© Felix Baele

Leestijd 7 — 10 minuten

Een trek kan dansen, een spot kan ook een zon zijn

Wat de schouwburg ons kan leren over de wereld rondom ons

Is de klassieke schouwburg nog wel de geschikte plek om de verhalen van onze tijd vorm te geven? Ja, zeggen Bosse Provoost en Ezra Veldhuis, op voorwaarde dat we het apparaat van de schouwburg niet als gegeven beschouwen, maar het zelf in handen nemen en transformeren. In deze artistieke reflectie op de geschiedenis van theaters en toeschouwerschap houden ze een pleidooi voor de schouwburgzaal als site voor een ecosystemisch experiment.

Het theater als apparaat

Het centrale uitgangspunt van een theaterzaal is beheersbaarheid: de meeste zalen laten een maximum aan duisternis en stilte toe, de temperatuur en luchtcirculatie kunnen liefst worden gecontroleerd. Die leegte kan naar believen worden ingevuld met eigen licht en geluid. Een theaterzaal is voorzien van een technisch ‘apparaat’: lampen, zwarte doeken, luidsprekers, netwerken van kabels, trekken, trussen en eventueel zelfs rook-, sneeuw- of windmachines. Dat alles stelt de maker in staat om fictie en wereld te genereren.

Dat zulke stukjes getemde ruimte leeg zijn, wil nog niet zeggen dat ze neutraal zijn en dat er eender wat kan ontstaan. Het grootste deel van de presentatie en productie van westerse podiumkunst wordt, sinds haar professionalisering in de achttiende eeuw, in sterke mate zelfs bepaald door het ‘apparaat’ van het theater. Denk maar aan de fundamentele impact die het alomtegenwoordige en voor de acteurs verblindende voetlicht had op de speelstijl en de relatie van de acteur tot de toeschouwers.  

Het woord ‘apparaat’ verwijst naar de technische en materiële onderbouw van iedere verbeelding die in een theaterzaal tot stand komt. De term is tegelijkertijd synoniem voor ‘dispositief’. Filosoof Giorgio Agamben definieerde het dispositief als ‘letterlijk alles wat op een of andere manier het vermogen heeft om de gestes, gedragingen, meningen of het discours van levende wezens vast te leggen, te oriënteren, te bepalen, te onderscheppen, te modelleren, te controleren of veilig te stellen’. (2009, 14)

Ook alle conventies van een theaterbezoek en de onbewuste aannames en verwachtingen van toeschouwers die de setting van het theater oproept, maken deel uit van dat apparaat of dispositief. Zo verwacht de bezoeker bijvoorbeeld een fictieve, gespiegelde wereld op de scène te zien, of is er de aanname dat een plotse black-out het einde van de voorstelling markeert. Het apparaat ‘theater’ bepaalt verregaand wat ons toeschouwerschap betekent – deels ook los van wat een maker met een voorstelling probeert over te brengen. 

Het is belangrijk te benadrukken dat het dispositief van het theater geen statisch en onveranderlijk gegeven is. Door de werking van het apparaat onder de loep te nemen en te thematiseren, ontstaat de mogelijkheid om het theater te transformeren.

Prikkelarmoede

Een zaal is meer dan een leegte die we opvullen met voorstellingen, en theatertechniek is veel meer dan een verpakking of finishing touch. Ze reguleert onze aandacht en is ideologisch. Als we het theater willen transformeren, moeten zalen hun technische apparaat vaker ontsluiten voor kunstenaars die er actief mee aan de slag gaan. Daar ligt ook een kans om meer te experimenteren met de werkrelaties tussen theatertechnici en podiumkunstenaars. Een trek kan meer dan hijsen, hij kan ook dansen. Een spot kan meer dan belichten, ze kan ook een zon zijn.

“Als we het theater willen transformeren, moeten zalen hun technische apparaat vaker ontsluiten voor kunstenaars. Daar ligt ook een kans om te experimenteren met de werkrelaties tussen technici en kunstenaars.”

Een theater is een specifieke site, waar in situ kan worden gewerkt. In-situprojecten ontlenen meestal hun vitaliteit aan de openheid van de makers om te kijken naar wat een plek zelf te vertellen heeft, of zou kunnen zijn. Ook de theaterzaal is een plek die we, in plaats van haar enkel te gebruiken, nieuwsgieriger kunnen benaderen.

Wat wij zo bijzonder vinden aan de theaterzaal, is de prikkelarmoede binnenin, die sterk contrasteert met de onbeteugelde aanwezigheid van tekens buiten die ruimte, of zelfs op de toestellen in onze broekzak. De theaterzaal is een van de weinige plekken waar op een fundamentele manier kan worden geëxperimenteerd met aandachtsregimes. Door van begin tot einde mee te maken hoe een kartonnen decor door een artificiële regen tot pulp wordt herleid (denk maar aan Blessed van Meg Stuart of Maison Mère van Phia Ménard), kunnen we ons bewust worden van processen die in onze dagelijkse omgang met de wereld al te vaak onopgemerkt blijven.

