© Michiel Devijver

Leestijd 7 — 10 minuten

Dragen we genoeg zorg?

Een verslag van de volksassemblee over burn-out door Etcetera x NTGent

“Het idee dat we ons werk moeten liefhebben maakt ons kwetsbaar voor uitbuiting,” zo stelde Lieke Knijnenburg vast in een artikel rond de hedendaagse ‘productiviteitsdwang’ (De Groene Amsterdammer, 30/6). Het mechanisme is bij uitstek van toepassing in de kunstensector, waar dwang niet zelden productiviteitsdrang is. “De drang om te maken en spelen is verslavend,” zo klonk het ook op de reflectiedag van NTGent en Etcetera, waar aandacht werd besteed aan een van de meest urgente gevolgen van die dwang of drang: de burn-outgolf of -epidemie die door de sector zou razen.

Is het dan: eigen schuld, dikke bult? Neen, zo klinkt het in de verschillende gespreksgroepen van de volksassemblee. “We moeten juist af van die individuele schuldvraag. Zelfzorg is geen individuele, maar een collectieve verantwoordelijkheid.”

De assemblee boog zich over een aantal topics die elk vanuit een ander perspectief het thema belichtten. Aan de bron van alle gesprekken ligt misschien wel de oervraag naar de betekenis van werk, en de plaats die werk moet of mag innemen in ons leven. “We zijn slecht in vrije tijd” wordt als snel geconstateerd in de eerste gespreksgroep. Werk is zo sterk gaan samenvallen met onze identiteit dat we het moeilijk hebben met het invullen van ‘niet-werk’. Veel van onze vrijetijdsbestedingen zijn functionele invullingen: sporten, aan yoga doen, lezen – om straks weer beter te kunnen presteren. De existentiële betekenis van burn-out komt op tafel als iets dat veel dieper gaat dan een werkgerelateerd probleem. “Is het een manier om te zeggen dat we ongelukkig zijn?” Een burn-out is een meer sociaal-wenselijke vertaling van een existentiële leegte geworden, daar waar depressie moeilijker wordt aanvaard, zo vermoedt de groep.

We doen een poging om tot definities van ‘vrije tijd’ of ‘ontspannen’ te komen, zowel financieel als existentieel. Het zijn vooral definities ex negativa: als werk is waar we voor betaald worden, dan is ontspanning niet per se datgene waarvoor we niet betaald worden – denk aan onbetaald ‘werk’ als vrijwilligerswerk of activisme. Existentieel gezien is vrije tijd vooral niet-functioneel, het is géén taak (afwassen als vorm van ontspanning), het is iets wat niet per se bijdraagt tot onze persoonlijke groei of een betere wereld – met voorbeelden als slapen of tv-kijken. Ook valt de mooie term ‘rondleven’ – gewoon wat in het rondleven, zonder doel of richting. In de kunstensector vormt dit ‘rondleven’ (op de tram zitten en naar de wereld kijken) vaak de humus voor artistiek werk, maar van zodra het intentioneel wordt (ik ga op de tram zitten om inspiratie op te doen) is het geen vrije tijd meer. De scheidslijn is dun.

Het beest heeft een naam

In een tweede gespreksgroep ging het over burn-out vroeger en nu. De groep heeft daar geen cijfers over, maar het lijkt erop dat in eerste instantie niet het fenomeen zelf is toegenomen. Wél worden burn-outs meer benoemd en besproken. ‘Burn-out’ heeft iets van een containerbegrip (waaronder ook depressie kan vallen, CVS, immuniteitsproblemen, …) maar het feit dat de term intussen ingeburgerd is heeft het gemakkelijker gemaakt om ermee naar buiten te komen, en het probleem aan te pakken. De vraag volgt of we dan ook sneller aan de alarmbel trekken dan pakweg tien jaar terug. In geprivilegieerde omgevingen wel, zo besluit deze groep. Wie niet het gevoel heeft dat er ruimte is om aan de alarmbel te trekken, zal dat nog steeds niet doen. Op een vreemde manier is burn-out zo ook een ‘luxeprobleem’.

