Elke Van Campenhout

Leestijd 16 — 19 minuten

De drie heksen van het kindertheater

Ergens in het theaterlandschap, in een verre hoek van het koninkrijk, ligt een gebied waar de meeste recensenten en theoretici met een grote boog omheen lopen. Er wordt niet alleen kunst geproduceerd, maar ook nog eens met goede bedoelingen. Er wordt niet alleen over artistieke praktijken gepraat, maar ook over verantwoordelijk- heid en educatie. Maar er is vast nog wel een constante, dacht de hoopvolle recensent, verhalen! Die zijn toch van alle tijden! Daar kan het Kinder- en Jeugdtheater toch niet omheen! Wat zijn de sprookjes van vandaag, wat is het ultieme verhaal dat nu verteld moet worden? Voor wie en waarom?

De drie Heksen van het Kinder- en Jeugdtheater kijken me een beetje meewarig aan. Sprookjes? Fantastische personages? In plaats daarvan spreekt Barbara Wyckmans over de hoop om nieuwe verhalen te creëren in een multicultu- rele samenleving. Neemt Eva Bal me mee naar oorlogsgebied, en de zere zone waar Mr Bert wanhopig wacht op een knuffel. En pleit Oda Van Neygen voor een radicaal hedendaags verhaal dat wordt geschreven door de nieuwe media van de technologie, of dat zich afspeelt in Irak of je eigen gewelddadige achtertuin.

Deze tekst is een bewerkte weergave van drie interviews: over verhalen van toen en nu, en de huizen waarin ze hun plaats vinden. Over de dialoog tussen maker en publiek, en de (mentale) reizen die je moet ondernemen om tot zo’n dialoog te komen. De heksen van het kinderthea- ter zetten hun toverkracht al lang niet meer in op het betoveren van pompoenen of vergiftigen van appels. Ze staan met beide voeten stevig in de wereld, met als enige ingrediënten het onwankelbare vertrouwen in de intelligentie, de moed en de durf van en voor een nieuwe generatie.

* Heks Oda ** Heks Barbara *** Heks Eva

Verhalen Van Toen:

Als je mij vraagt naar verhalen, dan denk ik aan sprookjes, en daar heb ik helemaal niks mee. Voor mij gaan al die verhalen over hetzelfde: een personage komt in een moeilijke situatie terecht, overwint een heleboel obstakels, en komt als herboren uit het proces. Dat soort verhalen hebben mij nooit aangesproken, misschien omdat ze nooit deel hebben uitgemaakt van mijn leefwereld als kind. Ik kom uit een groot gezin waar eigenlijk heel weinig gelezen werd, en we hadden ook geen tv. Ik herin- ner mij één boek, Schatteneiland, maar dat heeft blijkbaar geen onuitwisbare indruk op mij nagelaten. In een groot nest met 12 kinderen moest er goed nagedacht wor- den over hoe we ons geld zouden besteden. Er was genoeg om eten te kopen, maar snoep of speelgoed waren niet zo belangrijk. Daar heb ik een sterke sociale reflex aan over gehouden. En in combinatie met mijn katholieke opvoeding, heeft dat er- voor gezorgd dat ik een grote verantwoordelijkheid voel voor mijn medemens, voor de pijn die anderen wordt aangedaan. Op dat vlak vond ik de Jezusverhalen als kind wel heel inspirerend: zijn lijdensweg, het moment waarop hij de handelaars uit de Tempel gooit. Ik zag Jezus dan ook eerder als een sociaal werker, een revolutionair. Later ging ik even bij Amada, maar het bleef mij gaan om de outcasts: om de men- sen die niet aan het woord komen. Die wil ik horen. De Maria Magdalena’s. Voor mij zijn verhalen belangrijk als ze kinderen moed en durf meegeven: de moed om iets te bereiken, en iets van jezelf te maken.

Het verhaal van vandaag is een interculturele dialoog

Bij ons thuis lazen we de sprookjes van Grimm, dat boek met illustraties van Anton Pieck. Ik herinner me dat ik de tekening van de toverheks met mijn nageltjes kapot had gekrabd. Het sprookje dat toen op mij het meest indruk heeft nagelaten, is dat van het Lelijke Eendje. Het kleintje dat verstoten wordt en niet tot de club behoort maar uiteindelijk toch opgroeit tot een mooie zwaan. Dat vind ik een mooi verhaal, omdat bij de meeste sprookjes gesuggereerd wordt dat je de oplossing buiten jezelf moet zoeken: bij de prins, of bij de één of andere ‘redder’. Maar het Lelijke Eendje gaat over zelfontplooiing.

