Postcard ‘Dagdagelijkse scène in de Marokijnstraat in 1080 Molenbeek’ (op 19 september 2010 om 13h13) © C & H and the actors depicted

Leestijd 13 — 16 minuten

De onvatbare stad

C&H: Postcards from the Future / Brussels 2010-2011

Gedurende het afgelopen seizoen produceerde het kunstenaarscollectief C&H een reeks postkaarten van het Brussels Gewest. Op elk van de postkaarten stond een datum. Ze waren de ‘voorafbeelding van een toekomstige reële situatie’ die op het afgesproken tijdstip mee te maken viel op uiteenlopende plekken als het Noordstation, het Europees Parlement, de Vlaamsesteenweg en de wijk Matonge. Pieter T’Jonck legt uit hoe het project met andere ogen deed kijken naar de stad en zijn bewoners.

Onlangs zag ik het toch nog eens: een familie – twee ouders en twee jonge kinderen – die aan een cafétafeltje een stapeltje postkaarten aan het ondertekenen waren. De ouders schreven een klein woordje en het adres op elk kaartje, de kinderen voegden er netjes hun naam aan toe. Dit ooit zo vertrouwde tafereel in vakantieoorden is zeldzaam geworden. Postkaarten zijn een medium uit het verleden. Ze doken op samen met het ontluikende toerisme, toen de productie van beelden nog moeilijk en tijdrovend was, en de post bovendien traag. Wilde je de thuiswacht op de hoogte houden van het verloop van je reis, dan moest je wel terugvallen op kant-en-klare representaties. Het was zelfs zaak om dat snel te doen. Zo niet was je weer thuis vooraleer de kaartjes ter bestemming waren. Digitale media hebben er geen alternatief voor verzonnen. Iedereen dumpt nu gewoon beelden op Facebook.

Ondanks hun antiquarische statuut hebben postkaarten een kwalijke reputatie. Niet zozeer de kaartjes die een stralende zonsondergang afbeelden, of die met ‘ondeugende’ afbeeldingen die je vroeger zag aan de kust. Wel de kaartjes die een stadsgezicht of landschap afbeelden. Hoe minder ze werkelijk circuleren, hoe meer ze het zinnebeeld worden van de manier waarop de toeristische industrie een complexe (stedelijke, maatschappelijke, …) realiteit reduceert tot enkele stereotype beelden. Wat daar zo fout aan is? De sociale wetenschappen zingen al een paar decennia de lof van de stad als een plek van diversiteit en tegenspraak. Dat zou een positief ethisch effect sorteren op de stadsbewoner. Ook al heeft die idee zijn beste tijd gehad, het staat als een paal boven water dat steden hun bewoners inderdaad leren dat niemand hen ooit ten volle kan beheersen of naar zijn hand zetten. Steden zijn nooit ideaal, nooit in een blik te vangen. Net dat maakt ze zo boeiend. Zo niet dus de postkaarten.

Postkaarten volgen immers een specifieke beeldformule: de werkelijkheid is haast steeds minder mooi, indrukwekkend en kleurrijk dan wat de postkaart suggereert, omdat storende elementen als lawaai, kraampjes en passanten zorgvuldig uit het beeld weggefilterd worden. Het was (en is) onmogelijk om een foto van het Colosseum in Rome te trekken zoals postkaarten het tonen, al beschikte je over de allerbeste camera. De plek is immers vergeven van ‘stoorzenders’ die beletten dat je het monument, en slechts het monument, in al zijn ‘brute schoonheid’ – de aanhalingstekens tellen –, zou kunnen fotograferen.

De logistieke moeilijkheid om ideale beelden te maken verraadt hoe zeer postkaarten een product zijn van een toeristische industrie. Enkel die industrie kan de omstandigheden scheppen om ideale foto’s en dito plekken te produceren. Gaandeweg zijn veel Europese steden, door drastische heraanleg,trouwens steeds meer op die postkaarten gaan lijken.Al wat niet in het toeristische beeld van de gezellige of spectaculaire stad past, wordt steeds hardhandiger verwijderd. Die industrie draait echter op een paradoxale gedachte. Enerzijds belooft ze ons de confrontatie met objecten die ons zullen verrassen, betoveren of zelfs een unieke ervaring bezorgen.Anderzijds is die belofte zo zorgvuldig voorbereid en gemediatiseerd – in zijn primitiefste vorm door reisgidsen en postkaarten, in zijn meer recente vorm door harde ingrepen – dat de schok van de ontdekking al volledig onschadelijk gemaakt is voor ze zelfs maar plaats zou kunnen vinden. Als er al werkelijk sprake is van een schok, dan zou die er eerder in bestaan dat de werkelijkheid niet lijkt op het beeld dat je voorgespiegeld werd.

