Theo Van Rompay

Leestijd 19 — 22 minuten

Drie jaar podiumkunstendecreet

In januari 1993 trad het podiumkunstendecreet in werking. De minister van Cultuur laat zich sindsdien adviseren door de Raad voor Nederlandstalige Dramatische Kunst, de Raad voor Dans, de Raad voor Muziektheater en de Raad voor Kunstencentra. Theo Van Rompay en Stef Ampe hadden een gesprek met leden van de vier Raden van Advies Staf Pelckmans, Bruno Verbergt, Eddy Frans en Johan Van Heddegem (in dezelfde volgorde als het rijtje Raden).

Etcetera: Hoe evalueren de verschillende Raden van Advies hun werking van de voorbije jaren? Wat zijn de belangrijkste vaststellingen? Waar liggen de problemen? Het eerste woord aan het laagste budget: de Raad van Advies voor Muziektheater.

Eddy Frans: Er werd zeer hoopvol uitgekeken naar het podiumkunstendecreet, maar die hoop kreeg snel een forse negatieve deuk. Dat had alles te maken met de middelen die vrijkwamen voor het muziektheater. Vanaf de eerste beleidsnota’s, ook die van de Vlaamse regering, was nochtans altijd gesteld dat het muziektheater positief zou worden gediscrimineerd. Ten opzichte van de andere kunsten, ook de podiumkunsten, is dit niet het geval geweest, tenzij in relatieve cijfers. Het structurele budget is gestegen van 8 miljoen in 1993 naar 20,3 miljoen in 1996; de projectenpot van nauwelijks 1 miljoen in 1993 naar 4 miljoen in 1995. Volgend jaar zal deze pot door een toevallige verschuivingsmogelijkheid in het cultuurbudget 8,6 miljoen bevatten. Een spectaculaire stijging in procenten, maar we moeten duidelijk zijn: je kan daar niets mee doen. En toch is daar vanalles mee gebeurd. Er zijn vier gezelschappen mee leefbaar gehouden: Walpurgis, Transparant, SOIL en Het Muziek Lod. Maar op geen enkel moment in de voorbije periode heeft de subsidiëring voor één van deze gezelschappen de 5 miljoen overstegen. Uiteindelijk gaat het dan ook niet om echte gezelschappen; in de praktijk gaat het veeleer om ‘projectorganisatoren’. Als bilan is dat negatief. Te meer daar muziektheater een heel duur genre is omwille van de kosten voor scenografie, libretto, compositie, live muziekuitvoering, enz. Jaar na jaar hebben wij, en de gezelschappen met ons, hoopvol – maar vergeefs – uitgekeken naar elke nieuwe begrotingsronde. Dat er door de erkende organisaties toch nog zoveel waardevolle produkties werden tot stand gebracht, mag een klein wonder heten.

Daarnaast hebben twee specifieke zaken ons erg beziggehouden. Ten eerste de omschrijving van het genre ‘muziektheater’. Volgens het decreet heeft muziektheater te maken met opera, operette en musical. Maar de praktijk van de gezelschappen staat vaak ver weg van deze terminologie. En dat zaaide soms twijfel binnen de raad. De structurele budgetten en projecttoelagen zijn al zo beperkt, wat doe je dan als bijvoorbeeld SOIL een multimediaal project opzet? Ten tweede is er de opleiding van jonge zangers. Wij zitten met tienen rond de tafel om over een budget van ocharme 20 miljoen frank een artistiek advies te verstrekken. Maar met lede ogen moeten we aanzien dat de grote structurele instellingen als de Vlaamse Opera en het Ballet van Vlaanderen ontsnappen aan elke artistieke toetsing van hun beleid. Hoe verhoudt zo’n mastodontinstelling zich tot de nieuwe artistieke inzichten en evoluties binnen de sector van het muziektheater? Ik doe hier geen uitspraak over hun artistiek doel, maar signaleer bijvoorbeeld wel dat de Vlaamse Opera statutair verplicht is om een operastudio op te richten. Zij heeft dat nooit gedaan en die lacune heeft de raad vastgesteld. Wat er nu aan opleiding is, gebeurt in de marge van een of andere ‘lyrische klas’ aan een conservatorium. Er is ook heel weinig doorstroming van jong Belgisch talent naar de bühne. Daar mag dus wel eens wat aan gebeuren. We willen initiatieven daartoe graag een duwtje in de rug geven, maar er moeten dan budgettair uiteraard wel andere kanalen zijn.

Projectontwikkelaars

Etcetera: U noemt zelf uw gezelschappen eerder ‘projectontwikkelaars’. Hoe kijkt men vanuit de dans en het theater tegen dit nieuwe fenomeen aan, wetende dat de steun aan gezelschappen toch steeds de hoeksteen van de beleidsvoering geweest is?

Johan Van Heddegem: De kunstencentra vormen hier een vreemde eend in de bijt, want zij zijn per definitie projectontwikkelaars. Ik stel hier het omgekeerde vast: een kunstencentrum zoals het Kaaitheater begint steeds meer kenmerken van een gezelschap te vertonen.

