdt een jongen rond met een grasmaaier waar de meisjes overheen moeten springen. Een foute timing kan fataal zijn. Precies op die manier ‘speelt’ men de secondenoorlog in de Golf, in deze tijd van computers en snelle beelden, van mensen en montages die liegen en bedriegen, van veelheid die duizelig maakt, van afstomping, van foto’s die getuigen, altijd van nét iets anders dan datgene wat je denkt.

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#41

15.04.1993

14.07.1993

Johan Reyniers

Johan Reyniers is schrijver en dramaturg. Hij was de directeur van de Leuvense organisatie voor hedendaagse dans Klapstuk (1993-1998) en artistiek directeur van het Kaaitheater (1998-2008). In 2008 werd hij hoofdredacteur van Etcetera. Sinds 2014 is hij hoofddramaturg bij Toneelgroep Amsterdam.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!