Het bizarre is dat die situatie zich hoogst zelden voordoet, of, als ze zich onverhoopt aandient, de gemiddelde toerist er moeiteloos in slaagt abstractie te maken van alles wat hem afleidt van wat er ‘echt’ te zien is. Vanuit het standpunt van de afzender bekeken zijn postkaarten een probaat middel om abstractie te maken van die ongewenste werkelijkheid: een kaartje hangt bij het thuisfront een beeld op van wat je verondersteld wordt gezien te hebben, maar wordt via die omweg ook je eigen verhaal. Ongeacht de files, de straatventers, de bedelaars en potsenmakers die het zicht op het Colosseum verhinderden. Vanuit het standpunt van de ontvanger bevestigt het kaartje eerdere, nauwelijks door ervaring onderbouwde veronderstellingen over wat er op deze of gene plaats te beleven valt. In beide gevallen is de postkaart een voorafname op de toekomst. De afzender hangt er zijn herinneringen aan op, de ontvanger zijn beeld over wat hij ooit misschien ook zal beleven. Postkaarten zijn altijd al gezonden ‘from the future’, zij het een volstrekt hypothetische.

Modern toerisme speelt de cultuurhistorische (post-)kaart niet meer zo nadrukkelijk uit. Gebouwen en monumenten zijn niet langer de eerste toeristische trekpleister. Je gaat naar Barcelona omdat ‘het’ daar gebeurt, met een mooi decor op de koop toe. De stedelijke ervaring is breder en diffuser geworden, en lang niet meer enkel door cultuurhistorie of dolce far niente ingekleurd. Je eigen foto’s van je eigen unieke ervaring zijn nu interessanter dan het eeuwige beeld. Maar ook die ervaring is natuurlijk grondig gekneed door een toeristische industrie.

Het is zelfs de tragiek van een stad als Barcelona: toen de stadsplanners de stad na jarenlange verwaarlozing onder Franco terug leefbaar wilden maken, gingen ze aanvankelijk via kleine ingrepen te werk, maar de stad kwam pas terug op de mentale kaart van Europa te staan door (toeristische) megamanifestaties. Die maakten er op korte tijd the place to be van. Met als gevolg dat het stadshart een toeristisch mekka geworden is, maar dat de activiteiten die daaruit voortvloeien veel minder gelaagd zijn dan wat de stad ooit te bieden had. Er zijn maar weinig grote steden in Europa die aan die vorm van toeristische ‘commodification’ ontsnappen. In West-Europa denk ik spontaan enkel aan Brussel, waar bestuurlijke wanorde een groot masterplan tot nog toe steeds verhinderde. Toeristisch Brussel is slechts een marktplein en enkele straten groot. De rest is min of meer gecontroleerde chaos. Wie daarin de parels wil ontdekken, moet zelf op onderzoek uit.

The past of ‘Postcards from the Future’

Het kunstenaarscollectief C&H onderwierp het fenomeen van de postkaart al een paar keren aan een onderzoek. In Metz, Genova en Leuven beperkte het zich tot een eerstegraads ‘ontmaskering’ van het principe van de postkaart. Ze lieten toeristische beelden vollopen met net die incongruente details die een gewone postkaart uitwist. Zo toonden ze dat een stad nooit alleen maar een toonkast van een monumentaal verleden is maar ook een bizar schouwtoneelgenre van dien. De kleuren zijn oververzadigd, één postkaart is opgedeeld in drie kleinere beeldvlakken om een caleidoscopisch beeld van het plein weer te geven.

Enkel wie goed toekijkt merkt iets ongewoons aan die postkaarten. Een teveel aan passanten brengt bijvoorbeeld de eeuwigheidswaarde van het beeld in de verdrukking. De keuze van de beelden is ook curieus. Op de caleidoscopische prentkaartis een van de kleinere beelden gewijd aan een façade van een apotheek. Het beeld heeft niet de pittoreske kwaliteit die je van een postkaart verwacht. Een vrouw loopt opzichtig dwars door het beeld heen. Een andere vrouw leunt vermoeid tegen een muur, alsof de plek helemaal niet zo leuk is.