Bruno Verbergt: Eén van de goede dingen van het decreet is de flexibiliteit die in de danssubsidiëring toegelaten wordt, althans wat betreft de taakinvulling. Zowel gezelschappen als ‘organisaties voor dans’ kunnen erkend worden. Klapstuk en De Beweeging zaten duidelijk al in het achterhoofd bij het schrijven van het decreet. Maar ondertussen heeft dit nieuwe evoluties in de hand gewerkt. Het gezelschap Les Ballets C. de la B. ontwikkelt zich steeds meer tot een artistieke kern, die ruimte laat voor allerhande dansverwante activiteiten. Iemand als Hans Van den Broek heeft daar duidelijk zijn voordeel mee kunnen doen, zowel naar de kwaliteit van zijn produkties toe als in het aantal gespeelde voorstellingen. Louter met een projecttoelage was hem dat waarschijnlijk niet gelukt. De mogelijkheid om ‘organisaties voor dans’ te kunnen subsidiëren, biedt dus vaak een beter draagvlak voor die subsidies dan een strikte scheiding tussen gezelschappen en projecten. Essentieel daarentegen is wel dat élke gesubsidieerde organisatievorm volgens het decreet onder leiding dient te staan van een artistiek directeur.

Etcetera: Welk is het globale bilan van de Raad voor Dans?

Bruno Verbergt: Eerst en vooral zijn er te weinig middelen. We dachten dat we een beetje uit die discussie uit waren, maar als je de laatste lichting aanvragen ziet, blijkt dat toch weer een groot probleem. Er zijn niet alleen de nieuwe aanvragen, er is ook de groei van de structureel erkende gezelschappen, zowel in aantal als in grootte. Dansgezelschappen krijgen nog steeds veel minder geld dan vergelijkbare toneelgezelschappen. Er is budgettair geen enkele ruimte. Wat moet er bijvoorbeeld gebeuren als Rosas geen onderdak meer zou vinden in De Munt? Het feit dat de adviesraad geen inspraak heeft in de betoelaging van het Ballet van Vlaanderen werkt ook daarom beknellend. Dat staat een goed advies over het globale danslandschap in de weg en belet een optimaal functioneren van de raad. Evenmin is er inzicht, noch inspraak, in de diverse extra-toelagen (Nationale Loterij, culturele ambassadeurs).

Het gebrek aan flexibiliteit, meer bepaald de onmogelijkheid om binnen de vier-jaren-termijn tussentijdse erkenningen te realiseren, begint door te wegen. Vier jaar blijven doorwerken als project is te zwaar. Dat kan dodelijk zijn voor een gezelschap. Anderzijds biedt het decreet weinig alternatieven voor de erkende choreograaf die zich een aantal jaar wil terugtrekken.

Er is een probleem met de timing. Dossiers moeten veel te vroeg ingediend worden. Een projectaanvraag voor 1996 moet geadviseerd worden in oktober 1995, terwijl de meeste choreografen – omwille van de laattijdige uitbetaling van toelagen – pas eind 1995 hun vorige produktie uitbrengen. Dus zelfs voor de projecten oordeel je vaak op basis van de voorlaatste produktie. Wel dient gezegd dat hoe vroeger de adviezen er zijn, hoe sneller de middelen kunnen vrijgemaakt worden.

Wat ons ook stoort: een adviseringspolitiek die rekening houdt met het globale kunstenveld is binnen de diverse raden moeilijk realiseerbaar. De verschillende gegevens zijn net niet voldoende vergelijkbaar: grootte en omvang van dans- en theatergezelschappen, kunstencentra, organisaties voor dans, enz. Onze voorzitters zouden eventueel dossiers kunnen uitwisselen, maar ook binnen de administratie is er geen globaal zicht. We voelen ons als raad niet gesteund in die ambitie. Een professioneel onderzoeks- en studiecentrum zou geen overbodige luxe zijn.

Etcetera: Die non-relatie met de Vlaamse Opera en het Ballet van Vlaanderen, wat gebeurt daaraan? Spreken of rapporteren jullie daarover?

Eddy Frans: Daar wordt inderdaad over gesproken. Elke raad kan immers volgens het decreet adviezen uitbrengen over het hele domein van de podiumkunsten. Het is echter de vraag welke kracht er uitgaat van onze adviezen. Welke impact hebben ze? We hebben in ieder geval geprobeerd met een aantal mensen een zinvol gesprek te voeren in de raad, o.m. met Bernard Foccroulle, Marc Clémeur en de directeurs van de conservatoria. Maar meer dan wederzijds open deuren intrappen over de nood aan dat soort ontmoetingen, heeft dat niet opgeleverd. Hoe de echte nood moet gelenigd worden, daar bestaat allerminst duidelijkheid over.

Etcetera: Maar wilt u als raad uitspraak kunnen doen over het beleid van de Vlaamse Opera?