Het verhaal dat je vandaag moet kunnen vertellen, is een dialoog. Niet zozeer op het podium, maar tussen de kunstenaar en zijn publiek. Het is een belangrijk ver- haal, en het Paleis speelt een belangrijke rol in het mogelijk maken ervan. En dat is een ander verhaal dan de verhalen die je uit de vorige eeuw in de 21ste eeuw hebt binnengesluisd. FroeFroe heeft bijvoorbeeld in 2001 ervoor gekozen om Roodkapje te ensceneren, vanuit de veronderstelling dat Roodkapje als visueel symbool be- hoort tot ons cultureel erfgoed. Maar een zesjarige van vandaag weet eigenlijk vaak niet meer wie Roodkapje is: er is in de 21ste eeuw een enorme diversiteit ontstaan in het theaterpubliek. In een omzendbrief van het Ministerie van Onderwijs staat te lezen dat 60% van de leerlingen op de basisscholen in Antwerpen Centrum geen Nederlands spreekt, en afkomstig is uit een andere cultuur. Op zo’n moment kan je er niet meer vanuit gaan dat er zoiets is als een gedeeld cultuurgoed, je moet zelf dat cultuurgoed gaan uitvinden. Dat wil ook zeggen dat je er rekening mee houdt dat de taalcompetentie van je publiek misschien wat lager ligt, en dat het muzikale as- pect van je voorstellingen mogelijk belangrijker wordt. Daarom hebben we ook een concertreeks georganiseerd, met Sam Vloemans, rond water, aarde, lucht en vuur: universele begrippen voor kinderen vanaf vier jaar. De reeks heette Nachtmuziek en was gebaseerd op wiegeliedjes van Afrika tot India. De tekst van die liedjes was niet zo belangrijk, maar het ritme ervan des te meer.

We moeten zoeken naar een verhaal dat kinderen vandaag met mekaar verbindt, we moeten ons richten tot de toekomstige ouders, die dan weer gebruik zullen kunnen maken van dit gemeenschappelijke goed. Het theater kan mensen sensibiliseren om nieuw erfgoed te creëren. Elke voorstelling is een uitnodiging om terug naar het theater te komen.

Kindertheater in oorlogstijden

Ik herinner mij een project uit 1994: ik was aanwezig op een congres over de rechten van het kind, en op hetzelfde moment woedde de oorlog in Bosnië en Kroatië. Het leek absurd om over zoiets te praten op het moment dat je weet dat die rechten op nauwelijks een paar honderd kilometer compleet met de voeten worden getreden. Tijdens dat congres heb ik dan ook het voorstel gelanceerd om met verschillende landen samen te werken om hier iets rond te doen. Enkele weken later zijn er dan effectief een aantal kandidaten naar de Kopergietery gekomen en zijn we aan het project begonnen. Italië, Portugal, Nederland, Duitsland en België wilden de han- den in mekaar slaan om het kindertheater naar het oorlogsgebied te brengen. Het project werd The Right Shoes gedoopt, en met een DC10 van het Belgische Leger zijn we naar Zagreb gevlogen om te spelen op pleintjes, in stukgeschoten huizen, overal waar we een plek vonden.

De hele operatie werd vanuit Kroatië gecoördineerd, maar het was een politiek neu- trale onderneming, iets als een Artsen Zonder Grenzen voor de kinderen. In een ka- potgeschoten kerk hebben we toen onze eerste voorstelling gespeeld, een aaneen- schakeling van intimistische kraaltjes. En dat was duidelijk niet wat de kinderen wilden zien: het geroep en geschreeuw is heel de voorstelling lang niet stil gevallen. We hebben dus al dat materiaal weggegooid, en zijn samen gaan zitten om na te den- ken over wat theater dààr in die situatie moest zijn: theater in een oorlogsgebied, tussen de brokstukken. De volgende keer toen we voor de kinderen speelden, vonden we wel aansluiting: de dialoog was veel directer en opeens kregen we wél alle aandacht.