Het vreemdste is echter dat er op al die postkaarten een datum staat.Wie zich op die datum naar de plek begaf die de postkaart afbeeldde, merkte dat precies op dat ogenblik alle mensen die op de postkaarten figureren ook op exact dezelfde plaats, in dezelfde kleren, met dezelfde gebaren aanwezig waren. De postkaarten waren dus een voorafbeelding van een toekomstige reële situatie. Die verschilde niet bijzonder veel van de toekomst die een ‘echte’ postkaart in het vooruitzicht stelt, behalve dat ze net iets verwarder en minder eenvoudig te interpreteren was.

In Leuven deed C&H deze oefening nog eens over voor het festival Playground 08. Deze keer dreven ze de verwarring nog op. De foto van de marktdag op het Ladeuzeplein toont bijvoorbeeld een man met een schort die in de lucht zweeft terwijl een rijtje mensen naar hem kijken. De verklaring voor dit bevreemdende beeld kreeg je pas op de dag zelf: de zwevende man stond op die dag in een kraam, op een verhoog dus, klanten te bedienen. Je moest dus wel goed kijken om de samenzwering te ontdekken. In deze serie werd ook meer gespeeld met het karakter van postkaarten. Een foto van het Klein Begijnhof bijvoorbeeld had, door het gebruik van een ouderwetse grootbeeldcamera, precies de sepiakleur die je associeert met dit soort pittoreske omgeving.

Brusselse postkaarten

Tijdens het afgelopen seizoen produceerde C&H een nieuwe reeks van acht dergelijke postkaarten, met aan het begin van het seizoen nog een extra kaart als smaakmaker. Deze keer was het Brussels Gewest het onderwerp. Die keuze had belangrijke implicaties. Het ging nu immers niet om een plek die de kunstenaars voor een korte periode aandeden, als het ware als toeristen, maar om een stad die ze dagelijks aan den lijve ervoeren. Daarom wilde C&H in ‘Postcards from the Future/ Brussels version’ onderzoeken hoe je een ‘zelfportret’ van een stad kon maken, hoe je een plek zou kunnen ‘acteren’ en de inhoud ervan ‘fotograferen’. Een logistieke nachtmerrie was het in elk geval. Er kwamen talloze lokale organisaties aan te pas om deze acht postkaarten te realiseren. (Het bleek logistiek evenmin eenvoudig om alle postkaarten live te zien: uiteindelijk miste ik de helft om allerlei redenen.) Of het project ook een bijzondere kijk op de hoofdstad opleverde, is de vraag.

Die vraag hangt in eerste instantie samen met de keuze van de locaties. Wat zijn de echt bezienswaardige plekken van deze stad? Waar is ze uitzonderlijk, memorabel? Misschien niet op die plekken waar we zoeken. Rem Koolhaas duidde ooit,tijdens zijn studie aan de AA School in London, de Berlijnse Muur aan als het toppunt van architectuur omdat hij op de meest brutale manier doet wat architectuur doet: een grens instellen tussen een begeerlijk fantasmatisch binnen en een doods, onwenselijk buiten. Koolhaas deed ons zo met andere ogen kijken naar wat architectuur veroorzaakt. C&H doet iets gelijkaardigs. Zo bijvoorbeeld met de keuze voor het CCN (Centre/Centrum Communication/Communicatie Nord/noord). Dat complex is dan wel een architecturaal gedrocht (net als de Muur), het is (net als de Muur) ook een meesterzet op het gebied van vastgoed: op de ruïnes (of de povere resultaten) van het plan voor het WTC, waarvoor de stad Brussel met de hand- en spandiensten van Charly De Pauw ooit een hele volkswijk platlegde, werd een constructie bedacht die in één monstergebouw alle systemen van openbaar vervoer, een reeks winkels en de administratie van het gewest verenigt. Het is een steen geworden fantasma: een stad op zich die louter uit circulatie, beheer en diensten bestaat, maar niet bewoond wordt. Een hoofdstad die door zijn loutere bestaan de rest van het land in vredige landelijke rust kan laten verder dommelen.

