ALL TOGETHER NOW! – Suze Milius / House Crying Yellow Tears & Toneelhuis
Een overladen tafel zonder poten
Natalie Gielen
‘Kritiek is steeds het wapen geweest tegen het instrumentele, nu is kritiek een instrument.’ Enkele dagen geleden stootte ik toevallig op dit citaat, tijdens research voor een artikel. Het is een citaat van wijlen Dirk Lauwaert in een artikel uit Etcetera 50, een nummer volledig gewijd aan theaterkritiek. We schrijven juni 1995, bijna twintig jaar geleden, en uit het themanummer blijkt dat de theaterkritiek in crisis is – nogmaals, alweer, toen al.
Het lijkt er zo stilaan op dat de permanente zijnstoestand van de theaterkritiek, of van de kunstkritiek in het algemeen, er een van ‘crisis’ is. Oorzaak van de bezorgdheid in 1995 was de instrumentalisering van de kunstkritiek in de mainstream media: steeds kortere stukken in kranten en tijdschriften, liefst human interest met bekende koppen, nauwelijks nog plaats voor diepgravende analyses – dat verhaal kennen we intussen. Kritiek als instrument van de marketing, de PR, de verkoop.
Misschien was het naïef om iets anders te verwachten van een geschreven pers die uitsluitend is ingebed in een commerciële sector. Kranten moeten nu eenmaal zo veel mogelijk verkopen, en dat de strategie die zij daar in al hun wanhopige onnozelheid voor aanwenden die van de vervlakking is, strookt alleen maar met hun logica. Maar er is ook een andere soort instrumentalisering aan de gang, eentje die zich buiten de commerciële sector ontwikkelt, in de eigen kunstkritische habitat van de ‘gespecialiseerde pers’. Deze instrumentalisering bekent zich niet tot platte verkoopsdoeleinden, maar verschuilt zich achter een stoplap, een woord zo vaak gebruikt en misbruikt dat het onderweg elke relevantie heeft verloren.
Kunt u het raden?
Het gaat om het woord ‘relevantie’.
Rond ‘relevantie’ hangt een aura van sérieux en intellectuele bezorgdheid, van diepgang zelfs. Regelmatig wordt de relevantie van een bepaald artikel of van een bepaald medium in vraag gesteld. Een hoofdredacteur vroeg zich onlangs luidop af of zijn kunsttijdschrift met X-aantal abonnees nog wel relevant was. Een criticus bezwoer me dat zijn artikels voor hem alle relevantie zouden verliezen als ze slechts door X mensen zouden gelezen worden. Wat dat dan precies is, relevantie, voor wie, en vooral: welke waarde ‘X’ heeft, dat alles bleef telkens in het duister.
Wat ik hier duidelijk wil maken, is dat ook de term ‘relevantie’ intussen gekaapt is door een neoliberaal denken, waardoor het geen kwalitatieve aanduiding meer is, maar een kwantitatieve. De term verwijst in bovenstaande uitspraken immers niet naar het inhoudelijk belang van een tijdschrift of een artikel, maar naar het bereik, de afzetmarkt. Net zoals iedereen intussen weet dat de ‘relevante zoekresultaten’ onder aan elke Googlepagina niet verwijzen naar de beste resultaten, maar naar de links waarop het meest geklikt wordt.
Het vreemde is dat diezelfde kunstcritici en redacteurs zouden aarzelen om dezelfde uitspraken te doen over hun geliefde onderwerp, de kunsten zelf. De meeste critici verzetten zich nog steeds heftig tegen een cijfermatige benadering van de kunsten. De relevantie van een voorstelling is nu eenmaal niet af te meten aan haar aantal toeschouwers, toch? Waarom is de relevantie van een artikel dan wél af te meten aan zijn lezers, die van een tijdschrift aan het aantal verkochte abonnementen? De meeste critici zullen, en gelukkig maar, altijd en overal blijven beweren dat kwaliteit boven kwantiteit gaat. Waarom houden ze dat credo dan niet vol met betrekking tot hun eigen praktijk?