De openheid en bespreekbaarheid die het gevolg zijn van het benoemen is een positieve zaak, maar wat tricky blijft: de term wordt nog steeds geïnterpreteerd als een ‘persoonlijk’ probleem (‘ik heb een burn-out’), dat dus ook individueel moet worden opgelost. Nochtans wordt het steeds duidelijker wordt dat het om een systemisch probleem gaat. Dat systeem is er overigens op gericht om de ‘zieke’ zo snel mogelijk weer aan het werk te krijgen, in dezelfde rol als voorheen – onder meer door de regeling omtrent ziekteverzekeringen. Er lijkt weinig openheid om na te denken over andere scenario’s dan terugkeer naar de job. Eveneens een valkuil: de bespreekbaarheid mag geen schijnbespreekbaarheid zijn (zie ook de valkuil van het privilege). Een burn-out kan individuele of symbolische aandacht krijgen, maar als werkgever of als samenleving nemen we het probleem nog steeds niet ernstig (genoeg). Cruciaal is de vraag naar actie, naar effectieve daden.

De zoektocht naar oorzaken

Ondanks het feit dat het fenomeen wellicht meer ‘zichtbaar wordt gemaakt’ door het woord dat ervoor bestaat, vermoedt de groep ook dat er een reële stijging zit in het aantal burn-outs. Als oorzaken wordt gewezen naar het economische neoliberalisme, de cultus van het individualisme (de doorgeslagen drang naar autonomie), de eenzaamheid die deze bewegingen met zich meebrengen, …  We vragen ons af of burn-out een westerse ziekte is en moeten het antwoord daarop schuldig blijven. De groep stelt vast dat het onderscheid tussen werktijd en vrije tijd is vervaagd en vrije tijd ‘werktijd’ geworden is, in het kader van zelfoptimalisatie. Als ook vrijetijdsactiviteiten gericht zijn op prestatie en ‘goed ontspannen’ de norm is, blijft de druk constant. “De geest van het ene is in het andere gekropen”, zo wordt er gezegd.

Een tweede gesprekslijn gaat over het feit dat een aantal jobs inhoudelijk uitgehold zijn, gestript van hun betekenis, en dat de autonomie waarmee ze kunnen worden uitgevoerd is verdwenen (denk aan leerkrachten, zorgpersoneel, …). Door een overdaad aan administratieve regels en verplichtingen voelen mensen zich geen subject meer in hun job, maar een object. De vervreemding van de arbeid (we zijn slaaf van regels, maar ook van machines, technologie, hiërarchische systemen, …) put ons uit.

Tenslotte wordt in deze groep de opmerking gemaakt dat voor ‘trage’ werknemers – werknemers herstellende van een burn-out, of werknemers die niet meekunnen of niet meewillen in de ratrace – geen plaats is in onze werkomgevingen. Iemand getuigt van zijn pogingen om na een burn-out zijn arbeidstempo zelf te bepalen – het leidde tot ontslag. Er wordt gesproken over de parallel met andere ‘kwetsbare’ groepen: mensen met een beperking bijvoorbeeld, die worden gezien als ‘de uitzondering’ in een werkomgeving, maar het zijn niet zij die niet ‘meekunnen’ – meer en meer blijkt dat niemand van ons ‘meekan’.

 Oplossingen op individuele schaal

In de groep ‘leven na burn-out’ wordt gezocht naar oplossingen of alternatieven op individuele schaal. Wat is er nodig om je jezelf anders te organiseren? Hoe kunnen we de balans werk-privé gezond houden? Het is opvallend dat er in de groep niet wordt gesproken over ‘te veel werk’ als oorzaak van burn-out – en dat ‘minder werken’ dus ook niet per se de oplossing lijkt. Veeleer gaat het om eigenaarschap houden, grenzen stellen, duidelijkheid scheppen over taken en rollen, fysieke zelfzorg (goed slapen, eten, luisteren naar je lichaam). Het ‘neen’ zeggen wordt gezien als een vorm van engagement – door neen te zeggen druk je uit that you care. Opnieuw rijzen vragen over de dubbelheid van de verantwoordelijkheid: moet je zelf grenzen stellen, of kan dat ook van je organisatie/omgeving worden verwacht? Een bedrijfscultuur waar het een trofee is om als laatste aan het werk te blijven of ‘druk druk druk’ te zijn, lijkt achterhaald. Daartegenover staat een cultuur waar zelfzorg een collectieve verantwoordelijkheid is, en er voldoende aandacht is voor ieders onzekerheden en twijfels.