Eddy Frans: Ik wil niet pretentieus zijn en stellen dat wij dat moeten doen. Maar nogmaals, het is aberrant dat de grote instellingen ontsnappen aan de toetsing door een deskundigheidsteam. En of het deze raad is versus de Vlaamse Opera en de musical-afdeling van het Ballet van Vlaanderen? Misschien wel, want deze raad voor het muziektheater is er nu eenmaal. Essentieel is dat de discussie kan gevoerd worden. Op dit moment gebeurt dat niet en toch worden op de een of andere manier veel middelen ingeschreven in de begroting. Wie bepaalt die bedragen? Waar wordt de besteding van die enveloppes geëvalueerd? Bij mijn weten nergens.

Etcetera: De Raad van Advies voor Dans heeft dergelijke opmerkingen betreffende het Ballet van Vlaanderen reeds op een persconferentie vermeld. Komt daar dan enige reactie op?

Bruno Verbergt: Het Ballet van Vlaanderen heeft ons ooit uitgenodigd om bij hen te komen vergaderen. Maar volgens hen is er geen probleem, of hebben wij een verkeerd begrip van hun positie. Want ‘wij zijn niet met hedendaagse dans bezig, maar met iets wezenlijks anders, en vallen dus terecht niet onder het decreet’. Of: ‘de opera staat niet in het decreet, waarom zouden wij er dan wel moeten in staan?’ Bij het aantreden van minister Luc Martens hebben we onze vraag herhaald om inzage te krijgen in de beleidsplannen, het activiteitenoverzicht en de begroting van het Ballet, zodat we tenminste een grondig inzicht kunnen krijgen in de structuur en de werking. Maar die informatie krijgen we slechts mondjesmaat.

Ondersteuning en onderzoek

Etcetera: De Administratie Kunst zou die informatie toch kunnen bezorgen?

Bruno Verbergt: Inderdaad.

Etcetera: Maar die doet dat niet?

Johan Van Heddegem: Het is onmogelijk om van de administratie gedetailleerde gegevens te krijgen over bijvoorbeeld de verloning in de sector of de infrastructuurkosten van de theaters. Ook puur statistische gegevens als bezoekersaantallen krijgen we niet. Binnen de Raad voor Kunstencentra is daar dan zelfs de vraag aan gekoppeld of het Vlaams Theater Instituut hiervoor geen officiële opdracht zou kunnen krijgen.

Bruno Verbergt: Laat het duidelijk zijn dat de nieuwe minister nog niet de kans heeft gekregen om op onze vraag te antwoorden. De administratie durft de gegevens immers niet lossen zonder toelating van het kabinet. Recente publieke verklaringen van minister Martens lijken hierin beterschap te beloven.

Staf Pelckmans: De ondersteuning vanuit een goed onderzoeksinstituut is essentieel. Het is dan ook bijzonder merkwaardig dat volgens het meest recente begrotingsontwerp het Vlaams Theater Instituut in 1996 3 à 4 miljoen zou moeten inleveren. Wat wil men eigenlijk van het vti? Daar zou wel eens een duidelijke uitspraak over mogen komen.

Etcetera: Weegt de onvolledigheid van de adviesverstrekking ook zwaar door in de evaluatie van de Raad voor Kunstencentra?

Johan Van Heddegem: Onze raad heeft, zoals de andere raden, een tussentijds advies uitgebracht over het functioneren van het decreet. Het is de minister die ons om adviezen vraagt. Zijn wij dus een instrument van zijn beleid of zijn wij een spreekbuis vanuit het veld? In het begin kon daar nog enige aarzeling over bestaan, maar ondertussen heeft de raad toch vooral voor de tweede optie gekozen. Hoe langer hoe meer stellen we ons op aan de kant van het veld. We zitten dan ook met een dilemma: adviseren over de verdeling van de beschikbare middelen (104 miljoen frank) of ijveren voor meer geld. Reeds in 1992 is een noodzakelijk budget van 250 miljoen frank vooropgesteld. Met het beschikbare budget van 100 miljoen frank werden toen zeven kunstencentra erkend en gesubsidieerd. Drie centra werden erkend, maar kregen geen geld: Zuiderpershuis en de ‘kinderkunstencentra’ Villanella en Speelteater/Kopergieterij. Gebrek aan middelen leidde dus meteen tot een conservatieve definitie van de term kunstencentrum. Wat wij kunnen spenderen is niet alleen veel minder dan wat de kunstencentra vragen, maar is sowieso veel te weinig om serieus werk te kunnen leveren.

Er zijn momenteel 15 kunstencentra die een toelage gevraagd hebben. Horen daar niet bij: deSingel, Beursschouwburg, Ancienne Belgique, Klapstuk, Kunstenfestival. Je kan natuurlijk niet ernstig oordelen wanneer een centrum als deSingel, qua omzet toch het grootste, niet bij de discussie betrokken wordt. Daarom is de raad op eigen initiatief op bezoek geweest bij deSingel en ook bij de Beursschouwburg. Want wij ontberen veel essentiële gegevens, zoals de inbreng van andere subsidiënten. Het is eveneens haast onmogelijk een grondige vergelijkende studie te maken van de uitgaven- en inkomstenstructuur van alle organisaties voor podiumkunsten.

Produktie en spreiding

Etcetera: Horen de kunstencentra wel thuis in dit decreet? In alle andere raden staat de produktie van kunst centraal, terwijl de kunstencentra toch ook spreidingsinstellingen zijn?