Als het nu niet net die plek was waar landlopers, daklozen, drugsverslaafden en sans-papiers de winter (noodgedwongen) doorbrachten en daarmee ook het nieuws steeds weer haalden. Als een niet te onderdrukken rest van het prachtige stroomdiagram België. Waardoor dit CCN plots het schaamtevolle toneel werd van een verdrongen binnen/buiten van ons mooie land. De werkelijkheid bleek overigens nog navranter dan de postkaart: enkele ‘bewoners’ van het CCN daagden te elfder ure niet op. Van één vrouw werd vermoed dat ze er definitief de brui aan had gegeven, anderen waren in een hopeloze ruzie verzeild over betalingen en over wie met wie op het groepsportret mocht verschijnen. Deze maatschappij aan de rand hing zo een verwrongen spiegel op van de reguliere wereld. In de bijtende decemberkou. Terwijl ordediensten het gespuis buitenwerkten…

Mislukte moderniteit

Op een andere postkaart, gemaakt op de Vlaamsesteenweg in hartje Brussel, zie je een verwant fantasma over de hoofdstad opduiken. De straat is compleet geblokkeerd door een eindeloze file: wagens die zich in een dubbele rij verdringen om vooruit te geraken. Ironisch genoeg miste ik de live versie door… een hopeloze file elders in de hoofdstad. Het is een bijzonder beeld. Het standpunt van de camera is ongewoon hoog, en geeft zo de hele lengte van de steenweg weer. Van de straatwanden zie je door dat standpunt echter vooral de hogere etages, met ouderwetse  balkonnetjes, straatlampen en uithangborden, en niet de ‘gepimpte’ etalages op begane grond. Daardoor lijkt het beeld uit een ver vervlogen verleden te stammen. Het heeft iets vertederends omdat het herinnert aan een tijd dat de auto nog de belofte inhield van onbeperkte mobiliteit. De afgezwakte kleuren, met veel grijswaarden – enkel onderaan in het beeld verraadt een knalgele auto dat het om een recente foto gaat – versterken die indruk. En dan de figuranten: een kruier, wandelaars die hun weg zoeken tussen de wagens, een serveuse die iets verkoopt aan een autobestuurder… Gek genoeg loopt niemand over het trottoir, alsof je dat enkel in hoogste nood zou willen doen.

Het lijkt een beeld uit een film van Jacques Tati: een tegendraadse lofzang op de absurditeiten van het moderne leven… De clou is natuurlijk dat het beeld tegelijk een demonstratie is van een – in Brussel althans – controversiële kwestie: wie heeft recht op de stad? De automobilist die de stad gebruikt wanneer het hem zo uitkomt en zich ’s avonds in zijn buitenwijk terugtrekt, de toerist, de flaneur of de bewoners – als die er nog zijn? Wie kan deze stad claimen? In een stad waar het lange tijd een uitgemaakte zaak was dat de eerste het voor het zeggen had (zie ook ccn), maar het beleid nu probeert de bakens te verzetten – iets wat in andere metropolen al lang gebeurde – is dat geen onschuldige kwestie.

Nog zo’n straffe keuze (al zag ik in dit geval het ‘echte’ resultaat niet): de ‘Rue du Maroquin’ of ‘Marokijnstraat’ in Molenbeek. De straatnaam verwijst naar ‘maroquinerie’, het Franse woord voor lederbewerking dat ontleend is aan het Spaans aangezien die kunst ooit tot bloei kwam onder de Arabische bezetting van het schiereiland. Of C&H dat beseft weet ik niet, maar in de postkaart herhalen ze een strategie die de nationaalsocialisten in Duitsland ooit hanteerden om de modernistische bouwkunst van de Internationale Bauausstellung (IBA) aan de kaak te stellen. Op een postkaart‘bevolkten’ zij de straten met smetteloos witte modernistische woningen met Arabieren. Zo wilden zij het‘volksvreemde’ karakter van deze bouwkunst in de verf zetten. De kaart van C&H is uitgevoerd in stemmige sepiakleuren die als vanzelf een beeld uit het verleden suggereren, net als bij de kaart van de Vlaamsesteenweg. Op de voorgrond kraampjes, een ezeltje, een vrouw met hoofddoek die een boodschappentas draagt, veel lieden in traditioneel Maghrebijnse klederdracht. Op het middenplan onder andere een koppel oude dames die als twee toeristen staan te kijken naar de drukte. Op de achtergrond: de imposante betonnen kerk van Diongre die de Parvis van Molenbeek domineert. Je zou zweren dat de kaart een nostalgisch beeld toont van pittoreske drukte in een stad uit het Nabije Oosten. De kerk zelf, een topwerk uit het interbellum, lijkt zowaar zelfs een moskee door de decoratieve motieven voor de ramen en de slanke toren die veel weg heeft van een minaret. Hoe weinig is er nodig om een westerse stad op een oosterse te laten lijken? Dat dit ‘gezellige’ beeld tegelijk een sociale realiteit van migratie weerspiegelt waar we nauwelijks raad mee weten maakt er de sterkte van uit. Het is een werk op zich. (Een andere kaart, die ik echter miste, nam de markt in het voormalige slachthuis van Anderlecht in het vizier. Wellicht kreeg je ook daar een beeld van de complexe manier waarop sferen en werelden elkaar in Brussel overlappen.)