De kracht om aandacht af te dwingen en een andere waarneming op te roepen, is een eigenschap die de meeste theaterzalen met elkaar delen. Maar sommige tonen zich ook op andere manieren weerbarstig.

© Felix Baele

De schouwburg als ecosysteem

Klassieke schouwburgen, vaak gebouwd in barokke of neoclassicistische stijl, stellen specifieke uitdagingen. Ze zijn immers ontwikkeld in een tijd waarin heel andere mens- en wereldbeelden heersten. In de constructie van een schouwburg zoals de Bourla in Antwerpen is een sterke kijkhiërarchie aanwezig. Het is een kijkdoos waarin het technische apparaat zo goed mogelijk verstopt zit achter een vergulde lijst, en onze aandacht naar een centraal punt wordt gezogen.

De schouwburg is een plek waar de mens traditioneel zichzelf viert als middelpunt der dingen. In het archetypische scènebeeld van een burgerlijk negentiende-eeuws toneelstuk staan enkele mensen in het voetlicht zich het hoofd te breken over een of ander relatieprobleem. Op de achtergrond zien we de geschilderde voorkant van een bergketen. Bevinden we ons in het pre-Wagneriaanse deel van de negentiende eeuw, dan is de kans bovendien groot dat de lichten in het auditorium niet zijn gedimd. Zo kunnen de toeschouwers bovenal elkaar eens goed bekijken – de zichtlijnen van de koninklijke loges zijn gruwelijk slecht, maar iedereen heeft je er gezien. 

Lampen, speakers, zoemende machines, de nooduitgangsignalisatie: we blokken ze automatisch af omdat ze het narratief verstoren. Past zo’n afgebakend aandachtsregime wel bij onze tijd?”

Het is dus interessant om net de schouwburgzaal te beschouwen als een plek waar we onze aandacht kunnen oefenen voor dingen die we vaak al bij voorbaat veronachtzamen. Dat doen we zonder erbij na te denken, bijvoorbeeld omdat het elementen zijn waarvan we automatisch veronderstellen dat ze geen ‘betekenaars’ zijn. Lampen, speakers, de trek waar een zwarte afstopping aan hangt, de zendermicrofoon op de wang van een performer: ze nemen niet deel aan de enscenering, maar ondersteunen ze. Ongewenste bij- of restproducten – het gezoem van allerlei machines, de nooduitgangsignalisatie – blokken we automatisch af omdat ze het narratief dat ons wordt voorgeschoteld alleen maar verstoren.

Past zo’n helder afgebakend aandachtsregime wel bij onze tijd? In een schouwburg komen we, zonder het te willen, steeds opnieuw terecht in een archetypische vorm van toeschouwerschap, die bijzonder veel gelijkenissen vertoont met de vaak problematische verhouding van de mens tot zijn omgeving.

Het is duidelijk geworden hoe beperkt ons besef is van de talloze schakels, netwerken en verbindingen waaruit onze wereld is opgebouwd. Wellicht moeten we nieuwsgieriger zijn naar alles wat we doorgaans niet opmerken, of zelfs ronduit negeren omdat het niet past in ons wereldbeeld. 

Wie ervoor openstaat, wordt dagelijks attent gemaakt op onvermoede menselijke en niet-menselijke processen, aanwezigheden of krachten die het gevolg zijn van ecologische mutatie. Maar hoe ver springen we met deze informatie? Vanaf welk moment worden (althans initieel) cerebrale inzichten voldoende doorleefd om fundamenteel iets te veranderen in de manier waarop we onszelf metafysisch wortelen in de wereld?

Het theater kan een plek zijn waar we niet alleen worden geïnformeerd over de mate waarin de wereld  vreemder en onoverzichtelijker is dan we dachten, maar waar we ook op een affectieve manier kunnen worden aangesproken op wat we wel en niet opmerken.

© Felix Baele

Area X

Een muterende wereld vraagt om een muterend theaterapparaat. 

Onze aanwezigheid als makers en toeschouwers in het ecosysteem van een zaal bevragen – en wie weet zelfs heruitvinden – is een concrete manier om het oude onderscheid tussen actief (de mens) en passief (de niet-menselijke wereld) te ontmaskeren. Wat we als mensen pas beginnen te ontdekken, is dat het niet de wereld is die zwijgt. Het zijn wijzelf die er vaak niet in slagen om te kijken en luisteren naar de manier waarop de wereld ‘antwoordt’.

“Wat we als mensen pas beginnen te ontdekken, is dat het niet de wereld is die zwijgt. Het zijn wijzelf die er vaak niet in slagen om te kijken en luisteren.”

Als we hem opnieuw willen leren lezen, doen we dat beter niet door de wereld om ons heen te vermenselijken (door de zaal te disneyficeren naar analogie met pakweg Belle en het Beest), maar wel door onszelf te confronteren met alles wat ons fundamenteel vreemd is. Het is net de twijfel over wat ‘bezieling’ of agency inhoudt en hoe ver zich die kan uitstrekken, die onze eigen dominante positie doet wankelen.

