‘The Lady from Shangai’ – Orson Welles

Paul Pourveur

Leestijd 7 — 10 minuten

De verfomfaaide ruimte

Migraine en de nietigheid van het leven

Gevraagd naar zijn reflecties omtrent lichaam en geheugen, kwam auteur Paul Pourveur uit bij de eindigheid van het lichaam en die van het heelal. In een wereld waarin ‘het actuele’ verdwijnt, blijft daar alleen nog herinnering over?

Het was net alsof ze die dag beslist hadden om de slag van Waterloo opnieuw op te voeren -maar dan wel in mijn hoofd. Een dag waarop je alvast niet de combinatie van woorden ‘Hoe gaat het?’ wil horen omdat je zelfs je hoofd niet kan schudden om duidelijk te maken dat ‘het niet gaat’. Net zoals de slag van Waterloo brak mijn migraine in alle hevigheid los om 6 uur ‘s morgens. Migraine wordt soms ook hoofdpijn met beelden genoemd, omdat tijdens een tiental minuten het blikveld gevuld is met een opeenvolging van gouden, rode, blauwe en groene sterren. Op die kleurrijke tien minuten na, is de hele dag één en al miserie.

Uitgerekend op een dag waarop ik dus sterren voor mijn ogen zie dansen, hoor ik op de radio een wetenschapper gedempt verkondigen (ik heb de klank op minimaal gezet) dat, volgens een nieuwe theorie, het heelal niet langer de grenzeloze en oneindige ruimte is, die we maar amper kunnen bevatten, maar wel een verfomfaaid zootje. Het heelal kan, volgens deze nieuwe theorie, vergeleken worden met een kleine kamer met allemaal spiegels. De ene kaars die daarin brandt, wordt oneindig vaak weerkaatst en zo krijgt men de indruk naar een oneindige hoeveelheid lichtbronnen te kijken. Vertaald naar het heelal wil dit zeggen dat de meeste sterren in feite spiegelbeelden zijn.

De oneindigheid van het heelal als inspiratiebron voor tal van kunstenaars, staalkaart voor verlichte koningen en/of despoten, als ingrediënt voor magiërs, toeverlaat voor teleurgestelden en radelozen, telraam voor geliefden (‘How much do you love me, John?’ ‘Count the stars in the sky'(1)), universele maatstaf bij het meten van de belangrijkheid van de mens, is niet langer bruikbaar. Het heelal is niet langer een perfecte illustratie van het begrip ‘oneindigheid’. De mensheid zal het moeten stellen zonder het absolute, magische, genezende, zelfs therapeutische karakter van het heelal.

Ik, die tot dusver oneindigheid als het mooiste woord beschouwde, niet enkel als begrip, maar ook was het voor mij altijd een intens genoegen om het woord op papier te zetten, het liefst met een Mont Blanc. Eerst de aanloop over een paar klinkers en medeklinkers, dan de hoogte in met de ‘d’, vervolgens met een duizelingwekkende snelheid naar beneden, eventjes met de ‘i’ de maag in de keel voelen, opnieuw naar beneden en dan terug de hoogte in met de ‘h’, om uiteindelijk een aanloop te nemen die eindigt in de sterren. Deze duizelingen van een rollercoaster behoren tot het verleden. Als ik nu het woord ‘oneindigheid’ opschrijf, voel ik me niet langer de verdwaalde, tuimelende astronaut in het koude, onmetelijke heelal.

Hoewel de migraine mijn hersenen in de knel houdt, net als een veel te strakke muts over mijn hoofd, en dat ik me bijzonder miezerig, belabberd voel, waardoor ik op dit moment wel de minst bevoegde persoon ben om enig denkwerk te verrichten, onderneem ik toch een poging om, voor mij en mijn soortgenoten, de consequenties te onderzoeken van deze nieuwe ‘virtuele sterren’-theorie.

Ik maak eerst de verbinding met mijn eigen situatie. Misschien heeft de wereld migraine en ziet zij virtuele sterren voor de ogen dansen. Vroeger dacht men dat hoofdpijn ontstond door giftige gassen die afgescheiden werden door bepaalde organen en naar het hoofd stegen. Giftige dampen worden overal ter wereld in voldoende mate geproduceerd om een soort megamigraine te creëren, met een oneindig aantal virtuele sterren als resultaat. In de ban van de pijn zien mijn hersenen er het nut niet van in om deze gedachtegang verder te zetten.