Johan Van Heddegem: De fameuze ‘receptieve produktiecentra’! De term ‘produktie’ is dubbelzinnig. Dat wordt heel verschillend ingevuld naargelang de omstandigheden.

Bruno Verbergt: Elke opdeling is arbitrair. Het veld is complex. Een opdeling die de complexiteit probeert te bewaren, vind ik waardevol. Er vallen veel opmerkingen te maken, maar de kunstencentra behoren in grote mate tot het podiumkunstenlandschap.

Staf Pelckmans: Bij de start van het decreet was de situatie duidelijker. De kunstencentra waren toen erg receptief. Op een bepaald moment hadden ze dan een ‘stal’, waarmee geproduceerd werd. De culturele centra hebben toen dat receptieve werk overgenomen. En de kunstencentra lijken nu opnieuw veel aandacht te krijgen voor heel jong, nieuw werk. Op vier jaar kan je daar bijna geen besluiten uit trekken.

Bruno Verbergt: Toch wel! Bijvoorbeeld dat ik voorstander ben van een kunstenplanactie, waarbij een contract-management en een globale benadering van kunst centraal zouden staan. Op vaste tijdstippen licht je dan het volledige kunstenlandschap door, analyseer je en stippel je een beleid uit. Van daaruit regel je de betoelaging.

Staf Pelckmans: Een belangrijk onderdeel van een kunstenplan zijn zeker de bevoegdheden, rechten en plichten van de verschillende overheden, zoals provincies en gemeenten.

Etcetera: Zouden de noties produktie en spreiding nog belangrijke begrippen zijn in zo’n kunstenplan?

Staf Pelckmans: Natuurlijk wel. De Raad voor het Teksttheater heeft er niet over gediscussieerd of de kunstencentra er al dan niet bijhoren, maar de spreiding heeft ons wél beziggehouden. Persoonlijk vind ik dat de Vlaamse Gemeenschapte weinig aan spreidingsbeleid doet. Dat brengt bijvoorbeeld de dans in ernstige moeilijkheden.

Johan Van Heddegem: Niet alleen de dans. Ook in onze raad wordt die opmerking vaak gemaakt. Er wordt heel veel geproduceerd, maar de afname is vaak heel beperkt en staat in geen verhouding tot de kostprijs, noch tot de artistieke en creatieve energie. De kunstencentra participeren in allerlei produkties, maar veel produkties worden onvoldoende getoond.

Etcetera: Is dat niet een beetje een rare opmerking vanuit de kunstencentra? Zij zijn toch zelf het best geplaatst om daar wat aan te doen?

Johan Van Heddegem: Ik kan daar niet veel op zeggen. Veel kunstencentra participeren aan produkties die niet in eerste instantie voor lokale consumptie bedoeld zijn. Goedkoop produceren kost vaak meerdere keren het bedrag van een normale uitkoopsom.

Etcetera: Moeten een wetgever, een minister en jullie als raadsleden niet steeds die twee zaken voor ogen houden, produktie én spreiding? Want produktie zonder speelkansen is toch een beetje doelloos?

Johan Van Heddegem: Naar een aantal kunstencentra toe werd dit duidelijk geformuleerd.

Bruno Verbergt: Wij hebben daar duidelijk een standpunt over ingenomen. Kunstencentra en culturele centra hebben een stijgende belangstelling voor dans en er is een grote interesse van publiek en media. Maar veel organisatoren beschikken niet over de nodige programmatiebudgetten. De raad heeft van meetaf aan gepleit voor een aanzienlijke verhoging van deze budgetten bij alle potentiële afnemers. Het is een essentiële schakel om een gediversifieerd aanbod te kunnen realiseren.

Staf Pelckmans: De spreiding, en meer specifiek de professionele aanpak ervan, is zeer belangrijk bij de beoordeling van gezelschappen en projecten. Ook bij de spreiders zou er een veel grotere verantwoordelijkheid moeten komen, maar dat kan alleen als die verantwoordelijkheid ergens op berust en gehonoreerd wordt. Ik ben daarom zeer boos dat het laatste decreet voor de culturele centra volledig onbewaakt tot stand is gekomen, zonder enig overleg met de kunstensector. Iets, trouwens, waar de kunstensector door haar desinteresse zelf ook mede voor verantwoordelijk is. Het is een slecht decreet met veel gemiste kansen voor de spreiding van artistieke projecten. Het brengt geen ordening in het landschap en laat vooral geen ruimte voor een duidelijke situering van de artistieke en sociaal-educatieve functies van de culturele centra. Integendeel, centra die zich wel duidelijk positioneren worden niet beloond. Er wordt nog steeds bijgebouwd zonder een globaal infrastructuurplan en de daaraan gekoppelde functiebepalingen.

Johan Van Heddegem: Die opmerking is ook in de Raad voor Kunstencentra gemaakt. Aan de programmatie en het algemeen profiel van de kunstencentra kan je zien in de buurt van welk cultureel centrum ze liggen. Het is evident dat de Vooruit er anders zou uitzien als er een cultureel centrum zou zijn in Gent en het Stuc kan slechts doen wat het doet omdat er een cultureel centrum is in Leuven. Zuiver op basis van de programmatie is het in sommige gevallen moeilijk geworden een onderscheid te maken tussen een kunstencentrum en een cultureel centrum. Het is een schande dat er een decreet voor de culturele centra gekomen is zonder enige vorm van inspraak vanuit de artistieke sector.