Omdat, zult u zeggen, zullen zij zeggen, de kunstcriticus een andere rol heeft te vervullen dan de kunstenaar. Maar wat is dan vandaag die rol van de kunstcriticus? Ik heb het gevoel dat hij, in lijn met een beleidsmatige obsessie voor participatie en toegankelijkheid, steeds meer wordt gereduceerd tot een veredelde publieksbemiddelaar – met alle respect voor dat vak, overigens. De kunstcriticus moet dienstbaar zijn. Hij moet intermediair zijn, vertaler, doorgeefluik, uitlegger, leraar, aanspreekpunt. Hij moet het draagvlak voor de kunstkritiek en de kunsten helpen vergroten. Schakel zijn tussen het kunstwerk en ‘het’ publiek.
Dat is veel ‘moeten’.
Ik krijg het een beetje op de zenuwen van zo veel moeten.
Bovendien ben ik het radicaal oneens met die dwingende taakomschrijving. Ik ben het radicaal oneens met die instrumentele benadering van de kunstcriticus. De kunstcriticus is voor mij, in de eerste plaats, een auteur. Dat betekent niet dat hij meteen ook een kunstenaar is, of misschien slechts in de tweede graad, want in zijn praktijk is hij steeds afhankelijk van het ‘eerstegraads’-kunstwerk van een ander. Maar minstens is hij een scheppend figuur, die met liefde en expertise om zijn onderwerp heen cirkelt, het vragen stelt, zich erdoor ‘aan het spreken’ laat brengen, zoals Bart Verschaffel dat zou zeggen. Het belangrijkste is dat hij dat integer doet, behoedzaam en respectvol, niét hoeveel lezers dat hij daarmee bereikt. Wanneer hetgeen hij schrijft relevant is – in de kwalitatieve betekenis van het woord – ben ik er immers van overtuigd dat hij daar een publiek voor zal vinden, hoe lang zijn teksten ook zijn, hoeveel moeilijke woorden hij ook gebruikt. Misschien is dat naïef van me.
Ik vind het gevaarlijk voor de kunstkritiek om mee te gaan in een kwantitatief discours met betrekking tot bereik, ook al verschuilt dat discours zich dan achter de term ‘relevantie’. De Nederlandse kunstensector dacht zich óók te kunnen redden door mee te spreken in die logica, maar werd vorig jaar pijnlijk wakker uit de droom. Woorden zijn gevaarlijk, zoals Pascal Gielen al meerdere keren heeft betoogd. Wie er eerst mee instemt zich door termen als ‘publieksbereik’ en ‘lezersaantallen’ te laten strikken, moet achteraf niet komen klagen nul op het rekest gekregen te hebben.
Misschien is er wel een natuurlijke grens aan het aantal mensen dat überhaupt geïnteresseerd is in beschouwingen over kunst, net zoals er wellicht een natuurlijke grens is aan mensen die geïnteresseerd zijn in kunst. Zou dat zo’n vreselijke vaststelling zijn? Ik vind van niet. Ik heb uiteraard makkelijk praten, want ik ben geen uitgever of hoofdredacteur van een blad dat moet vechten om te overleven. Maar ik blijf erbij dat het grootste ongeluk dat de kunstkritiek zou kunnen overkomen er niet in bestaat dat ze zou marginaliseren, wel dat ze, uit valse angst voor een verlies aan legitimiteit, zichzelf zou verloochenen, zich slaafs zou overgeven aan een retoriek van instrumentalisering.
Als de kunstkritiek al in crisis is, dan is het vooral omdat haar critici paniekerig beginnen morrelen aan de eigen praktijk. Laat iedere criticus dus staan voor zijn vak, zijn integriteit bewaken en dicht bij zichzelf blijven. Doen wat hij vindt te moeten doen, wat zijn core business is. Een beetje minder angst, en een beetje meer geloof en vertrouwen in de relevantie van de eigen kunstkritische praktijk, zou ons allemaal goed doen.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.