Edelweiss

Alexander Meeus

Leestijd 4 — 7 minuten

Edelweiss – Alix Eynaudi

Ode aan de verbeelding

Edelweiss is één van die voorstellingen die je bij de lurven heeft zonder dat je hoeft te weten wat de precieze inzet ervan is. Denk aan het werk van Jonathan Burrows & Matteo Fargion of nog, Sara Manente. In hun geval is het de ijzeren consequentie waarmee ze schijnbaar absurde, zelfopgelegde parameters volgen – qua ritme, score of bewegingsmateriaal – die me als toeschouwer telkens weer meezuigt. Dat soort fascinatie beleef je wat mij betreft liefst zo puur mogelijk, zonder inleidende of dramaturgische brochuretekst, en ja, ook zonder recensie die je blik op voorhand stuurt. Omdat elke voorstelling toch recht heeft op context, wilde ik beginnen met een waarschuwing: lees deze recensie pas na de voorstelling. 

Edelweiss zelf surft echter moeiteloos over en door perspectieven heen. Dat wordt al duidelijk bij het binnenkomen in de zaal: rechts vooraan is een pentekening op papier opgehangen, kwetsbaar in de hoge ruimte. Het thema op de tekening doet pastoraal aan, achteraf reconstrueert mijn geheugen er een herinnering uit aan de huisvlijt van drie vrouwen. Zekerheid is er niet, daarvoor was de tekening te ver weg. Eenmaal de zaallichten gedoofd, duikt van achter een blauw fluwelen voorhangdoek, dat driekwart diep in black box van Kaaistudio’s hangt, geen vrouw op, wel performer Mark Lorimer, met ontblote bast en een katoenen doekje rond zijn nek. De afbeelding van de drie vrouwen heeft zich echter al vastgebeten in mijn verbeelding, want ook nu zijn mijn connotaties pastoraal: ik stel me hem aan de arbeid voor in het berglandschap waaraan de titel refereert, het Oostenrijk waar choreografe Alix Eynaudi vandaan komt.

Lorimer is de eerste van vier performers die in een onafgebroken reeks zullen verschijnen uit de verborgen ruimte achter het blauwe gordijn. Naast Lorimer zijn dat Alix Eynaudi, Cécile Tonizzo en Alice Chauchat. Ze komen en gaan: alleen, in duo, trio of kwartet, telkens in andere outfits. Ze doén dingen, zetten een  hele voorstelling lang allerlei acties in scène. Terwijl hun expressief register zich beperkt van robotachtig tot emotieloos en neutraal, zijn hun bewegingen op elk moment gefocust, uiterst zorgvuldig en kraakhelder uitgetekend. We krijgen een performance voorgeschoteld met doelgerichte mensen en schijnbaar functionele bewegingen. Toch zoekt dit viertal liefst precaire posities op —  met de wreef van hun voet als steunpunt, bijvoorbeeld, of rechtop balancerend op de bips van een liggende danser die onder de voeten van de eerste zijn achterwerk staccato samentrekt en ontspant.  Ook in hun omgeving ligt niets vast. Als twee performers elk een geluidsbox verleiden tot een wild dansje, wervelt de soundscape over het podium. En later zien we  het licht over de podiumvloer hollen, of als beeldende extensie aan een lichaam gehecht. Het is een onvastheid die zich uitbreidt tot in de zaal, bij uitbreiding tot in mijn hoofd.

Soms is er een zweem van herkenbaarheid: een vrouw op een stoel houdt met hoge armen een laken voor zich gespreid, een tweede komt ervoor staan, en volgt met haar vinger de schaduwranden van het verborgen lichaam. Maar we komen er nooit echt achter wat hun doelen zijn, of in welke wereld die zich situeren. Waarom herinneren de bewegingen van Lorimer in zijn vermeende berglandschap aan die van een robot? Wat heeft het gymnastische duet van Eynaudi en Tonizzo te maken met het beschilderd houtblok dat ze neerzetten, waarop een kleine jongen afgebeeld staat — of met de mondzoen die ze elkaar ondersteboven naast het object geven? Het houdt de aandacht vast, als in een raadspelletje. Dat was ook de ondertitel van de voorstelling bij de première in Tanzquartier Wien een maand eerder, a danced rebus, maar in Brussel wordt zelfs die sleutel niet weggegeven. Met elke nieuwe situatieschets worden we terugverwezen naar een kwetsbare, ontvankelijke positie van niet-weten.

