© Jesse Vandamme

Leestijd 5 — 8 minuten

De levende geschiedenis

Een jonge theatermaker vertelt wat hij leert van veertig jaar ‘Etcetera’  

Jesse Vandamme, lid van het jonge theatercollectief Camping Sunset, wordt op een dag eigenaar van een enorme stapel Etcetera’s, van 1983 tot nu. Hij begint verwoed te lezen en maakt zo kennis met een ander soort theatergeschiedenis: die van het eeuwige nu.

Tijdens de vorige, vreselijk hete zomer, werkend aan de voorstelling van Camping Sunset in de korte opening tussen de lange, gesloten maanden van stilstand in, had ik het geluk op een bericht te stuiten van een oud-student van KASK Drama. Hij zocht een nieuwe eigenaar voor zijn bijna volledige Etcetera-archief, dat hij op zijn beurt ook ooit van iemand had gekregen. De verzameling was hem dierbaar, maar hij wilde dat iemand er opnieuw in zou gaan lezen, iets wat hij zelf al een tijd niet meer had gedaan en ook niet meer van plan was. Hij wilde de schriften levend houden, of ze moesten verdwijnen.

Zeker veertig kilo was het, alles bij elkaar. Het gewicht beviel me. Terwijl ik ze op een geleende bakfiets stuntelig naar de repetitie vervoerde, dacht ik na over hoezeer ik zwaarte nodig had en opzocht, en dat het een belangrijke reden is waarom ik theater ben gaan maken. Een samenkomst van lichamen die onderhevig zijn aan dezelfde zwaartekracht. Ik dacht aan het zware moment, wanneer het lijkt alsof de lucht dik wordt en de ruimte zich vernauwt, en iedereen plots meebeweegt met een speler die de waarde van de woorden vindt. Het theater is log en zwaar. Het kan maar op één plaats tegelijk zijn en moet zichzelf steeds meenemen naar waar het wil bestaan. Het is ‘de kunst van de aanwezigheid’, zoals Peter Missotten zo mooi schreef in Etcetera 83. En in dat opzicht was ik dankbaar voor het gewicht van die veertig jaar beschrijven en bevragen.

Ik ben meteen beginnen te lezen, en al snel werd het obsessief. Eerst de eerste nummers, uit 1983. Ik werd getroffen door de specifieke geschiedschrijving die het tijdschrift kenmerkt, vooral voelbaar in de nummers die het verst terug in de tijd liggen. Anders dan de conventionele theatergeschiedenis, waarin je vanuit het heden terugkijkt naar wat geweest is, is het tijdschrift een levende, zichzelf schrijvende geschiedenis waar je in binnenvalt. Het dompelt je onder, want het spreekt je in de nu-vorm aan: het brengt verslag uit en weet niet dat het later is. Daarom is het ook vervreemdend: wie nu leest, weet vaak al wat het tijdschrift nog te weten moet komen. Zo lees ik in de tegenwoordige tijd over Anne Teresa De Keersmaeker als beginnende choreografe, wetende wat voor instituut Rosas door de decennia is geworden. Het is haast spookachtig om in die directe vorm voor het eerst kennis te maken met makers die al lang overleden zijn. Het is eng om mensen op de voorpagina te zien, ze overtuigend te horen spreken, terwijl ze nu randfiguren zijn naar wie nauwelijks nog iemand omkijkt. Wie nu leest, kent de slagen die de tijd uitdeelt.

“De liefde waarmee de voorstellingen verdedigd en beschreven worden, maakt het lezen verslavend.”

Soms eist de tegenwoordigheid ook haar rechten op. Wanneer ik het artikel van Marianne Van Kerkhoven over Rosas danst Rosas lees (in nummer 3, p. 9) voel ik me meer aanwezig bij die voorstelling dan wanneer ik naar een herneming van datzelfde stuk ga kijken. De liefde waarmee de voorstellingen verdedigd en beschreven worden, maakt het lezen verslavend. Ik ben door die liefdevolle pen gaan houden van zoveel stukken, zoveel makers die ik nooit heb gezien en nooit zal kunnen zien, zelfs niet op de captaties van het voormalige VTI die nu waarschijnlijk ergens liggen weg te rotten in een kelder, kwetsbaar zoals kunst is. Ik merk dat ik de oude nummers vaker herlees, en moet bekennen dat het verleidelijk is heimat te zoeken in die eerste, schijnbaar overzichtelijke decennia. Het verleden zwijgt en fungeert zonder tegenspraak gemakkelijk als projectievlak, strijdveld en schuilplaats.