Geslaagde moderniteit en politieke spraakverwarring

Al deze postkaarten brengen op een ironische manier een bekend verhaal in de herinnering: Brussel als de stad die eind de jaren 50 de moderniteit hartstochtelijk wilde omarmen, maar achterbleef met een halfbakken versie ervan. De stad verteerde de modernisering nooit helemaal. Ze werd opgezadeld met gapende wonden, onafgewerkte projecten en onoplosbare sociale en mobiliteitsproblemen die voortsudderden toen de nieuwe idee van de (postmoderne,toeristische) stad zich aandiende. De kaarten analyseren die problemen niet. Ze wijzen alleen op incongruenties die Brussel maken tot wat hetis: een vuilnisbelt van allerlei visies en plannen die nooit tot een goed einde kwamen, maar die de stad weltot een boeiend laboratorium bevorderen. Net dat maakt één kaart, die van het Flageyplein, opmerkelijk. Dat plein – met alweer een complex van Joseph Diongre, de vroegere nir-gebouwen, als koninginnenstuk – is een van de zeldzame plekken in de stad waar een bepaald – knus, kleinburgerlijk – idee van de moderne stad wél stand hield. Het plein heeft een enorme maat, ziet uit op de vijvers van Elsene, is een min of meer geslaagd verkeersknooppunt en architecturaal bijzonder homogeen. De pleinwanden bestaan nagenoeg volledig uit hoge flatgebouwen in dezelfde lichtgele baksteen, met een zware plint in blauwe steen. Wie er komt, vraagt zich ongetwijfeld af hoe het moet zijn om vanuit de appartementen op de hoogste etages, zittend in een knusse fauteuil en met een kroonluchter op de achtergrond, uitte kijken over het voortdurende unieke schouwspel van het moderne leven. Op 24 oktober 2010 kreeg je de kans om dat dat even te beleven, met een dansje op het plein op de koop toe. Het ballet van de moderne tijd. Je waande je meteen in de jaren 30.

De kaart van het Europees Parlement katapulteert je echter meteen terug in de werkelijkheid van de dag. Het project faalde jammerlijk, maar die mislukking bepaalde meteen de betekenis ervan. De idee was eenvoudig: C&H mobiliseerde een gigantisch netwerk van mensen die aan ‘hun’ Europese vertegenwoordigers het verzoek richtten om op een welbepaald moment in het halfrond van het Parlement op te staan. Bedoeling was dat al die briefschrijvers op dat ogenblik ook aanwezig zouden zijn in de publiekstribunes. Mij is het alvast niet gelukt om binnen te geraken. Bovendien gaf uiteindelijk ook zowat geen enkel parlementslid gevolg aan de oproep omwille van een verlate stemming en – als ik me dat juist herinner – een manifestatie voor het gebouw. Maar wat was de beweegreden van C&H voor deze actie? Ze formuleerden het zo: ‘By standing up in response to my postcard, you and the other Members of the European Parliament will demonstrate that a direct communication between us is possible. Together we will for an instant bridge the gap that exists between you and me, between the Brussels of the European institutions and the Brussels of its citizens – two neighboring worlds that are still so alien to one another.’ Dat is alvast een beleefde manier om te zeggen dat de Europese bouwwoede een aanzienlijk deel van Brussel naar de verdoemenis heeft geholpen, door een voortwoekerende monocultuur van kantoorgebouwen.