Met Ineke Nijssen en Jeanne Pennings maakte ik toen Recht op Privacy: een dagboek- voorstelling zonder taal. Dat werd een clowneske voorstelling, met volle begrip van de waanzin waarin we speelden: het is oorlog! Wat heeft theater dan nog te be- tekenen? Eigenlijk kregen we binnen dat ene uur al meteen een antwoord op die vraag: binnen die tijd ontstond er een enorme verbondenheid bij de kijkers, maar ook tussen de kijkers en onszelf. En niet alleen met de kinderen, maar ook met hun moeders. Dat is wat je wilt bereiken met het theater: je wil genieten van het spel, en je wilt de betrokkenheid van de kijkers winnen.

Het verhaal van een gewelddadig nu

Sinds Zolderling hanteren we bij Bronks een andere manier om met tekst om te gaan: elke nieuwe theatertekst wordt geconfronteerd met het publiek in een publieke lezing. Dat heeft al heel veel opgeleverd, zowel voor de makers als de kinderen. De acteurs krijgen ook heel veel informatie om mee aan het werk te gaan, en die kunnen ze dan weer uittesten tijdens de try-outs. Mieja Hollevoet heeft nu net Zwijnen bij ons gemaakt, een hedendaagse lezing van Titus Andronicus van Shakespeare. Bij een eerste publieke lezing met zes acteurs, leverde dat een heel goed nagesprek op met de leerlingen van het zesde leerjaar. Ze hadden verrassend veel uit de tekst gehaald, en wisten ook feilloos de link te leggen met de gruwel van vandaag.

Zwijnen is dan ook een stuk dat het heeft over de essentie van deze tijd. Dat is ook één van de redenen waarom enkele culturele centra afgehaakt hebben: omdat het te ge- welddadig zou zijn. En daar komen we opnieuw bij één van de hoofdproblemen van het kinder- en jeugdtheater terecht: het feit dat de ouders en de programmatoren heel vaak overbeschermend gaan optreden naar de kinderen toe. Wij doen natuurlijk ook niet zomaar wat. Wij hebben een pedagoge, Tine Melens, die ook speldocent is, en na de voorstelling met zeer gerichte vragen naar de leerlingen toestapt. Bij Zwijnen was er één meisje dat een nachtmerrie had gekregen. Er zit namelijk een scène in waarin de zoon gedood en in een taart opgediend wordt aan zijn moeder. Nochtans lezen de kinderen de voorstelling op hun eigen niveau. Kinderen worden vandaag doorlopend met geweld geconfronteerd. Soms lijkt het wel of ze er helemaal niet meer vatbaar voor zijn. Als je dan de aanpak ziet van Mieja Hollevoet, die dit geweld toch helemaal anders benadert, die de wreedheid in een heel mooi kader laat verschijnen, dan is dat precies belangrijk: wrede schoonheid.

De kinderen leggen vrij direct de link tussen Zwijnen en het nieuws dat ze oppikken uit kranten en nieuwsberichten. Ze zien de oorlog vandaag, ze weten dat er in Irak mensen worden doodgeschoten. Ze worden geconfronteerd met de onver-enigbaarheid van verschillende godsdiensten, en met de rol van Amerika hierin. En bovendien kennen ze natuurlijk het geweld ook van dichtbij: vanuit de dagelijkse klasruzies en de gevechten onderling. Daarom is het ook goed om met de kinderen te praten nadat ze een lezing hebben meegemaakt. Niet alleen de mondige kinderen, maar ook de anderen, die uit hun isolement moeten worden gehaald, en die niet kunnen praten over de gruwel waar ze zelf ook mee geconfronteerd worden. Omdat ze zelf van verschillende nationaliteiten zijn, bijvoorbeeld. Zo is er bijvoorbeeld de boosaardige ‘neger’ in Zwijnen, en dan krijgt het zwarte jongetje in de klas de vraag: ging dat over jou, en hoe reageer jij daarop? Doordat Tine de gewoonte heeft om met kinderen te werken, krijgt zij andere antwoorden te horen. Daarom willen we ook met zo klein mogelijke groepjes werken, zodat iedereen een stem kan krijgen. Dat is de verantwoordelijkheid van een huis en een artistiek leider. Mieja is met Titus Andronicus aan de slag gegaan vanuit een overtuiging dat theater een confrontatie moet zijn en vragen moet oproepen. De maker construeert zijn eigen visie op een samenleving, en confronteert die met het publiek. Dat is iets wat Mieja interesseert, en zij is dan ook de juiste persoon om zo’n hard thema op een juiste manier te omkaderen.