Een interessante en zeer concrete suggestie om de last van de verantwoordelijkheid te verminderen is de zogenaamde ‘busregel’ – in een bedrijf moeten steeds twee mensen een back-up zijn voor elkaar: doordat ze dezelfde kennis en vaardigheden bezitten kan de een invallen voor de ander (bij wijze van spreken op het ongelukkige moment dat iemand onder een bus loopt, of, minder dramatisch, iemand te zwaar belast dreigt te raken). Specifiek voor de kunstensector valt de opmerking dat creatief zijn deel is van het ‘werk’, en dat er dus ook binnen de werkuren tijd moet en kan vrijgemaakt worden voor creativiteit. Daarnaast, niet verwonderlijk voor een sector die zo sterk boogt op menselijke contacten, stelt iemand eenvoudigweg vast dat ‘werken met de juiste mensen’ ook al helpt.

De macroschaal

Zoals meermaals benadrukt: het probleem heeft een persoonlijke en een systemische kant, en specifiek met betrekking tot de kunstensector valt in de groep die zich buigt over degrowth de zelfanalyse dat ‘de drang tot maken en spelen verslavend is in de kunsten’. De groep is het er snel over eens dat met die verslaving zelf niets aan de hand is, maar dat de crux zit in de productiemechanismen die die drive omkaderen. Ook in de kunstensector zijn die mechanismen neoliberaal, en dat creëert niet alleen een drang naar professionalisering en efficiëntie, maar ook lage lonen en onzekere statuten. Iemand merkt op dat het dalen van de werkloosheidsvergoedingen een sterke impact heeft op de werkdruk: er is geen mogelijkheid meer tot ‘time-out’. Samenvattend is de conclusie dat de eigen sector vastzit in een groeimodel dat naadloos het economische groeimodel kopieert en een logica die hyperflexibiliteit eist. Daaruit vloeit het gevoel voort dat we ‘dankbaar’ moeten zijn om werk te hebben, dat we geen werk kunnen weigeren. De onzekerheid over de eigen werktoekomst (statuten) maakt de onderhandelingspositie van de werknemers zwak.

Wat kan daartegenover staan? Degrowth wordt door deze groep gedefinieerd in termen van ‘meer’: meer tijd, ruimte, zorg om er te mogen ‘zijn’, om te werken zonder dat dat meteen resultaatsgericht is. Wanneer we het hebben over ‘less is more’ gaat het specifiek voor de kunstensector niet zozeer over minder maken en spelen, maar wel over ‘anders’ maken en spelen. Het voorbeeld van het spelerscollectief Transfo Collect valt: degrowth gaat in hun geval over de tijd en ruimte krijgen om iets voor te bereiden, en daarmee naar buiten te komen wanneer het moment daar is. Er zijn hier en daar praktijken te zien  die als inspiratie zouden kunnen dienen voor de grotere productielogica. Naast Tranfo Collect valt het voorbeeld van collectief Camping Sunset, dat twee weken repeteert en daarna drie weken speelt om verder te groeien. De valkuil is om deze praktijken meteen in het ‘hokje’ van het sociale of het sociaal-artistieke te duwen. De oplossing voor een mentaliteitswijziging zit in het collectief opnemen van verantwoordelijkheid, want voor individuele organisaties is deze taak te zwaar.  

Bij de finale terugkoppeling van de verschillende gespreksgroepen in een afsluitend moment, blijkt dit de rode draad door de verschillende gesprekken: het fenomeen van burn-out is niet los te zien van de bredere maatschappelijke context waarin het zich ontwikkelt, in casu: een hyperneoliberale cultuur die we allemaal (ten dele) hebben geïnternaliseerd. Dat lijkt een open deur, maar desondanks worden oplossingen nog steeds te vaak op individueel of op organisatieniveau gezocht, en te weinig collectief of structureel. Tegelijkertijd moeten we beseffen dat we ons dat nuttigheidsdenken zozeer hebben eigen gemaakt, dat het gevecht ten dele ook met onszelf moet worden gevoerd. Om te weerstaan aan het schuldgevoel veroorzaakt door de laziness lie – waarmee Lieke Knijnenburg sociaalpsycholoog Devon Price citeert – moeten we het idee loslaten dat een goed leven ook een nuttig leven is. In het doelloze ‘nietsdoen’, zoals dat van Tsjechovs zwalpende antiheld Ivanov, zou wel eens een grote subversiviteit kunnen liggen.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#168

15.05.2022

14.09.2022

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!