Mijn verre voorouder, de Cro Magnon, verantwoordelijk voor de introductie van creatieve activiteiten (niet-utilitaire voorwerpen en het ‘museum'(2)), bekeek de met sterren bezaaide hemel niet langer alleen als een natuurelement maar ook, voor het eerst in de menselijke geschiedenis, op een symbolische manier en nam deze op in een stelsel van overtuigingen die nodig waren om zijn overlevingskansen te verhogen. In die tijd waren de overlevingskansen eerder gering, zeker als er Neanderthalers in de grot verderop woonden. Er zijn slechts een paar dingen bekend over deze verre voorouder. Men weet niet op welke symbolische manier hij de sterren aan de hemel interpreteerde, wel weet men dat hij aan migraine leed. Op de één of andere manier hebben wetenschappers kunnen bewijzen dat de Cro Magnon migraineaanvallen had. Vandaag voel ik mij dan ook zeer sterk verbonden met deze voorouder. Al weet ik niet hoe hij de ruimte beschouwde, ik weet erg goed hoe hij zich voelde als hij migraine had. Tegelijkertijd neem ik het hem ook kwalijk. Migraine is erfelijk.

Het lijkt alleszins erg onwaarschijnlijk dat de Cro Magnon het verlangen koesterde om zijn eigen belangrijkheid te willen meten met het universum als maatstaf. Dit is pas later gekomen, toen de mens de sterren niet alleen gebruikte om zijn fysieke plaatsbepaling te berekenen, maar eveneens om zijn mentale gemoedstoestand en filosofische plaats in het universum te kennen.

Zolang hij dacht dat de aarde het middelpunt van het heelal was, had hij reden om te denken dat hij toch wel een belangrijk wezen was. Zelfs toen Copernicus en Galilei hem uit het middelpunt gooiden en de aarde iets opzij schoven, deerde dat niet echt het vertrouwen in zijn belangrijkheid. Hoe meer hij de oneindigheid van de ruimte indook, hoe meer hij echter wel moest inzien dat hij een nietig wezen was. Toen hij ten slotte besefte dat ons zonnestelsel niet eens het centrum was van het heelal, realiseerde hij zich dat hij nog onbeduidender was dan hij dacht. Zich onbeduidend voelen heeft tal van voordelen. Men wordt bescheiden maar tevens relativeert men zijn leven. Tegenover de oneindigheid van het universum, waarin de aarde slechts een zandkorrel is, is het ook niet per se nodig om grote ambities te koesteren, de nietigheid geeft ook een zin aan het leven.

Nu komt alles op losse schroeven te staan. Ik moet mij niet langer situeren tegenover het begrip ‘oneindigheid’ van het universum, maar wel tegenover het begrip ‘zinsbegoocheling’. Daarenboven denk ik dan, maar misschien is het een effect van de migraine op mijn denkvermogen, dat indien de sterren spiegelbeelden zijn, wij dat misschien ook zijn.

De ruimte, de sterren als fysieke (tastbare) aanwezigheid is niet langer een haalbare kaart. Misschien is de nieuwe theorie de laatste slag die toegediend wordt aan de realiteit van de ons omringende wereld. Na het principe van de onzekerheid (Heisenberg) en het principe van de onvolledigheid (Gödel) – voeg daar de catastrofe en de chaostheorie en nu de verfomfaaide ruimte aan toe – is de waarneming van de ons omringende wereld erg bedrieglijk, misleidend, wispelturig en onwaar maar ook van een betoverende onbetrouwbaarheid en onvoorspelbaarheid geworden. Maar het is niet als dusdanig de realiteit (het werkelijk-zijn van iets) die aan het verdwijnen is. De dingen zijn er nog wel, maar het ‘actuele’ (op het ogenblik bestaande) van de dingen krijgt een erg dubbelzinnig en grillig karakter.