Het verhaal van de gemeenschap

De verhalen waar ik vandaag van hou, zijn bijvoorbeeld die van Arne Sierens met zijn Louis Paul Boon-achtige figuren, zoals Trouwfeesten en Processen, of Niet alle Marrokkanen zijn Dieven. Omdat die teksten gaan over een gemeenschap en een samenle- ving. Over ontmoetingen, over emoties, over uitbarstingen en vreugde. Ik las laatst ook de roman De helaasheid der dingen, van Dimitri Verhulst, en daar vind je dezelfde thema’s terug: een gemeenschap van mensen die niet gekozen heeft om met elkaar te leven, maar dat toch doet. Ik hou van dat soort verhalen, omdat ze zo dicht op mijn huid zitten, omdat ze zich afspelen in een zeer herkenbaar milieu, over fami- lies en wat er in leeft. Je kan zo je eigen namen plakken op de figuren die worden voorgesteld. Het is belangrijk dat die verhalen dicht op je huid zitten, omdat ze je dan langer bezig houden. Ik herinner me bijvoorbeeld nog de voorstelling U bent mijn moeder, gespeeld door Joop Admiraal, die ik vijftien jaar geleden gezien heb. Volgens mij is dat een leeftijdloze voorstelling, daar kunnen kinderen van vier tot achttien jaar naartoe, omdat je altijd het kind bent van iemand. Het kindertheater heeft een zeer grote marge. Ik zag de Stefan Perceval-versie toen mijn moeder de- menterend was, en kon op dat moment geen try-out bijwonen, omdat het te pijnlijk was voor mij. Maar voor de voorstelling heb ik wel de familie uitgenodigd, en dan merk je dat je door de keuze van het onderwerp eigenlijk heel uiteenlopende pu- blieksgroepen kan uitnodigen, die mekaar ontmoeten in het onderwerp dat wordt aangesneden. Na tien jaar programmeren in Antwerpen, merk je ook wel dat dit een heel andere praktijk is dan het in Hasselt zou zijn. In je zoektocht naar een publiek, reflecteer je eigenlijk wat er in de stad speelt, en leg je daar ook de nadruk op.

Het moment van de hartenklop

Kort geleden was ik in Marrakech, op het Jenaalfna-plein: een feeërieke omgeving vol lampjes, waar het krioelt van de mensen en de geuren, heel erg geheimzinnig allemaal, het mysterie hangt er gewoon in de lucht. En in die menigte vormden zich cirkels rond een verteller die zijn verhaal deed. Verhalen die steeds terugkeren, maar ook altijd opnieuw worden aangepast aan het hier en nu van de situatie, en afgestemd zijn op de betrokkenheid van die toeschouwers. Oude verhalen waar de verteller zijn eigen persoonlijkheid en besognes in verwerkt. Miller zei ooit dat het theater de gezamenlijke hartenklop is van één seconde, waarin het publiek en de maker samenvallen. En dat zie je daar gebeuren. Elk verhaal is verschillend.

Dat probeer ik ook te doen: ik ben niet dezelfde persoon of maker in Marrakech als in Zagreb. Je zet altijd jezelf, en je eigen positie ter discussie. Theater kan je in die ene seconde vastgrijpen, in dat ene moment van identificatie met wat je ziet: dit gaat over mij, dit ken ik, dit heb ik ook beleefd. Of: dit ken ik helemaal niet, maar zonder dat ik het kan verklaren, word ik er wel heel erg door geraakt. Het is een ontmoeting, en dat is precies wat zo belangrijk is in het leven. Voor mij als maker gaat het er dus over dat ik die ontmoeting wil mogelijk maken. Maar hoe doe je dat? Niet door boventiteling, want dat is niet de beste manier om kinderen te bereiken. Dus ga je op zoek naar andere manieren, je brengt sprekers op de scène, je gaat dingen uitproberen.

Het ultieme moment is voor mij het moment waarop alles op zijn plek valt: wanneer je samen met het publiek een moment beleeft waarin je elkaar vindt, waarin de wereld waarin we leven wordt gereflecteerd. Dat is mijn voortdurende toetssteen, en de bron van mijn zelfkritiek, en dus ook de motor die me aan de gang houdt. Als ik in een volgende productie dat ultieme moment zou bereiken, zou mijn zoektocht ook ophouden, en dat zou de dood van mijn werk betekenen.