Staf Pelckmans: De grote stoorzender in een mogelijke onderlinge afstemming van beide decreten is de financieringswijze. In de sector Volksontwikkeling, de culturele centra, worden activiteiten financieel gedragen door de lokale gemeenschap. Culturele centra staan dus vaak onder druk van de plaatselijke politici, terwijl het theater- en dansbeleid een nationale materie is en ook nationaal gefinancierd wordt. De taken van de verschillende overheden zouden in één globaal plan duidelijk moeten omschreven worden.

Historische context

Etcetera: Uiteindelijk over naar de advisering in het teksttheater. Hoe evalueert jullie Raad van Advies de eerste termijn van het podiumkunstendecreet?

Staf Pelckmans: Eerst en vooral vind ik de historische context heel belangrijk. Het is meteen ook één van de grote problemen van de raad, want de historische achtergrond van het theater in Vlaanderen is voor een groot stuk een politieke achtergrond. Je hebt te maken met vastgemetselde instellingen die sterk politiek gesteund worden, door regio’s, door politieke partijen, door politici-beheerders. Een eerste winstpunt in dit perspectief is overigens de samenstelling van de raad, die minder direct politiek ingekleurd is, wat meteen merkbaar was. Daarnaast is er natuurlijk het historisch-inhoudelijke belang dat veel gezelschappen gehad hebben. Daar hou je rekening mee.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat het decreet, zeker wat het theater betreft, vooral bestaande instellingen in stand wil houden en zo de jonge garde weinig kansen geeft. Een aantal mensen binnen de raad is daar erg ongelukkig over. Er zijn weliswaar startenveloppes gecreëerd, maar deze mensen moeten in de moeilijkste omstandigheden werken. Zij moeten het meest bewijzen en krijgen de hoogste normen opgelegd, terwijl iedereen op hun vingers zit te kijken. Verder is er een kleine mogelijkheid om een projectsubsidie te krijgen, maar er zijn nauwelijks middelen of geld beschikbaar. Er zijn 65 à 70 aanvragen voor een projectenpot van 15 miljoen frank. Daarin vallen twee groepen te onderscheiden. Een deel zou habitué moeten kunnen worden, in het normale systeem van vierjaarlijkse betoelaging terechtkomen dus. Anderen, de écht jonge groepen, moeten voldoende geld krijgen om te laten zien wat ze kunnen. De projectenpot moet absoluut omhoog. Als dat voor de begroting 1996 niet gebeurt, dan zal de raad het nalaten de minister een advies te geven.

Een ander belangrijk punt is het figuren-theater en het kinder- en jeugdtheater. Het beleid van positieve discriminatie, om die sector wat nieuw leven in te blazen, heeft niet gewerkt. Het kinder- en jeugdtheater is zo goed als dood in Vlaanderen. Er zijn nauwelijks nieuwe initiatieven, ook niet in de projectaanvragen.

En dan zijn er natuurlijk de vele technische mankementen. Eén voorbeeld: de norm voor beginnende gezelschappen om 80 voorstellingen te spelen. Slechts twee van de zes startenveloppe-gezelschappen halen deze norm. Dat moet absoluut omlaag. De steun aan jonge groepen is het kernprobleem in onze evaluatie – naast een aantal elementen uiteraard die bij het verslag van de andere raden reeds aan bod kwamen.

Vier jaar

Etcetera: De subsidiëring voor periodes van vier jaar heeft twee kanten. Het geeft een relatieve zekerheid aan de erkende gezelschappen, maar het maakt de wachttijd voor de anderen wel erg lang.

Johan Van Heddegem: Vier jaar is lang voor initiatieven waarvan je op dit moment niet met een redelijke kans op zekerheid kan zeggen dat ze de moeite waard zijn om voor zo’n lange periode gehonoreerd te worden. De enige tussentijdse maatregel die kan genomen worden is schrapping.

Bruno Verbergt: Jullie hebben geen projecten. Bij ons is dat natuurlijk op te lossen door de projectenpot te verhogen en door toe te laten dat er wat kan afgeweken worden van té rigiede Rekenhof-bepalingen, zoals bijvoorbeeld het verbod voor een 6-maanden-project om – ik zeg maar wat – een fax aan te schaffen. Enige flexibiliteit volstaat om het probleem op te lossen.

Etcetera: Jullie bepleiten één of andere vorm van instapregeling. Moeten de middelen daartoe uit de structurele pot komen of van de projectsubsidies?

Bruno Verbergt: Onze tendens is bijzonder streng te zijn voor de structurele erkenning. Alleen diegenen aanvaarden van wie we bijna 100 procent zeker zijn. Iedereen aan wie we twijfelen, moet kunnen opgevangen worden door de projectenpot.

Etcetera: Maar een project is toch iets anders dan een instapregeling?