De biotechnische omgevingen in de Southern Reach-trilogie van ecofictieschrijver Jeff VanderMeer verbeelden zinnenprikkelend de manier waarop een schouwburgzaal opnieuw tot leven zou kunnen komen. In het mysterieuze Area X lijken alle mogelijke levensvormen, maar ook gebouwen, machines en de taal zelf onderhevig aan een onbekende kracht die alles herkauwt en afgebakende grenzen afbreekt tussen biologie en technologie, kunstmatigheid en natuur. Het individu brokkelt af en vervloeit met wat erbuiten ligt. Het apparaat van een schouwburgzaal leent zich perfect tot de enscenering van zo’n technische biosfeer, een mysterieuze omgeving waarvan de spelregels buiten ons bereik blijven en het toeschouwerschap een blijvende zoektocht is.

“Wat we in een schouwburg kunnen ontdekken kent grenzen, maar is betekenisvol omdat onze antropocentrische blik er zo sterk ondermijnd kan worden.”

De uitdaging om de plek van de mens in de wereld anders te bedenken en te beleven – een heuse metafysische ‘herworteling’ – is enorm. Wat we in een schouwburg kunnen ontdekken kent grenzen, maar is betekenisvol omdat onze antropocentrische blik er zo sterk ondermijnd kan worden. De mens als maat der dingen loslaten en ons openstellen voor het niet-menselijke is een vorm van ‘ontwereldlijking’, omdat in zekere zin het hele westerse denken berust op het geloof in de morele verhevenheid van de mens boven al het andere. Wanneer menselijke waarden ontmaskerd zijn als relatief, valt wellicht iedere vaste toetssteen van wat ‘werkelijk’ is weg – een behoorlijk beangstigende en desoriënterende vaststelling.Misschien sluit het bijna onmogelijke taoïstische streven naar een vorm van ‘ik-loosheid’ nog het dichtste aan bij een denken en een praktijk die de totale relativiteit van eender welk fundament omarmt. En misschien biedt ook de kwal ons enig perspectief. Een kwal begint haar levenscyclus ‘geworteld’ op de zeebodem als poliep, om dan los te komen en ongestuurd door de oceaan te dobberen. Maar de kwal behoudt de mogelijkheid om ergens anders op de zeebodem opnieuw neer te strijken (als poliep). Het terrestrische equivalent van de kwal is het door de western beroemd geworden tumbleweed. Beide komen, misschien niet toevallig, veelvuldig voor in verstoorde gebieden.

Wie in Area X terecht komt, beleeft zowel het afgrijzen en de existentiële angst om als individu op te lossen, als de sublieme extase van nieuwe gewaarwordingen en nieuwe verbindingen met wat hem omringt.

Wat als toeschouwers in een theaterzaal niet langer weten waar het drama zich in de ruimte precies aftekent, en ze er zich misschien wel middenin bevinden? Wat als trekken met lampen neerdalen uit ruimtes waarvan we niet wisten dat ze zich boven de scène bevonden, en de feedback van een zendermicrofoon nu eens naar een stem, dan weer naar een storm neigt? Misschien kunnen we in een hertekend theaterapparaat wel een ongemakkelijk en tijdelijk nieuw ‘wij’ beroeren, of kunnen we als kwallen voor een ogenblik ik-loos zweven, om buiten de zaal ergens anders neer te strijken.


Bronnenlijst

Agamben, G. (2009). What is an apparatus? And other essays. Stanford: Stanford University Press. 15). Choreographing Problems. Houndmills: Palgrave Macmillan.

De Martelaere, P. (2006), Taoïsme: de weg om niet te volgen. Amsterdam: Ambo|Anthos.

Elcott, N. M. (2016). Artificial Darkness, an Obscure History of Modern Art and Media. Chicago: The University of Chicago Press.

Sartwell, C. (2021) Humans Are Animals. Let’s Get Over It. New York: New York Times.

https://www.nytimes.com/2021/02/23/opinion/humans-animals-philosophy.html?action=click&module=Opinion&pgtype=Homepage

Southern Reach-trilogie:
VanderMeer, J. (2014) Annihilation. New York: Farrar, Straus and Giroux.
VanderMeer, J. (2014) Authority. New York: Farrar, Straus and Giroux.
VanderMeer, J. (2014) Acceptance. New York: Farrar, Straus and Giroux.

Van Droogenbroeck, M. (2020) De creaturen van H.P. Lovecraft en Jeff Vandermeer. Brussel: Rekto:Verso. https://www.rektoverso.be/artikel/de-creaturen-van-hp-lovecraft-en-jeff-vandermeer

Verschaffel, B. (1990). Rome: over theatraliteit. Mechelen: Vlees & Beton. https://www.dbnl.org/tekst/vers077figu01_01/vers077figu01_01_0002.php

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 7 — 10 minuten

#164

01.06.2021

02.09.2021

Bosse Provoost, Ezra Veldhuis

Bosse en Ezra werken sinds 2018 samen aan voorstellingen die het gebied tussen theater, performance en installatiekunst verkennen. Hun eerste voorstelling als duo is 'SUN-SET' (2020), een installatie-performance in en over de black box. Hun nieuwe voorstelling 'Indoor Weather' (september 2021) zal de schouwburg als muterende omgeving verbeelden.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!