Educatieve omkadering

Wat mij soms beangstigt in het jeugd- en kindertheater is de steeds grotere invloed die de educatieve dienst heeft op het proces. Kunsteducatie is er uiteraard niet om de creatie te beklemmen, het is een omkadering die probeert laddertjes te creëren om bij de voorstelling te geraken. Dat hoeft niet per se omgekeerd te gebeuren, al kan je natuurlijk wel een voorstelling afstemmen op een bepaalde leeftijd.

Ik denk bijvoorbeeld aan de voorstelling De koning sterft van Roel Adam, die gebaseerd was op een tekst van Ionesco. Er ontspon zich onmiddellijk een hele discussie rond de vraag of kinderen wel zouden begrijpen waar die voorstelling over gaat. In Ionesco’s tekst gaat het namelijk om een koning die niet kan sterven omdat de verantwoordelijkheid die hij moet dragen te zwaar weegt: er drukken te veel ver- wachtingen op hem, die hij niet zomaar kan laten gaan. Dat is iets wat kinderen wel degelijk begrijpen. Het is onze zoektocht om artistieke producties te maken, en hier dan ook een publiek voor te vinden. De dialoog is hierin heel belangrijk. Het is niet het meest relevante om de mensen te geven wat ze graag zien, maar wel om ze te geven wat ze graag zullen zien. Dat is een groot verschil, en daar tekenen we voor.

Het Paleis van je dromen

Ik heb het huis het Paleis genoemd, omdat ik afstand wilde nemen van de konink- lijke titel van het KJT. Een andere optie zou Het Geduld geweest zijn, want De Tijd was al genomen. Maar het Paleis blijft wel een feeërieke ondertoon bewaren, zowel voor volwassenen als voor kinderen. En tegelijk is een paleis groot genoeg om heel veel dingen simultaan te laten gebeuren: er is een Serre (kleine zaal), een Grote Zaal, een Tuin, enz… Een paleis is een huis met heel veel kamers, waarvan je de deuren en ramen bewust kunt openen en sluiten naargelang je eigen behoeften. Je kan het flink laten waaien, of je kan de artiesten even alle intimiteit laten. Het Paleis is ook een gastvrij huis: ook als we onze dromen niet kunnen realiseren, blijven we doorfeesten.

Verhalen voor de nabije toekomst

Er is de laatste vijf jaar heel veel veranderd: een kind van vijf jaar geleden beweegt niet meer in dezelfde leefwereld als een kind vandaag. Het leeft in een internetwe- reld, bouwt zijn contacten op via de chatlijn, enz… Dat brengt langs de ene kant een heel andere manier van communiceren mee, maar langs de andere kant werkt dit ook isolerend. Er wordt minder in groep gespeeld, kinderen worden veel meer op zichzelf teruggeworpen. Volgens mij is dat iets waar we een serieus gesprek over moeten voeren. Dat is het verhaal dat we vandaag in het jeugdtheater moeten pro- beren te vertellen. Elk kind kiest zelf zijn spelletjes, en meestal zijn dat narratieven uit science fiction, fantasy of gruwelverhalen. Ik denk dat het tijd wordt dat het the- ater daar een paar vragen bij gaat stellen: waar kijk je naar? waarom? wat brengt dit soort gepersonaliseerd kijkgedrag teweeg, enz. Ik zou dat graag eens voorleggen aan een artiest, en kijken welk materiaal hij daaruit kan ontwikkelen. Maar mis- schien kan je met dit gegeven ook kinderen zelf een verhaallijn laten ontwikkelen, laten spelen met de theatervorm, om zo misschien tot een interactieve manier van theaterbeleving te komen. Het feit dat een kind in het reguliere theater moet stilzit- ten en zwijgen, is eigenlijk een erg artificiële vorm. In de tijd van Shakespeare kon iedereen reageren op wat er in het stuk gebeurde. Vandaag zie je dat dat in groepen erg moeilijk ligt, dat er vaak agressief wordt gereageerd. Maar die interactiviteit biedt daar misschien een oplossing voor. Volgens mij worden kinderen te weinig serieus genomen, en kan je best ver gaan in kennisoverdracht. Alleen moet je wel de juiste kennis doorgeven voor vandaag. Je moet kennis doorgeven die aangepast is aan de tijd. Er wordt veel meer geleerd van het internet, en dus door zelfeducatie. Dus kan je die kennisoverdracht gaan personaliseren en aanpassen aan de context en de cultuur van elk kind en zijn achtergrond. Dat is het grote probleem van het onderwijs: de lessen wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, .. zijn niet aangepast aan de divers samengestelde klassen. Wat is vandaag geschiedenis, wat gebeurt er en is er gebeurd in Albanië, Polen, met de Roma. Hoe gaat een kind daarmee om. Door de computer kan je idealiter ieder kind aan het woord laten.