Bruno Verbergt: Als de projectenpot groot genoeg wordt, dan kan men een soort tussencategorie installeren. Er is dan sowieso veel meer speelruimte. Dan is er de facto een instapregeling: een categorie tussen vier-jaren-erkenning en project in.

Etcetera: Is dat ook de gewenste oplossing voor het instapregeling-probleem in het teksttheater?

Staf Pelckmans: Ik kijk meer naar de specifieke problemen van de startenveloppes in het teksttheater. We hebben veel geleerd uit deze eerste jaren. We hadden ongetwijfeld te weinig kennis over deze artiesten toen we beslissingen moesten nemen. Zo zijn er enkele probleemgevallen ontstaan. Eén of andere vorm van geleidelijkheid zou dat kunnen oplossen.

Etcetera: Doelt u nu op de te zware minimumnormen voor beginnende gezelschappen?

Staf Pelckmans: Er is vooral geen geschiedenis aan voorafgegaan, dat is het grote probleem. Eigenlijk zou je aan de basis drie categorieën moeten hebben. Elk jaar moet een jonge groep in het systeem kunnen instappen, d.w.z. een project kunnen indienen en daar geld voor krijgen. Een tweede categorie wordt beoordeeld op basis van hun vorig jaar gerealiseerde projecten. En een derde categorie groeit door naar een startenveloppe.

Etcetera: Is het verschil tussen theater en dans niet dat u in het theater veel meer financiële ruimte hebt om zelf het probleem van de instapregeling op te lossen? In theater wordt slechts 15 miljoen frank voor projecten gereserveerd, naast structurele toelagen van 600 miljoen. In dans ligt die verhouding op 1/6: 12 miljoen voor de projecten, 70 miljoen voor de structurelen. Met een 1/6-verhouding creëert u een theater-projectenpot van 100 miljoen frank. U zou zo toch meteen heel wat jonge theatermakers op weg kunnen zetten?

Staf Pelckmans: Daar ben ik het voor een groot stuk mee eens, maar opnieuw komt dan die historische context naar boven. Die 600 miljoen heeft een heel lange geschiedenis en dat wordt zorgvuldig bewaakt. Zo relatief is ons werk dan weer wel… Wijzelf zijn vooral met artistieke normen bezig, maar willens nillens moet men altijd strategisch en diplomatisch denken. Je kan natuurlijk het spel heel hard spelen, maar dan loop je het risico alles te verliezen.

Etcetera: Een gevolg van die behoedzame strategie is wel dat er nauwelijks rotatie is. Om de vier jaar zullen er twee gezelschappen uit de boot vallen en twee jonge groepen een kans krijgen. Zoiets?

Staf Pelckmans: Dat is één van de problemen. Dat hebben we duidelijk ondervonden.

Bruno Verbergt: Een andere oplossing voor dit probleem waaraan wij binnen de raad denken, is een veel grotere steun voor de kunstencentra. De Raad voor Dans opteert voor een vijftal actieve ‘projectontwikkelaars’. Het is misschien veel logischer dat zij voldoende ondersteund worden, zodat ze een aantal jonge choreografen kunnen opvangen. Maar zelfs in dat geval is er meer flexibiliteit nodig en toch ook nog meer geld voor de projectenpot.

Etcetera: Moeten er subsidies toegekend worden aan de ‘projectontwikkelaar’ of aan de artiest zelf? En de kunstencentra hebben toch al een decretale opdracht voor projectontwikkeling?

Johan Van Heddegem: Dat is een redelijk minimale opdracht. De kunstencentra creëren veel meer dan het decreet oplegt. Er is zelfs het gevoel dat er teveel gecreëerd wordt. Maar dat is eigenlijk een andere discussie die te maken heeft met mogelijke kwaliteitseisen. Wel kan geconstaterd worden dat de relatie tussen artiest en kunstencentrum heel wisselend is. Projectontwikkeling, produktie of coproduktie wordt heel verschillend ingevuld en varieert van het uitlenen van een busje tot een inhoudelijk initiatief. Men merkt ook dat eenzelfde gezelschap door verschillende kunstencentra wordt opgeëist als huisgezelschap, net zoals gezelschappen of individuele kunstenaars die een project willen realiseren, bij diverse kunstencentra gaan shoppen.

In het budget voor de kunstencentra bestaat er niet zoiets als een projectenpot. Maar de kunstencentra doen wel vaak een beroep op de andere bestaande projectenpotten. Als raad ziet men pas bij de jaarrekening wat daarvan binnengekomen is, dat weet men nooit op voorhand. Omgekeerd investeren de kunstencentra, ondanks hun beperkte middelen, nu reeds veel geld in bijvoorbeeld dansprojecten.

Eddy Frans: Daar wil ik even op aansluiten. In het muziektheater is het moment van grote demoralisering bij de gezelschappen niet zozeer de melding van de karige budgetten geweest, dan wel de beslissing van de-Singel om zijn operafestival niet te continueren.