Dat we greep verliezen op het ‘actuele’ is ook zichtbaar in de literatuur. In de negentiende-eeuwse romans van Flaubert of Proust wordt met een haast arrogante virtuositeit de werkelijkheid beschreven. De beschrijvingen, soms een volzin van één bladzijde lang, geven een zeer nauwgezet, uiterst gedetailleerd, diepgravend verslag van een situatie, net alsof de schrijver alle raderwerken van een situatie kan ontleden. Deze houding van de schrijver, die de werkelijkheid tot in de fijnste details kan beschrijven, bestaat niet langer – de hedendaagse schrijver gaat de werkelijkheid aan met kortere zinnen, met minder bijvoeglijke naamwoorden. Niet omdat hij minder talentvol is, maar omdat het werkelijkheidsbesef is veranderd. De cartesiaanse denkwijze is niet langer. Onze hedendaagse logica werkt subtieler. De taal beschrijft niet langer, maar omzeilt de werkelijkheid. De taal tracht niet langer een gevoel, een daad, een situatie te vatten waardoor zij zich substitueert aan een gevoel, de daad, de situatie. Taal houdt zich thans op afstand en werkt met correlaties.

Absolute begrippen verdwijnen omdat de taal geen definitieve uitspraken meer wil of kan maken over onze werkelijkheid, over het ‘actuele’. Het woord ‘onmogelijk’ wordt vervangen door ‘hoogst onwaarschijnlijk’. Zeg dus niet langer: ‘Het is onmogelijk dat de kolkende lava terug in de vulkaan zal vloeien’ maar wel ‘Het is hoogst onwaarschijnlijk dat…’ Deze benadering heeft ook nadelen. Men dreigt woorden te gebruiken die de echte bedoelingen niet langer willen weergeven. Het wordt pas onrustwekkend als iemand het altijd over de ‘jodenkwestie’ heeft en nooit over het ‘vergassen van joden’.

Taal is, net als het microniveau van onze werkelijkheid (elektronen en atomen), een toestand van superpositie. Alle mogelijkheden (lettercombinaties en betekenissen) zijn tegelijkertijd aanwezig. De taal daadwerkelijk gebruiken (hetzij gesproken of geschreven) betekent de superpositie opheffen en naar een vereenvoudigd model streven dat ons helpt om onze weg in deze wereld te vinden. De taal fungeert eerder als een matrix naast de werkelijkheid. En net zoals in de film ExistenZ is de taal een soort spelprogramma geworden waarin men niet meer weet wat echt of onecht is, wat waar en onwaar is.

Waarheid en bewijsbaarheid horen samen. Wat bewijsbaar is, is waar. Dat zegt ons gezond verstand – met of zonder migraine. Maar het feit is dat, indien ik de werkelijkheid wil kennen, ik die kennis slechts kan bekomen als ik mij op een meta-niveau plaats. Met andere woorden: ik ontwerp een formulering, een theorie (een taalmatrix) over de werkelijkheid. Volgens Gödel kan deze taalmatrix waar zijn, maar het is onmogelijk dit te bewijzen. Waarheid en bewijsbaarheid divergeren. Enkel indien de taalmatrix onjuist is, zou zij bewijsbaar zijn, maar – paradox – dan is de taalmatrix juist, omdat zij bewijsbaar is. Ik herhaal (vooral voor mezelf): men kan enkel bewijzen wat onjuist is, maar daardoor wordt het onjuiste juist, omdat ‘wat bewijsbaar is, is waar’. Blijkbaar kan migraine leiden tot ongecoördineerd denken, vroeger werd dit een ‘visioen’ genoemd.

We leven in een ‘verdwijncultuur’. Niet alleen de werkelijkheid verdwijnt uit mijn zicht, het verdwijnen van het onderwerp of van de auteur is ook een feit, maar ook in mijn dagelijks leven ervaar ik de ‘verdwijncultuur’. Daar waar ik vroeger kon pronken met tal van gesofisticeerde apparaten, verdwijnen ze één na één uit mijn woonkamer. Een antwoordapparaat heb ik niet meer nodig omdat er voice-mail bestaat, een videorecorder evenmin omdat ik nu via internet de films kan downloaden in mijn televisie, die ook als computer fungeert en die ook de rol van muziekinstallatie op zich neemt.

De twintigste eeuw heeft ervoor gezorgd dat alle traditionele deterministische zekerheden uit de weg werden geruimd. Het gevoel van chaos of wanorde is slechts een emotionele reactie tegenover het verlies van de zekerheden. Hoe zal de eenentwintigste eeuw eruit zien? Geen benul. Ik vermoed alleen maar dat de grote afwezige het ‘actuele’ zal zijn.

1 Einstein on the Beach, Philip Glass

2 cf. Lascaux, waar de kennis van overtuigingen en tradities werd bewaard.

 

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

Paul Pourveur

artikel