Het probleem is wel dat die technologische theatertaal voor mij erg interessant is, maar dat er maar weinig theatermakers op een interessante manier mee bezig zijn. Ik probeer die dada wel door te geven aan de makers, maar uiteindelijk gaat het nooit over mijn verhaal, maar om het hunne.

Het verhaal zit hem in zijn staart

Het is niet zozeer het verhaal dat mij interesseert, maar eerder het verhalende: de spanningslijn die zich doorheen heel veel theatrale elementen kan ontwikkelen: in beweging, in muziek, in dans… Het gaat om een emotie, om een intellectueel besef dat zich ontwikkelt tijdens de voorstelling. Op dat vlak zijn kinderen een erg slim en gevoelig publiek. Ze voelen het kantelen van de sfeer in een voorstelling feilloos aan. Misschien omdat ze de dingen niet meteen terugkoppelen naar vaststaande referentiekaders? Misschien omdat ze op die leeftijd nog makkelijker te raken zijn door de dingen zoals ze zijn? Als regisseur geeft het je in elk geval heel veel vrijheid om ritmisch te werken. Op een bepaald moment in Wanhopige Leeftijd is er bijvoor- beeld een scène waarin de ‘healthy-wealthy’ elf in de armen van de Lange Dunne Man ligt. Het is ineens heel stil, en je krijgt een kanteling in de voorstelling, die de kinderen onmiddellijk zelf registreren. Mr. Bert vraagt dan ook heel logisch aan de elf of ze dood is? En of ze, als dat zo is, even met haar vleugels wil flapperen? De kinderen pikken de ironie van zo’n vraag niet op. De volwassene wel, en dus ligt het verhaal voor hem meteen ergens anders.

Ik heb vaak het gevoel dat de vragen die gesteld worden over kindertheater, geen ech- te vragen zijn. Omdat je uiteindelijk toch niet anders kan als maker, dan proberen ge- stalte te geven aan wat je bezig houdt, wat je wilt vertellen, wat je wilt tonen. Daar kan je geen ‘concessies’ in doen, omdat je je richt op een bepaalde publieksgroep. Wat wel zo is, volgens mij, is dat de talenten van sommige mensen zich richten op een wereld die dicht aansluit bij de belevingswereld van kinderen. Maar er staan geen slagbomen opgesteld tussen het ene en het andere theater.

In een Glazen Huis

Het nieuwe huis van Bronks moet dus ook expliciet een open huis zijn. Er is een theaterzaal, 2 repetitiestudio’s, bureau’s en een atelier, en voor mij zou het ideaal zijn als in al die ruimtes tegelijkertijd iets zou gebeuren. Als er een klas aan het werken is, terwijl de artiesten in een andere ruimte bezig zijn. We willen nu ook de leeftijdsgroep boven 12 jaar aanspreken, wat tot nu toe niet het geval was. en vanaf 14 jaar zouden de jongeren de kans moeten krijgen om zelf te programmeren. Wat ik voor ogen heb is een huis dat constant aan het bougeren is, en waar het publiek ook een inkijk krijgt in de manier waarop kinderen praten, spelen, ik wil dat ze kunnen binnenkijken in de repetitieprocessen, zodat ouders een idee zouden krij- gen van wat er gebeurt. Natuurlijk gaan we dat niet zo letterlijk organiseren, maar dat is wel mijn droomhuis. Het theater staat te ver van de werkelijkheid af, ik wil dat die doorstroming op een spontanere manier gebeurt. Het ‘elitaire’ theater kan wel degelijk doorbroken worden.