‘Middenveld’

Etcetera: Even terug naar de vergelijking tussen theater en dans. In het theater blijkt de historische context zwaar door te wegen, zodat er – zo begrijp ik – een aantal gezelschappen ten onrechte structueel gesubsidieeerd blijven. In dans kent men deze situatie niet door het gebrek aan middelen: slechts enkelen worden structureel gesubsidieerd. Maar is daarmee het probleem opgelost? Wat doet u met de vele choreografen die geen structurele toelage krijgen, maar eveneens de fase van de projecten al lang voorbij zijn?

Bruno Verbergt: Dat is binnen de raad een heel verwarde discussie. Wij hebben aan die groep choreografen een bepaalde term gegeven, bij gebrek aan beter: het middenveld. Door de beperking van middelen hebben we inderdaad scherpe keuzes moeten maken, een keuze voor topkwaliteit, voor diegenen die echt bovendrijven. Maar die anderen, die niet echt bovendrijven, hebben die in het landschap toch ook niet een bepaalde betekenis? Dat is constant de discussie.

Etcetera: Als er meer middelen gevraagd worden, verwijst de raad dan naar de niet-betoelaging van dat ‘middenveld’?

Bruno Verbergt: Neen. We vragen meer geld voor die gezelschappen waarvan we absoluut, absoluut vinden dat ze erbij horen. We spreken wel over de initiatieven die moeten genomen worden om een echt dansklimaat tot leven te brengen, zoals het verhogen van de speelkansen voor de gezelschappen.

Etcetera:Internationaal is het perspectief voor dansgezelschappen veel rooskleuriger, maar nationaal blijven er toch nog steeds  veel meer speelkansen voor theatergezelschappen.

Staf Pelckmans: Organisatoren komen zeker gemakkelijker naar theater dan naar dans, omdat ze nu eenmaal een theatertraditie hebben. Vaak heeft het ook te maken met een specifieke know how: een muziektheaterproduktie vraagt organisatorisch, produktioneel en financieel vaak meer dan een theatervoorstelling.

Overleg

Etcetera: Die constante verwijzingen naar eikaars werkveld, is dat geen impliciete oproep om wat vaker samen rond de tafel te gaan zitten?

Bruno Verbergt: Er is een sporadisch overleg tussen de verschillende voorzitters van de raden, maar dat is nog veel te beperkt.

Johan Van Heddegem: Er is ooit één gemeenschappelijke vergadering geweest tussen de Raad voor Nederlandstalige Dramatische Kunst en de Raad voor Kunstencentra.

Bruno Verbergt: Ik treed minister Martens bij als hij zegt tot één Raad voor Cultuur te willen komen. Ik zou misschien zeggen: één Raad voor de Podiumkunsten.

Staf Pelckmans: Om een andere reden zijn wij de problemen niet helemaal machtig. Dit is immers een voluntariaatsraad. Als je vanuit zo’n raad ingrijpende wijzigingen wilt voorstellen, moet je keiharde argumenten op tafel kunnen leggen, moet je goed geïnformeerd zijn, een goed geschreven verslag voorleggen. Daar hebben we nu misschien wel de mensen voor, maar zeker niet de tijd, noch de middelen. Alleen al het zien van alle theaterpremières is een dagtaak, het beoordelen ervan een andere dagtaak en de beleidsvertaling nog eentje. Dat kan men van deze raad niet verwachten. Ik voer dus een pleidooi voor een beroepsraad.

Etcetera: In zo’n raad zou bijvoorbeeld gesproken kunnen worden over de actuele wanverhouding van de diverse budgetten voor theater, dans en muziektheater. Hoe gaan jullie daar nu mee om? Spreken jullie daar in de beslotenheid van de raadsvergadering wel eens over of veegt iedereen alleen voor de eigen deur?

Staf Pelckmans: Het laatste vrees ik. Deze discussie is tot nu toe niet gevoerd. Hooguit eens aangeroerd. Het is duidelijk wel de wens van een aantal mensen om daarover veel meer contact te hebben met de leden van de andere raden. Maar zolang de voorzitters niet regelmatig rond de tafel gaan ziten, wat om duistere redenen niet gebeurt, blijft dat dus een groot probleem.

Etcetera: En in de andere raden?

Eddy Frans: Daar wordt nooit expliciet naar verwezen.

Bruno Verbergt: Bij ons wel, al was het maar omdat dans- en theatergezelschappen objectief het meest vergelijkbaar zijn. Rosas en Wim Vandekeybus krijgen echter veel minder geld dan vergelijkbare theatergezelschappen, uitsluitend omdat ons globaal budget veel beperkter is.

Eddy Frans: Ik wil mijn antwoord nuanceren. Er is nooit expliciet een vraag in die zin gesteld, maar de bedenking over de geringe toelagen voor onze gezelschappen in vergelijking met bepaalde theatergezelschappen wordt ook bij ons gemaakt.

Staf Pelckmans: Strategisch en politiek gezien is die verdeling niet zo oninteressant. Je zou dat het best kunnen vergelijken met zo’n schip waarvan de veiligheid wordt gegarandeerd door de tussenschotten. Als de tussenschotten blijven, als iedereen met andere woorden voor zijn eigen winkel pleit, dan zal het geheel bovendrijven. Als je het allemaal op één hoop gooit, dan worden we zeer kwetsbaar. Zeker de dans en het muziektheater, want daar ligt men niet zo van wakker.