De actie had echter ook een ander, meer onthutsend gevolg. Veel parlementsleden reageerden immers op de verzoekmails. Een staal van die antwoorden vind je terug op de website van C&H. Het ene parlementslid vond het initiatief sympathiek, het andere wilde er niet aan meedoen omdat het vond dat hij/zij enkel zetelde om de Europese instituties te ondergraven. Een derde vroeg zich af of dit wel een goede manier was om te communiceren met de kiezer. En allemaal onderstreepten ze dat ze steeds volkomen aanspreekbaar waren. Die verzamelde uitspraken bieden een ontluisterend beeld van het parlementaire werk. Of ze nu voor of tegen de actie waren, geen van de antwoorden lijkt verder te komen dan wat vage algemeenheden en slogans over democratie en contact met de burger. De verzamelde mails verraden een en al politieke spraakverwarring en vooral een gebrek aan een duidelijk project – op het destructieve doel van één parlementair na dan. Misschien is het dan toch niet zo vreemd dat het Parlement als een mislukte UFO gecrasht is in de Europese wijk.

Microschaal – Macroschaal

Eén postkaart sprong er in de reeks een beetje uit: de kaart van zaterdag 13 november 2010, in de Praagstraat in Sint-Gillis, droeg geen afbeelding. Het kaartje was aan voor- en achterzijde volgekrabbeld met tekst, als een  ouderwetse gele postkaart (bestaan die eigenlijk nog?) Een voetnoot verraadde dat iemand de tekst op de postkaart genoteerd had voor een blinde. De tekst doet verslag van alles wat de blinde waarneemt op een kruispunt in hartje Sint-Gillis. Geluiden van passerende fietsers, de geur van parfum, radioberichten vanuit een stilstaande wagen, enzovoort. Voor de groep mensen die zich, in de gietende regen, verzameld had onder een tentzeil was het op die bewuste dag een grappige puzzel om te achterhalen waar de schrijver het over had. Wie behoorde tot de kaart, wie kwam echt toevallig voorbij? Het was de enige kaart die, op wat verwijzingen naar de aanslepende regeringsonderhandelingen en internationaal politiek nieuws na, nadrukkelijk focuste op de hobbelige geografie van de stad zelf, die de beleving veel sterker bepaalt dan een abstracte blik vanuit de hoogte zou doen vermoeden.

De meest spectaculaire kaart reserveerde C&H voor het einde van het seizoen. Hier werd wel uitgezoomd, en hoe! De kaart toont geen foto van Brussel, maar een schilderij dat de Congolese kunstenaar Chéri Samba in 2002 maakte van de Naamsepoort. Matonge dus, het epicentrum van de Congolese diaspora na een eeuw koloniale en postkoloniale rampspoed. Hier had C&H een rendez-vous met een geschiedenis die op vele manieren de hoofdstad imaginair en in de realiteit kleurt en vorm geeft. Chéri Samba’s kaart is een lofzang op de verrukkelijke diversiteit van de plek waar hij tot zijn vreugde zag hoe mensen uit alle windstreken elkaar onbevangen kunnen ontmoeten. C&H spoorde veel figuranten op het schilderij op en ronselde ook andere buurtbewoners voor een reconstructie op ware grootte. Een uur lang duurde het voor de hele stoet ter plekke was en iedereen op de juiste plek, in de juiste houding stond. Ondertussen werden kleine toneelstukjes opgevoerd. Een dispuut tussen twee Congolezen bijvoorbeeld. De ene een ‘évolué’, de andere een naïeve ‘zwarte’ die niet wist hoe zich te gedragen in de stad. Het herinnerde op een vreemde manier aan de geschiedenis die ertoe leidde dat in het hart van Brussel een Congolese wijk ontstond, die voor veel Congolezen nog steeds een soort ‘Beloofde Land’ is.

Hier haalde de werkelijkheid de postkaartconstructie echter voor één keer compleet in. Het was de bedoeling dat de reconstructie van het schilderij na een uur weer langzaam zou desintegreren, op nauwkeurig gechoreografeerde manier. In werkelijkheid gaven de meeste figuranten er vrij plots de brui aan. De aanleiding was een onverwacht incident. Een zwarte vrouw greep de microfoon en hief een scheldtirade aan op wantoestanden in Afrika.Ze eiste dat eindelijk de maskers zouden vallen.Ze kreeg zoveel bijval dat de reconstructie even veranderde in een politieke mini-manifestatie. Niet dat er onlusten uitbraken. De lichtvoetige ironie van de postkaarten werd onverwacht doorbroken: de figuranten namen de zaak over om hun versie van de feiten – van de stad en de wereld, die hier voor één keer samenvielen – te ventileren.

Maar zo is het nu eenmaal: je kunt steden niet controleren.

www.postcardsfromthefuture.be

 

 

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 13 — 16 minuten

#126

01.09.2011

30.11.2011

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis. Hij richtte recensieplatform Pzazz op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!