Daarom wil ik ook zo veel mogelijk met de buurt gaan werken. Als een missionaris, of in het verlengde van de leerkracht die ik ooit was, vanuit die sociale context waar ik altijd mee geworsteld heb, en waarin iedereen gelijk is, wil ik buurtprojecten orga- niseren, met het Klein Kasteeltje bijvoorbeeld: wat kan een huis als Bronks voor hen betekenen? Als je je zo erg toelegt op het buurtleven, betekent dat ook dat je nu en dan toegevingen zal moeten doen. Door meer muziek(theater) te programmeren, bijvoorbeeld, waardoor je de initiële taalbarrière kan doorbreken, door een gemeenschappelijke taal te zoeken om tot uitwisseling te komen. Dat is de werkelijkheid waar we mee om moeten gaan: Ik zag laatst een documentaire over een jongen uit Palestina, Ismaël, die vijf jaar lang in een kindertheatergroep had gezeten, tot de groep werd opgedoekt. Hij zei in de documentaire, dat hij waarschijnlijk nooit soldaat zou zijn geworden, als die theatergroep was blijven bestaan. Dat is wat theater kan doen! We zijn in de wereld geworpen, en dus moeten we er het beste van maken. Maar onze opvoeding maakt ons niet weerbaar, geeft ons niet de instrumenten om met dat leven om te kunnen. In het onderwijs kan je wel bij kinderen die talenten opsnorren, die hen later de kracht zullen geven om hun moeilijkheden te overwinnen. Of het nu muziek is, of theater, of sport, het moment dat je ontdekt dat je iets kan, en dat je kunnen iets betekent, heb je jezelf al heel wat sterker bewapend om het leven aan te kunnen.

Het huis is de droom is de werkelijkheid

Als ik denk over een beeld voor de Kopergietery, denk ik aan een droom die ik had toen ik een jaar of dertien was. Ik dacht toen dat er ergens een huis zou moeten zijn met binnenpleinen en roltrappen, met een theater waar je op de trappen je boterhammen kon opeten, waar muzikanten door de gangen zwierven, waarin je omhuld werd als in een geweldige zomerjas, waar je in leefde. Wat de Kopergietery zoveel later is geworden, ligt daar niet zover van af. Het was geen droom, het was pure realiteit.

Portret van de heks als barones en zigeunerin

Er zit heel veel woede in mijn werk: de achterkant van de medaille van mijn ver- langen, van mijn passie. Ik werk vanuit uitersten: de woede en het sarcasme staan tegenover de ironie en de passie, tegenover het geloof. Ik heb enige tijd geleden de titel van ‘barones’ toegewezen gekregen, en toen mocht ik van de koning een wa- penschild ontwerpen. Als spreuk heb ik simpelweg gekozen voor ‘Het Kan’, en daar moest de koning ook erg om lachen. Maar ‘Het Kan’ is de kernachtige uitdrukking van die passie. Het kan dat je geneest, het kan dat je verliefd wordt. Het kan na- tuurlijk ook niet, maar dat is zodanig vanzelfsprekend, dat je dat niet eens hoeft aan te geven. Alles wat je maakt, is sociaal geëngageerd. Iedere keer dat je de hoop uitspreekt (en daarvoor hoef je geen moraalridder te zijn), spreek je over een samen- leving. Of je het nu hebt over Desperate Love, of over een thriller van Simenon.

Ikzelf ben heel veel dingen. Ik ben alle leeftijden die ik ooit was, en alle levens die ik heb geleefd, alle verhalen die ik heb gedeeld met de kinderen, of met de mensen waarmee ik heb gewerkt. Als ik kan weglopen, blijf ik. Zonder dat achterdeurtje zou ik niet kunnen werken. Ik ben een barones en een zigeunerin, en die gespleten- heid is precies wat je krachtig maakt in het leven. Ik ben Sisyphus die probeert om iedere keer Mr. Bert perfect en compleet te krijgen. Iedere keer opnieuw. Maar die ook iedere keer weer het foutje toelaat, dat mij toelaat om verder te werken.

 

artikel
Leestijd 16 — 19 minuten

#107

15.06.2007

14.09.2007

Elke Van Campenhout

Elke Van Campenhout is redacteur van Etcetera, is freelance publicist voor diverse kunsttijdschriften, en werkt als curator en dramaturg.

artikel