Etcetera: Is dat zo? Je lijkt nu te zeggen dat de eenheid zwakker is dan de verdeeldheid. Omgekeerd kan je natuuurlijk opperen dat muziektheater, dans en kunstencentra wél met het theater vergelijkbare budgetten hebben, als men er respectievelijk de toelagen voor de Opera van Vlaanderen, Ballet van Vlaanderen, deSingel en de Beursschouwburg bijrekent. Maar misschien wil het theater ook nog wel zijn Nationaal Toneel?

Staf Pelckmans: Die gedachte leeft nog, maar er bestaan veel verschillende meningen over, waarin ik nog geen consensus ontwaar. Die discussie gaat nu zeker terug de kop opsteken wanneer de kns ter sprake zal komen. Want zij zijn tijdens de eerste subsidieronde natuurlijk het zwaarst gestraft geweest. Waarschijnlijk komt er nu een nieuw beleidsplan. Ik durf niet vooruitlopen op het advies waarmee de raad uiteindelijk zal naar buiten komen.

Etcetera: De vraag luidde, één Nationaal Toneel? Of wordt er aan drie gedacht?

Staf Pelckmans: Neen, twee zou al mooi zijn.

Etcetera: Maar met twee grote nationale theaters, op internationaal niveau, vraagt u een theaterbudget van pakweg één miljard?

Staf Pelckmans: Dat kan nu niet gerealiseerd worden, zeker niet als men naar de budgetten van de andere raden kijkt. Op zo’n moment denk ik dat de raad realistisch wordt en zal zeggen: laat het ons maar bij de stadstheaters houden.

Etcetera: Kunnen dit soort raad-overschrijdende wrijvingspunten naar buiten gebracht worden?

Bruno Verbergt: Neen, want dat is niet onze taak. Onze taak is te adviseren over dans. Dus proberen we het hele danslandschap in kaart te brengen, waarbij we referenties maken naar het theater. Maar voor de rest is het aan de minister om te beslissen. Een globaal beleid gaan we slechts terdege kunnen realiseren wanneer de minister beslist zich door één Raad voor Cultuur te laten adviseren. Want geen enkel individueel raadslid gaat zijn voorzitter carte blanche geven om dat soort maatregelen door te voeren. Om bij wijze van spreken te laten zeggen: ‘Ik ben met de mensen van het muziektheater gaan spreken en eigenlijk is de nood daar toch wel groot, dus laat ons 3 miljoen van Wim Vandekeybus overhevelen.’ Men moet een terugkoppeling hebben. Er moet een autoriteit zijn. Pas dan zal het lukken.

Beleid

Etcetera: Er is nu een nieuwe minister van Cultuur. Waar willen jullie het strijdpunt van maken, het eerste-aandachtspunt?

Bruno Verbergt: Er is niet één strijdpunt. We willen meer geld, een flexibeler decreet, noem maar op. Verder verwacht ik van de minister dat hij naar wegen zoekt om de kwaliteit van de adviesverlening te verhogen, dat hij samenwerking nastreeft. Aan de basis van die kwaliteit ligt een erkenning van onze autonomie.

Staf Pelckmans: Als minister Martens zijn recente persverklaringen waarmaakt, dan zal ik zeer tevreden zijn. Want dan komt er een absolute prioriteit voor de verkenners en de vernieuwers, zelfs als dat ten nadele is van de gevestigde waarden. Dan komt er ook één Raad voor Cultuur, zonder dat de deelraden afgeschaft worden. Ik ben wel ontgoocheld als hij stelt dat de middelen voor de totale podiumkunsten niet zullen stijgen. Als ik zie wat er naar onderwijs en cultuur gaat, dan zouden beter deze tussenschotten eens opgehaald worden. Tot slot hoop ik dat de raad kan geprofessionaliseerd worden, gekoppeld aan de professionalisering van een onderzoeksinstituut, dat daar dan wel de nodige middelen voor moet krijgen.

Eddy Frans: Vanuit het muziektheater is er maar één kreet. Aan de mensen die wij als raad het vertrouwen hebben geschonken en die de laatste jaren voortreffelijk werk hebben afgeleverd, moeten voldoende middelen gegeven worden om enigszins normaal te kunnen werken. Dat blijft het agendapunt dat torenhoog boven de rest uitsteekt.

Johan Van Heddegem: Ten eerste dat de kunstencentra die echt multidisciplinair werken, en die dus video, muziek en beeldende kunst op het programma hebben, een duidelijke regeling krijgen. Zodat ze niet steeds met de angst voor het spook van de ‘dubbele subsidiëring’ moeten leven. Ten tweede, en vooral, dat de taakstelling van de kunstencentra niet alleen geconsolideerd wordt, maar dat er naar manieren gezocht wordt om wat vandaag nog maar aan de wortels van het gras aan het groeien is toch ook in het beleid op te nemen. De huidige situatie maakt dat absoluut onmogelijk.

 

gesprek
Leestijd 19 — 22 minuten

#53

15.12.1995

14.03.1996

Theo Van Rompay

gesprek