Het valt me op dat het terugkeren naar die eerste schriften soms ook vluchten is, in een overzichtelijke en stille wereld. Nu ik bijna afstudeer en om me heen kijk, merk ik dat ik maar moeilijk greep kan krijgen op de ruimte rondom. Ik moet straks zoeken naar een plek om door te groeien. Ik kijk bangig naar de theatermakers met wie ik podia en middelen hoop te delen, en vrees de gevolgen van de immer opschroevende precariteit, die me waarschijnlijk zal nekken, met een burn-out ergens halverwege.

Maar er is meer.

Het lezen werkt verhelderend. Structuren die mij voorkwamen alsof ze altijd al bestonden, blijken constructies opgetrokken uit spuug en paklint. Campo, Toneelhuis, NTGent. ITA, Cassiers, Van Hove, Fabre. Al die monolithische instituten met hun eindeloze aanspraak op middelen, verliezen het schijnbare privilege dat ze altijd al en van nature hebben bestaan. Hun aanspraak op macht en middelen gaat er minder vanzelfsprekend door lijken.

“Campo, Toneelhuis, NTGent. ITA, Cassiers, Van Hove, Fabre. Structuren die mij voorkwamen alsof ze altijd al bestonden, blijken constructies opgetrokken uit spuug en paklint.”

Daarbij zet het lezen mijn notie van temporaliteit op losse schroeven. Kwaliteit is geen chronologische aangelegenheid. Er zijn mindere en sterkere periodes geweest, er zijn voorstellen en tegenvoorstellen gedaan, er is zwak en sterk theater geweest, maar er is geen eenduidige groei van toen tot nu. Er is groeien en krimpen, opkomen en afgaan. Veel voorstellen en voorstellingen, van vorig jaar of dertig jaar geleden, dragen in zich een mogelijkheid die nog steeds mee vorm kan geven aan potentiële toekomsten.

Helaas is herinnering net een van de zwaktes van het theater. Omdat het een kunstvorm is die zichzelf uitwist, beschikt het over een minder goed geheugen dan bijvoorbeeld de beeldende kunst of film. Net daarom is het belangrijk om door de Etcetera-archieven te gaan, want het was op z’n minst tussen 1983 en 2010 het belangrijkste collectieve Vlaamse theatergeheugen waarover wij beschikken. Het is belangrijk omdat we zo kunnen voortbouwen op wat zich heeft voorgedaan. Omdat we zo een kaart kunnen maken waarop we onszelf beter kunnen positioneren. Omdat we op die manier het gevoel krijgen dat we niet zo alleen zijn. We moeten weten wat er is geweest zodat dat wat er geweest is levend blijft – een levende geschiedenis.

“Helaas is herinnering een van de zwaktes van het theater. Omdat het een kunstvorm is die zichzelf uitwist.”

Het veelvuldige lezen in de nummers, dat nu deel is geworden van mijn dagelijkse praktijk, lijkt een dieper effect te sorteren. Wat me overkomt is, door de onbevattelijke veelheid ook, eerder een soort groeiend wortelen dan een weten. Ik merk dat ik me steeds meer verbonden ga voelen, gebonden, rooted. Ik kom erachter dat de ideeën die ik heb over wat theater moet zijn, niet de mijne zijn maar het product van decennialang zoeken, beschrijven, maken, tonen en delen. Dat mijn onderzoek voortbouwt op dat van Meg Stuart en Tone Brulin, Mark Vankerkhove en Michiel Van de Velde, Marianne Van Kerkhoven en Séba Hendrickx, Rudi Laermans, Jef Demedts – de lijst is eindeloos. Ik voel me gesterkt en verbonden met zij die voor me kwamen en zij die nog bezig zijn, en ik merk hoe ik me langzaam losmaak van de mythe van mijn uniciteit. Ik kijk steeds sterker doorheen dat wat geweest is naar wat er voor mij ligt, mijn materialen hier op tafel, dit jaar waarin ik zal afstuderen, met een productie waarvan ik de laatste tijd weleens vrees dat het niet anders kan of ze is al eens gemaakt. Want echt waar: je komt er snel achter dat alles al eens is gemaakt. Of toch ontzettend veel.

Niet raar natuurlijk, dat het net het theater is dat zichzelf zo vaak herhaalt. Van het gemaakte blijft meestal niets of weinig over. Het verdwijnt die avond nog, en hoogstens leest iemand er binnen dertig jaar iets over terug in een van deze Etcetera’s.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 5 — 8 minuten

#163

15.03.2021

31.05.2021

Jesse Vandamme

Jesse Vandamme studeert dit jaar af aan KASK Drama. Hij is spelcoach bij Camping Sunset en is actief als regisseur en muzikant. Op dit moment werkt hij met tien spelers aan zijn eerste grote groepsvoorstelling.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!