Wim Van Gansbeke

Leestijd 3 — 6 minuten

Die Nederlanders toch!

Zo’n twee maanden geleden werd mij gevraagd om te figureren in een panel dat tijdens het Nederlands-Vlaams theaterfestival in Rotterdam zou debatteren over theater en televisie of theater op de televisie of over “de relatie tussen televisie en theater”. Makkelijk! Hebben ze mij bij de hand als jurylid van bet festival, hebben ze nog een Vlaams alibi nodig (ik blijk als enige Vlaming te zetelen onder zes panelleden en een moderator) en denken ze? omdat de BRT mijn werkgever is en ik me, daar ik nergens anders voor deug, met theater bezighoud, dat ik dagelijks enige diepere gedachten afscheid en boekstaaf over die relatie tussen theater en televisie.

Ja, kom nu! De idee dat zelfs bedaagde Hollandse intellektuelen bij de naam van een omroepinstituut meteen en uitsluitend aan televisie denken! Ik voel me in mijn kont gebeten! De naïviteit om te veronderstellen dat de televisie een radioman ook maar één sodemieter kan scheien, laat staan dat hij er gedachten over zou WILLEN hebben!

Maar het mooiste komt nog. De achtste augustus word ik er vanuit het Amsterdamse bastion van het misverstand op geattendeerd dat er tijdens het debat ook een “centrale vraagstelling” zal zijn. Natuurlijk — en daar ben ik op voorbereid — zal mij de simpele vraag gesteld worden wat nu mijn idee is over de relatie tussen theater en televisie, in acht genomen alle mogelijke aspecten van deze relatie. Die vraag zal ook aan de andere panelleden gesteld worden, niemand zal daar hetzelfde over denken of op zijn minst krampachtig proberen dat niet te doen, en je hebt een debat. Deze eenvoud zelve een “centrale vraagstelling” noemen, lijkt mij misbruik maken van de taal Ik ben ogenblikkelijk op mijn hoede. En jawel!

Hun kwalijke reputatie van twee halen één betalen gestand, gaan de bedenkers van dit debat prompt aan het sjoemelen. Er is niet één, er zijn TWEE centrale vraagstellingen. Asjeblief, dat is het dubbele!

Dommelsch Bier, hebt u wel goed over uw sponsoring nagedacht?!

Maar bet wordt nog leuker, De eerste “centrale vraagstelling” luidt: “Wat gaat er telkens fout in de relatie tussen theater en televisie?”

Gaat er iets fout? Wie zegt dat?

Gaat er TELKENS iets fout? Wie beweert er zoiets?

Dit is geen centrale vraagstelling, maar een als vraag verpakte centrale bewering, getekend J. Sternheim, debatleider. Dat laatste klopt dus ook niet. De heer J, Sternheim blijkt een onruststoker!

Mij niet gezien! MIJN antwoord is klaar! Er gaat NOOIT IETS FOUT in de enzovoort. ALLES gaat ALTIJD GOED in de etcetera. Debat gesloten!

En geen slimmigheidjes zoals “dat in ‘vraagstelling’ zowel het begrip ‘vraag’ als het begrip ‘stelling’ zit.” Of dat, met andere woorden, de vraag ook meteen een bewering zou inhouden.

Want Van Dale heeft er twee dikke delen voor nodig om in zijn derde, tussen S en ZZZZ, streng doch rechtvaardig mee te delen dat “vraagstelling” is: “wat ALS VRAAG gesteld wordt, en tot een oplossing moet gebracht worden,”

De definitie is uitstekend, al bewijst het tweede lid ervan dat de heer Van Dalen ooit aan een theaterdebat heeft deelgenomen.

Maar hiermee zijn we er nog niet,

Voor hetzelfde geld mag deze lui nu overstappen naar de tweede centrale vraagstelling. En die luidt: “Wat zouden de voorwaarden zijn waarop een goede verhouding tussen theater en televisie wèl mogelijk is?”

Beste meneer J. Sternheim: hou theater en televisie zo ver mogelijk uit mekaar! Laat ze onder géén beding mekaar benaderen, laat staan samenwerken!

Ik zei het al: u bent een stokebrand! U probeert water en vuur in mekaars buurt te brengen. Nu kent u toch wel genoeg elementaire chemie om te weten dat, wanneer u zoiets doet, het ene uitdooft en het andere verdampt

Kijk; vóór de theaterscène zit gebruikelijk een doek. Als u dat op het gepaste ogenblik openschuift blijken zich daarachter levende mensen op te houden. Mensen die ademen, praten, zich bewegen. Die u de hand kunt schudden, strelen, slaan zonodig. Met wie u zich in één kamer bevindt en die u niet goedschiks van u af kunt schudden.

Vóór de televisie zit gebruikelijk een scherm. Als u dat probeert open te schuiven, veroorzaakt u alleen maar een implozie, een geblakerd gat, brand in uw woning en misschien wel een splinter in uw oog, waardoor u nooit meer goed theater noch televisie kunt kijken.

Theater en televisie samenbrengen is als goudvissen naar adem laten happen op een podium en mensen verzuipen in een aquarium. U wil toch niet èn de dierenbescherming èn de mensenrechtenorganisaties achter de veren?

Vergeet het toch: er zijn geen voorwaarden waarop een goede verhouding tussen theater en televisie mogelijk zou zijn, Gaat het dus fout? Goed zo! Gaat het telkens opnieuw fout? Des te beter!

Onderaan de uitnodiging van de achtste augustus, die met de dubbele centrale vraagstelling, las ik: “met vriendelijke groeten en bloemen”.

En ik dacht ze zijn zo kwaad nog niet. Ze zuigen wèl het laagste merg uit je? maar ze zijn nooit te beroerd voor een ultiem gracieus gebaar.

Dagenlang keek ik reikhalzend maar tevergeefs uit naar het bestelwagentje van Fleurop. Naarmate de tijd verstreek verwelkten de bloemen in cadans met mijn vertrouwen. Langzamerhand ontlook er een huiveringwekkende gedachte.

Op de ochtend van de 23ste augustus nam ik de brief opnieuw ter hand. Er stond: “Met vriendelijke groeten, Fien Bloemen, coördinatrice”.

Die Nederlanders toch!

column
Leestijd 3 — 6 minuten

Wim Van Gansbeke

column