Terwijl we tegelijk alles weten. Want elk van die onverklaarbaar utilitaire bewegingssequensen bevat een flits van verbeelding, een hart van schoonheid: de aanzet zit al in het patroon op de halsdoek van Lorimer dat een thema doorheen de voorstelling zal vormen. Het duikt regelmatig op in de vorm van een belichtingspatroon, op de vloer, of op een wand. Tenminste, zo denk ik het gezien te hebben. Er spreekt verbeelding uit de ambachtelijke, barokke borduursels op de – voor het overige minimalistische – kostuums van de dansers, uit de te gekke onthullende doorkijk in de soepjurk waarin Chauchat zich hult. Soms raakt de absurde humor een snaar, bijvoorbeeld in de scène waarin Eynaudi zich als een fallus in actie hecht aan het lichaam van Lorimer, terwijl die deadpan toekijkt hoe zijn mannelijke trots vrouwelijk blijkt (aan Lorimer is trouwens een komiek verloren gegaan). En altijd is er de virtuoze, inventieve ambachtelijkheid van de dansers die de aandacht aanscherpt voor wat zich vervolgens aandient. Zij surfen op de grenzen tussen binnen en buiten, samenballen en expansie, geven en nemen, leven en representatie, en dat alles in een verhoogde staat van bewustzijn, want: we kijken naar de kunst van dans.

Ambacht voedt kunst, kunst voedt ambacht, en samen voeden ze ons, zo zou je ook de scène kunnen lezen waarin Eynaudi een lang uitgesponnen ritueel uitvoert rond een bronzen beeldje van een reigerouder die zijn jong voedt — haar lichaam laat zich bekijken als een high-tech instrument dat ragfijne bewegingen uitvoert zoals in eeuwenoude tempeldans. Met veel egards onthaalt ze hier de basics van het leven in haar kunst: liefdevolle zorg en aandacht, levenskunst tout court. Tegelijk ruimt, naarmate de voorstelling vordert, individuele doelgerichtheid bij de performers alsmaar meer veld voor contact en fantasie — of is het mijn toeschouwerblik die gaat ontspannen?  In elk geval mogen we nu een glimp opvangen van de broeiplek achter het gordijn —  één voor één worden de vier panden ervan even omhoog geknoopt.  Aan het einde van de voorstelling mag de plek definitief open, in de vorm van een schrijn met relieken en attributen. Wat die precies voorstellen, en ter ere waarvan, dat mogen we alweer aan onze eigen associaties overlaten.

Wat ikzelf in Edelweiss zag, ieen fascinerende poging tot permeabiliteit tussen kunst en ambacht, tussen de toeschouwer en het leven, die je in twee richtingen kan lezen, als in een palindroom. Achter elke realiteit zit een andere realiteit met als gemene deler verbeeldingskracht. Ontvankelijkheid is de inzet van deze voorstelling. Alix Eynaudi deed eerder al mooi werk daarrond: in Exit, een samenwerking met Kris Verdonck, verleidde ze het publiek bijvoorbeeld met kussens, dekentjes en een hypnotiserend traject van bewegingssequensen tot ze ons kreeg waar ze ons hebben wilde: in een ontvankelijke toestand van halfslaap. In Edelweiss slaagt ze er opnieuw wonderwel in om een open kijkhouding te installeren bij de toeschouwer, in dit geval door verbindende elementen — toewijding, verbeelding — tussen kunst en tja, het leven in de verf te zetten. Als bij het buitenkomen de berichten uit Parijs me overvallen, wens ik iedereen de wijsheid van haar soort insteek toe.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#142

15.09.2015

14.12.2015

Lieve Dierckx

Lieve Dierckx is vertaler en theaterwetenschapper. Ze schrijft freelance over dans en podiumkunsten voor verschillende magazines, huizen en choreografen.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!